De waterman verdrinkt niet arthur van schendel

Arthur van Schendel, De waterman en Het fregatschip Johanna Maria
‘EN DE HAND liet los.’ Na het voorlezen van deze zin, één van de laatste uit De waterman, liet mijn vader altijd een stilte vallen in het klaslokaal. Het dramatisch hoogtepunt van de roman was bereikt met deze ogenschijnlijk zo ondramatische zin.

De hand is van schipper Rossaert, bijgenaamd de waterman, en met die hand houdt hij zich vast aan het boord van zijn tjalk, die over de Merwede glijdt, in winternacht. Hij is in het water gesprongen om zijn hond eruit te halen, heeft het dier op het dek geworpen, en hangt nu zelf aan het schip, nadat hij enkele vergeefse pogingen heeft gedaan om erop te klimmen. Hij heeft een lang en hard leven achter de rug, niemand meer om voor te bestaan. Het water doet hem goed, de moeheid gaat uit zijn benen - en dan komt dat zinnetje. ‘En de hand liet los.’ Na de stilte, waarin het vreselijke gebeurde en de ontroering zwellen kon, las hij dan de befaamde 'onaangedane’ slotalinea. 'De schuit ging langzaam voort op de donkere rivier met de hond die blafte. De volgende dag werd hij ergens in het riet gevonden, oud en besneeuwd, en dat was die schuit van die man die lang op de Merwede had gevaren.’ Ik heb het mijn vader helaas nooit horen voorlezen. Hij deed het ook alleen voor de meisjes van de m.m.s.-klassen, bij wie hij op een zekere adoratie kon rekenen, vanwege zijn slanke gestalte, zijn pianospel, zijn ribjasje en zijn onhandigheid. Met meisjes kon hij zijn liefde voor Arthur van Schendel waarschijnlik beter delen dan met de ruwe bonken van de h.b.s. of de kritische geesten van het gymnasium. Voor mijn vader was Van Schendel lange tijd dè romanschrijver, zoals voor velen van zijn generatie, en hij spreekt die naam nog altijd met eerbied uit en ook zó dat je er 'het mooie’ in kunt horen dat literatuur naar vroeger opvatting kennelijk aankleeft.
Het tijdperk-Van Schendel eindigde in 1945. Daarna was Vestdijk, agnost en freudiaan, dè romanschrijver in ons land, en inderdaad, de sadomasochistische overpeinzingen uit Meneer Visser’s Hellevaart had een Van Schendel niet kunnen schrijven.
IK LAS Van Schendel pas toen ik midden dertig was, eindelijk een beetje nieuwsgierig naar de literaire smaak van mijn vader. Na het uitlezen van De waterman zat ik met een brok in de keel en 'met vochtige ogen’ - zoals de schrijver zou zeggen - de kamer in te staren, echt ontroerd dus door het slot van de roman. Maar weldra ontstond er verzet. Zo wordt er niet gestorven, dacht ik, zo gaat dat niet, zo gedwee, zo willig, zo vol overgave. Je hond redden en zelf verdrinken, zonder een kreet, zonder angst, alleen maar een hand die loslaat, nee, zo gaat dat niet. Het sterven is niet iets moois, een idylle haast, de verstikkende weemoed van een hand die loslaat en een schuit met blaffende hond die verdwijnt in de nacht. De realist in mij kwam in opstand tegen zo'n romantische verbeelding van een verdrinkingsdood.
MIJN EERSTE indruk van Van Schendel was een indruk van zijn stijl. Ik bespeurde daarin een soort vaagheid. Het is heel opvallend in zijn vroege werk, en na 1930, als zijn beste periode begint, wordt het minder, maar het blijft karakteristiek: een vervaging van tijd en ruimte, van het uiterlijk der dingen. Dematerialisatie, noemde Vestdijk het, en het sprong hem kennelijk ook zo in het oog dat hij er zijn essay over de schrijver mee begon. 'Dematerialisatie, tot dit begrip zou men de kenmerken van Van Schendels kunst van zijn vroegste werk tot heden, kunnen terugbrengen. Want zonder ooit de werkelijkheid te ontvluchten, verhoudt Van Schendel zich uitgesproken anti-naturalistisch tot haar… Van Schendel is (…) de hèrschepper ener werkelijkheid die, in de smeltkroes zijner romanciersverbeelding, ontdaan wordt van haar harde kanten…’ Vervaging en stilering noemt Vestdijk vervolgens de methoden die deze schrijver gebruikt om zijn werkelijkheid te creëren. Het is een, ondanks Van Schendels psychologisch inzicht en grondige feitenkennis, geïdealiseerde werkelijkheid. Het is een werkelijkheid waarin nog een 'geborgenheid’ bestaat: de waterman verdrinkt niet, hij geeft zich over aan de Almachtige. Na 1945 verdwijnt die 'geborgenheid’ uit de literatuur - om nog geruime tijd voort te bestaan in de streekroman en het jongensboek.
