In gesprek met Nederlands militaire top

‘De wasmachine is gaan roesten’

Na decennia van bezuinigingen krijgt defensie weer extra geld. De krijgsmachtcommandanten zijn positief, maar benadrukken dat de besparingen flinke sporen hebben achtergelaten. De Groene sprak met hen en met minister Bijleveld.

Nederlandse commando’s tijdens een patrouille bij de stad Bakal, Mali, 2014 © Evert-Jan Daniels / ANP

‘Yeeeees, minister?’ galmt het op een kille maandagmorgen door de Haagse Frederikkazerne. De zojuist aangetreden minister Ank Bijleveld (cda) laat aan de bijeengeroepen legertop een fragment zien geïnspireerd op de bekende Britse comedyserie. Het centrale thema in deze serie is de strijd tussen de ietwat goedgelovige minister die denkt het voor het zeggen te hebben, en zijn langer meedraaiende ambtelijke top die feitelijk de touwtjes in handen heeft. Het fragment is overduidelijk niet bedoeld als handleiding voor haar ambtstermijn, maar breekt direct het ijs.

In de weken voor deze bijeenkomst is Bijleveld langs geweest op diverse kazernes in het land om ‘van hoog tot laag’ te spreken met militairen. Met het aantreden van het kabinet-Rutte III kwam er anderhalf miljard extra euro vrij voor defensie, maar de vraag was hoe dit precies te besteden. Wat heeft defensie nodig? Waar liggen de prioriteiten? Bijleveld besloot – gewapend met post-its, flipovers en de aantekeningen vanaf de werkvloer – zich op te laten sluiten ‘in een snelkookpan’ met alle legercommandanten. ‘Overigens in een gebouw waar geen verwarming was’, zegt de commandant der strijdkrachten Rob Bauer.

De Groene Amsterdammer sprak uitgebreid met de politieke en militaire top over de toekomst van de Nederlandse krijgsmacht. Van degene die gaat over de wenselijkheid van militaire inzet (de minister), de haalbaarheid hiervan (de commandant der strijdkrachten) tot de uitvoering (de commandanten van de landmacht, luchtmacht en marine). Gesproken werd over de bezuinigingen, de wisselwerking tussen militaire en politieke top, het vermeende strategische tekort, maar bovenal: de mensen en de middelen.

De uitkomst van de tweedaagse ‘snelkookpansessie’ is te lezen in een korte, twintig pagina’s tellende Defensienota, die volgens het vakblad De Militaire Spectator ‘weinig meer om het lijf heeft dan een folder die je uitdeelt op het stationsplein’. Er zou diepgang, analyse en vooral visie ontbreken. Vooral dit laatste is een veel gehoorde klacht vanuit de krijgsstudies: Nederland doet niet aan strategisch denken. Want met wat voor een opdracht werden Nederlandse militairen eigenlijk naar Afghanistan gestuurd? De stip op de horizon stuiterde alle kanten op. Eerst ging het om het vernietigen van al-Qaeda, toen om het verdrijven van de Taliban, daarna om het steunen van de democratisch gekozen regering en later om het opbouwen van de Afghaanse staat in zijn nieuwe vorm. Militairen spraken zich de afgelopen jaren bij herhaling kritisch uit over het gebrek aan strategie. ‘Strategie is net als spruitjes’, zei voormalig commandant Richard van Harskamp van Taskforce Uruzgan tegen bnnvara. ‘We weten dat spruitjes gezond zijn, maar we vinden het niet lekker. En als we het kunnen vermijden, dan doen we dat. Het uitspreken van zo’n strategie betekent ook dat je je daaraan committeert. En daar gaat het nog wel eens mis.’

De Nederlandse regering bleek inderdaad moeite te hebben om militairen een heldere werkinstructie te geven in Afghanistan. Zo mocht er niet worden samengewerkt met lokale milities, maar werd in 2007 tijdens de slag bij Chora door Nederlandse troepen samengewerkt met milities om de stad uit handen van de Taliban te houden. Hoewel de Nederlandse regering in een Kamerbrief van september dat jaar ontkende dat er sprake zou zijn van een ‘structurele samenwerking’ werd de militieleider Rozi Kahn vervolgens wel districtschef van Chora. De Haagse en Afghaanse werkelijkheden kruisten alleen elkaars paden indien dat politiek opportuun was.

