Het Migrantenmuseum

De wasmachine

Ik werd dus gebeld door de beunhaas die zestig gulden wilde hebben voor de wasmachine. Mijn zelfmoordplannen schoof ik op de lange termijn en ik reed naar de man in Diemen. Het was een regenachtige dag, maar de regen slaagde er niet in om de vraag die de mensheid van binnen opvreet weg te spoelen.
Ik belde aan, de man, een kennis van wijlen mijn oom, deed open en mompelde dat ik naar binnen moest komen. Voordat ik naar binnen ging zei ik: ‘U had door de telefoon gezegd dat de wasmachine alleen in guldens te koop was. Ik ben de hele dag bezig geweest met zelfmoordplannen maken. Echt veel tijd had ik niet om naar guldens te zoeken. Dat u het maar weet.’
De man – zijn naam ben ik al weer vergeten, misschien kom ik er nog op – glimlachte alleen en maakte met zijn hand het gebaar dat ik naar binnen moest komen. De wasmachine stond in de woonkamer. ‘Hij doet het nog steeds’, zei de man die onder de migranten van deze streek bekendstond om zijn kundigheid in het repareren van gaskachels. Ik ging naar het ding, voelde aan de geroeste randen, deed de klep open en keek naar binnen, sloeg de versleten kabel gade en zei met een emotionele stem: ‘Dit is dus de wasmachine die ons laat leven.’ De beunhaas (wat was zijn naam nou ook al weer) keek met treurige ogen en knikte met zijn hoofd. We gingen ervoor zitten en staken twee sigaretten op. Na een paar trekken vroeg ik de kleine ouwe hoeveel hij voor het ding wilde hebben. ‘Niets’, zei hij, ‘neem maar mee. Ik heb genoeg van hem. Ik wil me confronteren met de echte vraag.’ Ik wierp tegen: ‘Maar slimme mensen confronteren zich niet met de echte vraag.’ Hij drukte de sigaret in de asbak en zei geïrriteerd dat ik genoeg had geluld en dat ik dat ding gewoon mee moest nemen. Hij wilde geen tijd meer besteden aan mij en wilde zo veel mogelijk nadenken over de vragen die er echt toe deden.
De regendruppels vielen op mijn gezicht toen ik de wasmachine met de hulp van een voorbijgangster naar binnen droeg. De voorbijgangster vroeg waarom de oude wasmachine een plek kreeg in het Migrantenmuseum. ‘Omdat zonder de wasmachine noch het Migrantenmuseum noch iets anders mogelijk was’, antwoordde ik. De voorbijgangster vroeg door, zij wilde weten waarom. Zij had tenslotte het ding naar binnen helpen dragen en had om deze reden recht op antwoord.
‘De vragen die op de kleren van de migranten gingen zitten, waste deze wasmachine er uit. De migranten vroegen zich uiteindelijk altijd af wat de reden van het leven was. Waarom ze het uiteindelijk deden. Waarom was het nodig dat de wereld, de mensen en het leven waren geschapen? Waarom was het nodig dat ze kinderen hadden gemaakt en om die kinderen te voeden in een vreemd land gingen werken? Zouden zij niet doodgaan, zouden die kinderen uiteindelijk ook niet doodgaan? En voordat ze onder deze vragen konden lijden, werden de kleren in deze wasmachine gegooid. Het was deze wasmachine die de vragen wegwaste.’
De regenval werd zwaarder, de mensen op straat begonnen harder te lopen, in kleine, gezellige huizen dronken kinderen warme chocomel, mooie vrouwen trokken hun rokken uit voor hun mannen, de mannen kusten de lippen van hun vrouwen… Ook ik besloot om voortaan slim te zijn, dat soort vragen niet meer te stellen en gebruik te maken van de wasmachine die in mijn eigen museum stond.
Ik deed de stekker van de wasmachine in het stopcontact en zette het ding aan. De oude machine begon enorm te trillen en een ongelooflijke herrie te produceren. Het getril bracht mij en de voorbijgangster op het idee om het daar ter plekke te doen met elkaar. Ik ging op de wasmachine zitten, de voorbijgangster nam plaats op mijn schoot en het samen trillen ving aan.
Zij schreeuwde van genot, ik schreeuwde terug dat de naam van de beunhaas Tamer was, toen schreeuwde ze dat, mocht ze zwanger raken, ik voor het kind diende te zorgen, ik knikte met mijn hoofd en riep: ‘Ik leg me neer bij alles. Geen vragen meer, geen zelfmoord. Ik ga mijn kleren heel vaak in deze wasmachine gooien.’