Het vervagende in de stijl van Van Schendel viel me zo op omdat het me wezensvreemd is. Monet, de schilder van de waterlelies, is ook zo'n vervager van de werkelijkheid (zij het om heel andere reden: zijn ogen waren niet al te best). In het Haags Gemeentemuseum zag ik de collectie moderne klassieken uit Moskou en gulzig liep ik van Cézanne naar Gauguin naar Matissse; de enige die me opvallend niet interesseerde was Monet. Een groot schilder toch, Monet. Maar zijn vervaging van vormen, het kleurig waas dat hij op het doek legt trekt me niet, het heeft te weinig substantie. Hetzelfde geldt voor de romantisch-fantastische vertellingen van Van Schendel, de zoetheid, de reine schoonheid en dromerij van Een zwerver verliefd, Der liefde bloesems en Angiolino en de lente. Flauberts scherpe, hardgerande dagboeknotities in Reis door de Oriënt uit 1850 staan dichter bij me dan deze literaire dromen uit het begin der eeuw, ik zou een hele rééks negentiende-eeuwse schrijvers kunnen noemen die me nader staan dan de neoromanticus Van Schendel, en zelfs een tweeduizend jaar oude dichter als Catullus biedt me meer werkelijkheid dan deze aartsdromer met zijn elektrisch wijd uitstaande haren.
Het is het sentiment, dat vervaagt en vervagen wil. Bij Van Schendel is dat sentiment een mengeling van romantisch verlangen, schoonheidszucht die schoonheid als iets esthetisch ziet, vage religiositeit, een vlucht in een gedroomd verleden, het genoegen van een zoete woordenstroom en een overdaad aan braaf en trouwhartig voelen - precies dus wat de burgerman zich voorstelde bij kunst; iets 'moois’, iets verhevens, iets wat niet bijt. Door de sterke invloed van het sentiment is het grootste deel van Van Schendels oeuvre tijdgebonden en verouderd. Hartstocht veroudert niet, want hij is altijd dezelfde. Een fragment van Sappho komt daarom nog altijd glashelder over. Maar het sentiment, het 'mooie’ gevoel en het gevoel voor 'mooi’, dat veroudert razendsnel.
HET KON OOK anders, in die dagen. Ik doel dan niet op buitenlandse modernisten, of een sombere naturalist als Frans Coenen of een antiromantische romanticus als Nescio, maar op de onvolprezen Maria Dermouêt. Neem het verhaal De haaienvechter dat zij schreef in 1911, op haar drieëntwintigste, op een leeftijd dus dat ze er om zo te zeggen nog recht op had om de wereld door een waas van dromen te zien. Het is het verhaal van een man op enig eiland in de Indonesische archipel, die zijn brood verdient met eens in de zoveel tijd, voor een publiek in bootjes, een haai te bevechten en te doden met zijn mes. Dermouêt laat ons zien hoe hij dat doet. Van Schendel zou beschreven hebben hoe 'mooi’ de haaienvechter het doet, en wij zouden niet meer gezien hebben dan een flauwe oosterse romantiek, een hele werkelijkheid verdronken in de zing-zang van het sentiment. Dermouêt laat het zien, van de manier waarop de haaienvechter leeft en zich voorbereidt op het gevecht tot het moment waarop hij druipend in de prauw wordt gehesen, de zee achter hem vol bloed, schuim en het razend gewoel van roofvissen die de haai aan stukken scheuren. Ik ben ervan overtuigd dat dit verhaal over tweehonderd jaar nog net zo fris zal zijn als het nu is, zoals de brief waarin Plinius de Jongere de uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Christus beschreef, nog altijd fris is en direct tot ons spreekt.
Wat tilt een verhaal boven de tijd uit, wat maakt het onsterfelijk? Is het de begaafdheid van de schrijver? Zeker niet, want er zijn tal van begaafde schrijvers die niet meer worden gelezen. Is het een onderwerp? Evenmin. Het is het vermogen van de schrijver om 'objectief’ te zijn, om te laten zien. Van Schendel stelde veelal het sentiment boven de werkelijkheid en in de meeste van zijn gepolijste vertellingen 'zie’ ik daarom niets.
NIETTEMIN! Met Het Fregatschip Johanna Maria en De waterman schreef hij twee romans die ver boven de Nederlandse middelmaat uitsteken en recht hebben op de aanduiding 'klassiek’. Beide romans zijn strak geschreven, en Van Schendel zit er dicht op de werkelijkheid - naarmate hij objectiever is, is hij een groter schrijver. In Het fregatschip bewonder ik vooral het beeld dat ontstaat van de zeilvaart tussen Nederland en Indië omstreeks 1875. Van Schendel is op de hoogte van alle details van het reilen en zeilen op een fregatschip, hij moet van varensgasten de kneepjes van de zeemanskunst vernomen hebben, en hij heeft een gevoel voor de zee en het schip dat ik in die mate alleen bij Joseph Conrad heb aangetroffen. In De waterman is het eveneens het historisch beeld dat me het meeste boeit, en het is hier, door de omzwervingen van Rossaert, werkelijk panoramisch: het leven in steden en dorpen van het rivierenlandschap aan het begin van de negentiende eeuw, de overstromingen, het verstikkende calvinisme, de Zwijndrechtse Nieuwlichter, een religieus-sociale beweging onder de allerarmsten waartoe Rossaert een tijdlang behoort, de turfvaart vanuit het noorden over de Zuiderzee naar Holland, en toch ook de geschiedenis van de gedoemde Rossaert, in de ban van het water.
In deze romans heeft Van Schendel waarschijnlijk veel geboekstaafd dat wezenlijk is voor de negentiende eeuw in ons land, in een fraaie en deels al verdwenen taal. En dat de waterman niet verdrinkt maar wegzinkt in Gods oneindigheid - ach, daarmee wordt het tijdsbeeld compleet.