Volgens wetenschappers is deze clash tussen uitvoerders (militairen) en opdrachtgevers (politiek) geen simpele kwestie van insubordinatie en onbeleefde botte militairen, maar juist een onvermijdelijke consequentie van het zonder heldere missie op pad sturen van militairen. Zonder een duidelijk strategisch doel en bijbehorende militaire uitrusting stokt het in de uitvoering. Nederland zou lijden aan ‘strategisch analfabetisme’, zo luidde de diagnose van Isabelle Duyvesteyn, hoogleraar internationale studies: ‘De relatie tussen de te bereiken doelen en de daarvoor beschikbare middelen is geheel uit balans geslagen’, constateerde ze in haar oratie van 2013.

Toch wordt de Defensienota, de ‘folder’, binnen de militaire en politieke top eensgezind gezien als een harde en ook strategische keuze voor de toekomst. ‘We hebben gekeken waar Nederland iets kan toevoegen en hebben gekozen om ons te specialiseren in inlichtingen’, zegt Bijleveld. Zo is het nieuwe gevechtsvliegtuig, de F-35, aangeschaft omdat het niet alleen bombardeert maar ook een vliegende datastofzuiger is. Momenteel kijkt de marine naar het vernieuwen van de onderzeeboten, die eveneens worden gebruikt om inlichtingen te verzamelen van onder meer drugs- en mensensmokkelroutes. Veelgevraagde special forces voeren verkenningen uit en kunnen de inlichtingen verkregen uit data (signal intelligence) combineren met inlichtingen verkregen in het veld (human intelligence). Tot slot zijn alle onderdelen bezig met de mogelijkheden van robotica, artificial intelligence en big data. ‘Informatiegestuurd werken’ wordt volgens alle commandanten de toekomst.

Opvallend in alle gesprekken is het pragmatisme: internationale partners vragen, Nederland draait. Omdat Nederland vaak om dezelfde dingen wordt gevraagd (namelijk inlichtingen en special forces) is zich hierin specialiseren een logische vervolgstap. Is dit oer-Hollandse nuchtere pragmatisme een strategie of juist een teken van de afwezigheid ervan? ‘Tijdens de Navo-top van 2010 in Lissabon leek alles nog pais en vree met de Russen. Er was een periode van stabilisatie en in 2011 gingen de tanks weg want die hadden we toch niet meer nodig, dacht men’, zegt luitenant-generaal Leo Beulen, commandant van de landmacht over de ommezwaai. ‘Toen kwam de Krim en in 2014 zag de wereld er weer heel anders uit. Je zag in de discussie dat men 180 graden draaide: we moesten weer zwaar inzetten. Gelukkig hebben we toen gezegd: we gaan het in de toekomst allebei nodig blijven hebben. Zowel het lichte spul als het zware.’

Specialiseren in een capaciteit, in dit geval inlichtingen, zonder jezelf te committeren aan een ‘boodschappenlijstje’ van middelen. De middelen (of de combinaties ervan) die nodig zijn om inlichtingen te verzamelen zijn immers niet vastgelegd, omdat de omstandigheden continu veranderen, constateert ook admiraal Rob Kramer, commandant van de marine: ‘Er is veel minder onderscheid tussen de domeinen (lucht, land, (onder)zee, ruimte en cyber – dk), daarom zijn die krijgsmachtonderdelen ook veel meer gedwongen intensief samen te werken. En of dat nou is met de luchtmacht boven zee voor luchtverdediging vanaf een fregat om grondtroepen te beschermen, of met de mariniers op de grens van lucht en land: het is allemaal veranderd. De oude tijd van aparte sectoren, dat is verleden tijd en dat besef is sterk aanwezig bij de verschillende commandanten.’

Er is dus wel degelijk strategische gedachtevorming binnen de krijgsmacht, stellen de commandanten eensgezind, maar met termen als ‘staatsmanschap’ en ‘visie’ kan men niet zo veel. ‘Het is ook maar net wat je onder een visie verstaat’, stelt Dennis Luyt, commandant van de luchtmacht: ‘Een dik pak papier met grote woorden en verhalen, of kort en krachtig waar Nederland naartoe wil met defensie? Ik heb de voorkeur voor het laatste en heb helemaal geen behoefte aan een dichtgetimmerde visie. Je moet ook creativiteit in het systeem behouden en ruimte geven aan ideeën.’

‘Strategie is net als spruitjes. We weten dat ze gezond zijn, maar vinden ze niet lekker’

De commandanten van de diverse krijgsmachtonderdelen hebben de afgelopen jaren hard moeten knokken voor hun eigen beleidsvrijheid. Gedwongen door bezuinigingen moest defensie reorganiseren. De organisatie moest grootschaliger, efficiënter en centraler. Want, zo luidt de mantra, schaalvergroting leidt tot schaalvoordelen en dus kostenbesparing. Kostenefficiency was decennialang het adagium en dat is ten koste gegaan van de effectiviteit van de krijgsmacht, constateert de militaire top.

Zo kregen bijvoorbeeld landmacht, luchtmacht en marine een numerus fixus mee vanuit Den Haag voor alle rangen, en op basis daarvan kregen ze geld. ‘Dat is een keurslijf waar ik als commandant niks mee kan’, zegt commandant Kramer van de marine: ‘In Den Haag vanachter een bureau moet men zich niet bemoeien met wie ik hier inhuur om mijn schepen in stand te houden, dat is mijn verantwoordelijkheid. Geef mij de middelen en de ruimte, dan ben ik verantwoordelijk en mag je mij ook afrekenen als het misgaat.’

Het is een van de belangrijke wijzigingen in de krijgsmacht die commandant der strijdkrachten Bauer heeft doorgevoerd: ‘Ik zag twee verschillende culturen die keihard botsten. We sturen mensen op missie naar Oeboedoeboe en vier maanden later staat er een kamp met afvalverwerking dat voldoet aan Europese normen, douches, toiletten, noem maar op. Op missie worden onze mensen op pad gestuurd met: regel het. Terug in Nederland vragen we dan ineens van deze mensen dat ze voor elk wissewasje via “de lijn” werken met allerlei stempels en handtekeningen.’

Nu is het credo flexibiliteit. ‘Stel je voor’, illustreert Beulen, commandant van de landmacht. ‘Iemand van 140 kilo en 1,60 meter verschijnt voor mijn aannamecommissie. Die nemen we volgens het boekje niet aan. Maar wat als dat nou een van de vijf beste hackers van Nederland is? Precies. We moeten bedenken: wat moet iemand kunnen? Dan interesseert mij die 140 kilo niet meer.’ Nu niet langer elk dubbeltje moet worden omgedraaid, kunnen commandanten zich ook veroorloven weer aandacht te hebben voor het effectief zijn.

Effectief betekent dus allereerst de juiste mensen werven en vooral aan je binden. Dat laatste is momenteel de grootste uitdaging. Er bestaat een recordhoeveelheid aan vacatures. Vooral op het niveau van onderofficier: deze groep beslaat bijna de helft van alle vertrekkende militairen. Precies de leeftijdscategorie van jonge gezinnen met werkende partners die niet langer automatisch ‘de man des huizes’ achterna reizen.

In economisch voorspoedige tijden kan deze categorie in de burgermaatschappij niet alleen meer verdienen voor minder uren, maar ook nog eens dichter bij huis en op (gezins)vriendelijkere tijden. Het heeft zijn weerslag op de krijgsmacht: opleidingen en eenheden worden tijdelijk stilgelegd bij alle onderdelen.

Concurreren met loon gaat sowieso niet lukken, weerklinkt het eensgezind. ‘Mensen komen niet bij defensie om achter een bureau te zitten’, illustreert Kramer, maar ze kregen wel te maken met een lage werkdruk door bezuinigingen. Trainingen en oefeningen werden afgeblazen door tekorten en een tijdlang werden er nog weinig ‘spannende dingen’ gedaan. Doordat de commandanten meer ruimte hebben gekregen om zelf hun personeelsbeleid te voeren, wordt er druk geschoven met potjes. De marine regelt dat commandanten van de schepen meebepalen in welke havensteden ze kunnen aanmeren: Havana, Londen, New York. ‘Dat zijn toch havensteden die aanspreken. Join the navy, see the world’, aldus Kramer. Commandant Beulen van de landmacht vindt het belangrijk dat nieuwe instromers zo snel mogelijk aan de bak kunnen: ‘Mensen staan direct op appèl en dit zorgt voor meer eenheidsgevoel en motivatie.’

‘Chooooohhhwwwwbbww.’ Het langzaam verdwijnende geluid van een formatie F-16’s boven het Noorse winderige fjord wordt met een lijzige stem uit de speakers voorzien van gortdroge context. ‘Dit zijn F-16’s. Enkele lidstaten hebben ook vijfde genera…’ Niemand is geïnteresseerd in de googelbare specificaties, de buitenlandse pers kijkt vanaf de tribune naar een capability demo. Militairen noemen dergelijke demonstraties ‘dog and pony shows’, voor buitenstaanders is het een SeaWorld op steroïden. De Nederlandse luchtmacht zet met een Cougar-helikopter een raiding section van het Korps Mariniers aan land. De mariniers glijden fast ropend, langs een touw, naar beneden. Tientallen kilometers verderop krijgen infanteristen een koudweertraining inclusief wakduiken voor hun kiezen.

De Navo-oefening, Trident Juncture, wordt veelvuldig genoemd in de gesprekken. Want werken bij defensie moet weer spannend en leuk worden, melden de topmilitairen eensgezind. Daarom ook stuurde commandant Kramer van de marine op Twitter kerstwensen vanachter de piano en hij laat zien hoe hij taarten laat aanbranden en de hulp moet inroepen van korporaal Anna Yilmaz, de winnares van Heel Holland bakt. Onder commandant Luyt werd de komst van de F-35 gevierd met oranje cowboyhoeden (waarvan er een op zijn vensterbank prijkt) en zette een optreden van Sunnery James & Ryan Marciano een Texaanse hangar op z'n kop.

De modernisering is echter geen pr-stunt. Zelfs het honderd jaar oude loongebouw gebaseerd op rangen en dienstjaren dreigt op de schop te gaan. ‘Ik wil graag meer loon naar kwalificaties kunnen geven, dus mensen met maatwerk belonen’, zegt Luyt. Daarnaast kent defensie een verplichte roulatie van functies, wat volgens Beulen lastig kan zijn: ‘Als ik iemand heb die heel goed is in het ontsmetten van chirurgisch materiaal in het hospitaal, en blij is met zijn werk, laat diegene dat dan lekker doen. In het huidige rotatiesysteem raak ik iemand kwijt die goed is en plezier heeft in zijn werk en ik moet een nieuw iemand erop zetten waarbij het maar afwachten is hoe dat gaat.’ Tegelijkertijd kan ook de beloning rianter: ‘Je houdt mensen niet vast als je voor een heel weekend werken maar één dag terug krijgt, geen extra salaris maar een minimale toelage. Je kunt je kop wel in het zand steken, maar als ik straks geen mensen meer heb om te varen of te vliegen hebben we allemaal een serieus probleem. Dat mag wat mij betreft dus wel rechtvaardiger’, stelt admiraal Kramer.

‘Je houdt mensen niet vast als je voor een heel weekend werken maar één dag terug krijgt’

De commandanten zijn voorzichtig positief over het extra geld voor de krijgsmacht, maar benadrukken de flinke sporen die de decennia van bezuinigingen hebben achtergelaten. De wereld veranderde, maar de krijgsmacht veranderde niet mee, concludeerde ook marineofficier en historicus Roy de Ruiter begin dit jaar in zijn proefschrift over het defensiebeleid na de val van de Muur. De dienstplicht werd opgeschort en er brak een periode van continue bezuinigingen aan. Er kon immers geld bespaard worden omdat er geen dienstplichtigen meer op de Noord-Duitse laagvlakten hoefden te liggen, die zich voorbereidden op een mogelijke clash met het Rode Gevaar.

De opbrengsten brandden in de zakken van politiek Den Haag. Minister Jan Pronk van Ontwikkelingssamenwerking pleitte er in 1990 voor om dit zogeheten ‘vredesdividend’ te gebruiken om schulden in ontwikkelingslanden kwijt te schelden. De Verenigde Naties pleitten in 1992 voor een internationale top om na te denken over wat te doen met het vredesdividend en hoe dit te besteden. De internationale gemeenschap zou milieuproblematiek kunnen aanpakken, armoede tegengaan en bevolkingsgroei kunnen remmen. Tegelijkertijd deden diezelfde VN in toenemende mate een beroep op westerse landen voor humanitaire operaties: van ‘safe havens’ voor de Koerdische bevolking in Noord-Irak (1991) tot het bieden van humanitaire hulp aan de hongerende bevolking in Somalië (1992). Nederland constateerde dan ook in de Prioriteitennota van 1993 dat defensie het met minder geld zou moeten doen, maar wel vaker zou worden ingezet voor vredesoperaties en crisisbeheersing.

Met deze nieuwe realiteit kwam er geen nieuwe krijgsmacht. Integendeel. De bezuinigingen werden bereikt door van alles een beetje af te halen. Op deze wijze bleef zo veel mogelijk van het ‘oude’ intact en hoefden er geen knopen te worden doorgehakt. Het resultaat van deze kaasschaafmethode: de structuur van de organisatie bepaalde het beleid, niet de dreiging of de internationale veiligheidssituatie. ‘Het is historisch verklaarbaar, maar dit is eigenlijk een blauwdruk van hoe je het niet moet doen’, constateert admiraal Rob Kramer.

Waar in 1989 nog 7,23 procent van de totale rijksbegroting was gereserveerd voor defensie was dit in 2018 krap 2,9 procent. Drie jaar geleden moest toenmalig minister van Defensie Jeanine Hennis toegeven dat de krijgsmacht niet langer ‘voldoet’ aan de meest belangrijke grondwettelijke taak: het verdedigen van het eigen grondgebied. ‘Er is veel te veel bezuinigd’, stelt de huidige minister van Defensie Ank Bijleveld. ‘Het idee dat er zoiets is als een vredesdividend klinkt in deze tijd vreemd in de oren. Net als het spreken van “ambities voor de krijgsmacht”. Er is sprake van noodzaak. De taken zijn nota bene grondwettelijk vastgelegd, dus het gaat hier niet om een ambitie die je naar beneden kunt bijstellen. Die basis, daar moet in worden voorzien.’

Nieuwe cadetten op training in de bossen, 2017 © Joyce van Belkom / HH

Wat merkt de nietsvermoedende militair op de werkvloer eigenlijk van alle goede voornemens? ‘Er zijn nieuwe gevechtstenues nodig’, zegt Bauer: ‘Pas als iedereen er een heeft krijg ik er een. Het gaat in totaal om bijna tweehonderdduizend nieuwe pakken, die heb ik niet morgen in huis. Toch hebben we een kortlopende order geplaatst voor 7500 stuks, zodat de mensen die op missie gaan een goed pak op hun donder hebben. Dus als ik dan op werkbezoek krijg te horen: “Wij hebben ze nog niet”, begrijpen ze het wel meteen als ik uitleg dat mensen op missie voorrang hebben.’ ‘Het is een kwestie van zoveel mogelijk met mensen praten en laten zien welke keuzes je maakt en waarom’, vult minister Bijleveld aan.

Desondanks is defensie als organisatie recentelijk meermaals negatief in het nieuws gekomen, niet in de laatste plaats dankzij een reeks kritische rapporten van onder meer de Algemene Rekenkamer en de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Ook deed de commissie-Giebels onderzoek naar de staat van de sociale veiligheid binnen defensie en kwam met stevige conclusies. Admiraal Kramer van de marine ziet deze berichtgeving als onvermijdelijk: ‘We hebben bijna 25 jaar de wasmachine linksom laten draaien en steeds langzamer. Dat ding is gaan roesten en tot stilstand gekomen. Nu proberen we met water en waspoeder op volle toeren te komen, dus moet je regelmatig spoelen. We maken wel vaart, maar mensen verwachten meteen een schone was. Maar geduld is ook hier een schone zaak, daar moet gewoon wat tijd overheen.’

‘Natuurlijk zijn nare incidenten niet te voorkomen in een organisatie van bijna zestigduizend mensen’, zegt Beulen. ‘Wat je wel in de hand hebt is hoe je er vervolgens mee omgaat. Dat is zo belangrijk. We willen hier ook transparant in zijn. Want laten we wel wezen: niets blijft geheim in deze tijd, dat kun je vergeten. Dus dan kun je er beter zelf mee komen, laten zien wat er misgaat en wat je eraan gaat doen.’

‘Als we negatief in het nieuws komen is dat niet altijd exemplarisch’, meent de minister. ‘Soms zijn het oude dingen die weer opgelicht worden. We kunnen het niet negeren, maar het is wel noodzakelijk hier rustig onder te blijven. Het is nou eenmaal de werkelijkheid waarin we zitten.’

Als voorbeeld noemt commandant der strijdkrachten Bauer het kritische rapport van de Algemene Rekenkamer over de missie in Mali. ‘Dat ging over precies dezelfde periode die een half jaar eerder was onderzocht door de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Het leek hierdoor alsof er weer opnieuw ellende was bij defensie, maar het ging over dezelfde periode.’ ‘Dan zie je dat er allemaal dingen bij elkaar worden geveegd om een bepaald beeld op te werpen’, constateert Luyt.

‘Ik was erg onder de indruk van de Afghaanse vrouwelijke militairen die ik heb gesproken’

Alle commandanten zien in toenemende mate dat personeelsconflicten worden gejuridiseerd en door media minnende raadsmannen naar buiten worden gebracht. ‘Echt typisch voor deze tijd. Als je kind een te lage Cito-score heeft, zijn ouders tegenwoordig ook bereid tot een gang naar de rechter. Of als een bepaald contract wordt gegund aan een andere marktpartij, ook dan kun je tegenwoordig de juridische afdeling aan het werk zetten’, zegt Beulen.

Na 25 jaar bezuinigen ligt de focus binnen de krijgsmacht vooral op herstel en het kunnen vervullen van de grondwettelijke taken. Buitenlandse missies worden echter nadrukkelijk niet uitgesloten in de nieuwe visie, ook al is onduidelijk of onze bijdragen wat hebben opgeleverd. Wat hebben we bijvoorbeeld in Afghanistan toegevoegd?

Minister Bijleveld verwijst in haar antwoord naar de speech van de Duitse bondskanselier Angela Merkel, die op de Münchener Veiligheidsconferentie waarschuwde voor een vroegtijdig Amerikaans vertrek uit Afghanistan, omdat anders de internationale structuren uiteen zouden kunnen vallen. ‘Er zijn ook wel verbeteringen in Afghanistan, er zijn verkiezingen geweest en er gaan veel meer kinderen naar school’, stelt Bijleveld. ‘Ik was erg onder de indruk van de Afghaanse vrouwelijke militairen die ik heb gesproken, die willen hun kinderen een toekomst geven. Daarvoor is veiligheid een randvoorwaarde, dat bieden wij.’

Dat is echter de vraag. Zo bleek uit datajournalistiek onderzoek van de bbc dat de Taliban begin 2018 in zeventig procent van de Afghaanse districten actief waren, en vrouwenrechten zijn na zeventien jaar militaire aanwezigheid niet significant verbeterd. Hoewel normaal gesproken het percentage onder mannen steevast hoger ligt, wordt in Afghanistan tachtig procent van alle zelfmoorden gepleegd door vrouwen. Daarnaast laat veertig jaar onafgebroken oorlog psychische sporen na: ruim een miljoen Afghanen kampen met depressie.

Ondertussen hebben de Amerikaanse en Navo-troepen beperkt succes gehad in het adequaat opleiden en trainen van een nieuw Afghaans leger en nieuwe politie. Hoewel er momenteel ongeveer 170.000 Afghaanse soldaten zijn, wordt bijna zeventig procent van de offensieve operaties uitgevoerd door een groep van zeventienduizend door de Amerikanen getrainde elitetroepen, omdat het leger simpelweg niet competent genoeg wordt geacht om deze operaties uit te voeren.

‘Voor Nederland is de vraag: wat gaan we leveren? We kunnen niet een heel land redden, maar als er politiek gezien reden is om aan te nemen dat een internationale coalitie verschil kan maken en Nederland hierin een bijdrage kan leveren, dan doen we dat’, aldus minister Bijleveld. Dan nog kan zelfs een coalitie van Navo-landen niet de toekomst van bijvoorbeeld Afghanistan op de schouders nemen: ‘Dat moeten ze daar zelf doen, dat is uiteindelijk niet onze verantwoordelijkheid’, constateert ook Bauer.

Of de missie in Afghanistan kan worden gezien als een succes lijkt eerder politiek van aard: objectief is immers niet vast te stellen of de Afghanen er beter of slechter op zijn geworden. Het leveren van een Navo-bijdrage wordt ook vaak gezien als strategisch doel. In het verleden was dit niet anders. Zo is Nederland meermaals een militaire verplichting aangegaan met de hoop op een VN-zetel of een uitnodiging voor de G20 – het principe dat militairen gekscherend ‘het Nederlands leger als Olympische gedachte’ noemen, waarbij ‘meedoen belangrijker is dan winnen’.

Bij vragen over strategisch nut en noodzaak van een Nederlandse missie in Mali wees het ministerie van Buitenlandse Zaken op een ‘gordel van instabiliteit om Europa heen’ die te lijf moest worden gegaan. De strategische vraag is dan hoe buigbaar de gordel is: zo nam Nederland deel aan de anti-IS-coalitie, en hoewel Islamitische Staat zich niet hield aan natiestaatgrenzen bombardeerden we tot 2016 alleen in Irak. Wat politiek wenselijk is en operationeel effectief, schuurt. Volgens de politieke en militaire top van Nederland is dat schuren inherent aan het hebben van een defensieapparaat en niet het gevolg van een gebrek aan strategie.

‘Als het gaat om de missie in Mali is het aan de politicus om in normaal Nederlands uit te leggen waarom dit een nuttige operatie was’, zegt commandant Beulen. ‘Dat moet je niet alleen aan militairen vragen. De krijgsmacht moet in staat worden gesteld om te doen wat ze moeten doen.’ En wat is dat in normaal Nederlands? Vergezichten, visies, staatsmanschap: voor de politicus en de militair lijken deze vooral een academische discussie. In de praktijk is de uiteindelijke ‘strategie’ de optelsom van wat de Navo als coalitie besluit, waar Nederland in zijn Defensie Doctrine heeft verankerd dat het ten dienste zijn van deze coalitie de eerste hoofdtaak is.

Want mocht de storm losbarsten, dan wil Nederland verzekerd zijn van een schuilplek onder de Navo-paraplu. Die verzekering garanderen is – zo blijkt uit de gesprekken – onze strategie. Hiermee blijkt de Navo alsnog een middel en geen doel op zich.


Deze week verschijnt van Dieuwertje Kuijpers het boek Anders is al dit werk voor niets geweest: Hoe politici omgaan met militaire verliezen (Volt)