Oplossing voor crisis in de kunst

De wedergeboorte van de salon

De kunst is in crisis, zeggen critici. De voorhoede van het kunstpubliek denkt daar anders over. In Amsterdam heeft zij een oplossing gevonden: de kunstenaar als gastheer van ideeën.

AMSTERDAM — Op een voorjaarsavond staan een kleine honderd mensen te wachten voor een zijdeurtje van de Waag. Het is aanstaand publiek. De leeftijd schommelt tussen de twintig en de veertig, men is overwegend blank maar niet per definitie Nederlands. Een aantal Engelsen, Duitsers en andere goed ingeburgerde kunstimmigranten geeft het gezelschap een kosmopolitisch karakter. Ze staan in een hoopje op elkaar. Er wordt flink gebeld en ge-sms’t. Vrienden worden overgehaald of ontmoedigd ook te komen. De avonden van Lost & Found zijn altijd druk bezocht. Er is geen voorverkoop.

Een paar weken later. Een andere samenscholing. Dezelfde etno-sociale samenstelling. Een iets grotere groep nu. De dichte deur is dit keer van Paradiso. Ook hier bezorgdheid over de toegang, want vanavond draait een preview van Adaption, de nieuwste film van Spike Jonze en Charlie Kaufman die ook verantwoordelijk waren voor de mainstream-culthit Being John Malkovich. Het bezoekersaantal van Cinema Digitaal dat gemiddeld rond de 150 man ligt, kan op een avond als deze plotseling stijgen tot de maximum zaalcapaciteit van zeshonderd man.

Weer een week later glimt de Keizersgracht eindelijk van de reeds lang aangekondigde regen. Vier keer per jaar organiseert Montevideo de avond >50% beeld. Een avond waarop nieuwe aanwisten in historisch perspectief worden gepresenteerd. Het is druk vanavond. Er zijn 57 reserveringen en er ontstaat zelfs enige paniek bij de kassa onder bezoekers die niet gereserveerd hebben. Ook hier wordt druk gebeld met vrienden. «Het is vol.» «Er is nog plek.» «Ik ken Bart.»

Peter Mertens, gedurende drie maanden artist-in-residence bij Montevideo, filmt de wachtenden in de entreehal. Plotseling zwenkt zijn camera naar rechts richting drie gekleurde bezoekers. «Hé, negers!» mompelt hij, «die zie je hier niet vaak.»

Ook onder dit publiek veel Britten, Amerikanen en Duitsers, maar de brug naar de gekleurde minderheden lijkt nog niet geslagen.

Ze zijn de door doelgroeponderzoeken niet gemeten minderheid. Een culturele en intellectuele voorhoede die er geen heil in ziet zich aan te sluiten bij een bestaande orde, maar er tezelfdertijd over lijkt te twijfelen wat ze dan wel wil zijn, waar ze dan wel bij wil horen. Er is geen vast program. Van kolder tot kunst: alles is toegestaan. Voor bijna elke uitingsvorm bestaat begrip. Vanaf haar vroegste jeugd overvoerd met een veelheid aan beelden, stijlen en ideeën beschouwt deze generatie de wereld met een blik die je ondergeconditioneerd zou kunnen noemen.

De optimist herkent in deze grenzeloze aandacht voor alles de onbevangen blik. Kijkend, niet oordelend. Opslaan, misschien. Voor later. Omdat men in stilte bezig is met het formuleren van een nieuwe moraal. Wie het heden minder vrolijk inziet herkent in dezelfde salonbezoekers de suf geïnformeerde, een levensweg vol kruispunten bewandelende generatie van principeloze job hoppers.

Er is op deze bijeenkomsten een duidelijk element van verstrooiing en vrolijk entertainment te bespeuren. Een waardevrij denken dat uitingen van verschillend inhoudelijk en intellectueel niveau probleemloos naast elkaar plaatst. De organisatoren van de verschillende avonden beschikken allen over een uitgebreid netwerk van informanten. De werken komen van over de hele wereld. Timing en exclusiviteit zijn belangrijke redenen om iets te vertonen. Het vooruitstrevende of avant-gardistische element van deze avonden bestaat voor een belangrijk deel uit het feit dat hier nieuwe of zeldzame informatie wordt vertoond. Dit kunt u hier zien, en nergens anders. Ook in de kunstwereld woedt de informatieoorlog.

PARADISO — Het verrassingselement speelt een rol. Bij Cinema Digitaal wil men het zien, die bizarre video uit 1976 met een magere, halfnaakte, spastisch dansende kunstenaar. Horen, die twintig minuten durende geluidsopname uit een straat in Abcoude. Tien minuten lang kijken naar een close-up in 35mm van het van muzikale pijn vertrokken gezicht van een cellist.

Een filmvertoning bij Cinema Digitaal is nooit zomaar een filmvertoning. Samensteller Kees Brienen zorgt, samen met zijn redactie, altijd voor een uitvoerig voorprogramma. Kleine producties. Korte films. Filmische experimenten. Er zit een element van educatie in zijn programmering. Tussen de films door spreekt Brienen met de makers van de films. Hij doet dat op een losse, huiselijke manier, maar met verstand van zaken. Er wordt gelachen. Brienen speelt de rol van gastheer met verve. Het publiek is op bezoek. Bij de film en bij Kees. Het maakt de avond anders dan een gemiddelde culturele avond. Op bezoek bij iemand thuis kijk je anders dan in een anonieme zaal. Meer betrokken. Toen gepensioneerd filmrecensent Peter van Bueren eens op een avond als spreker te gast was, gaf hij te kennen nog nimmer zo’n geconcentreerd filmpubliek te hebben gezien. Het is duidelijk dat het om meer dan kijken alleen gaat. Het gaat om het gemeenschappelijk kijken.

DE WAAG — De redactie van de Lost & Found-avonden borduurt voort op een idee dat in de jaren negentig in New York ontstond. Four Walls. Kunstenaars presenteren elkaar hun werk. Bij gebrek aan een ander podium, of om iets uit te proberen, tonen ze het voor een begripvol maar kritisch publiek. De redactie zoekt zelf actief en selecteert uit ingezonden werk. Ze probeert naar eigen zeggen strengheid te vermijden. «De smeltpot van losheid en chaos, hoog en laag is belangrijk. Het gaat om het geheel. We laten dingen zien die nergens anders een plek hebben. Work in progress.»

Dat ze losheid nastreven wil niet zeggen dat ze niet kritisch zijn. Maar als belangrijkste selectiecriterium wordt intuïtie genoemd. Niets is bij voorbaat uitgesloten van selectie. Ze willen met hun programma een drijfveer laten zien. Antwoorden op de vraag: waarom wordt iets gemaakt? Maar de collage van ideeën en gebeurtenissen staat voorop. Geen enkele presentatie mag langer duren dan dertig minuten. Er mag, met andere woorden, niet een idee zijn dat de gehele avond domineert. Er moet altijd iets tegenover staan. Zo toont men foto’s van bezoekers van Paradiso in de jaren tachtig, naast een lezing over hedendaagse moderne Iraakse kunst, en laat Carlos Amorales een video zien van een Mexicaanse heks die een galerie reinigt van kwade geesten.

Op deze avonden vertolkt Jan Rothuizen de rol van gastheer.

«Hoeveel kost zo’n heks per uur?» vraagt hij na afloop van de film aan Amorales. En of het iets geholpen had?

«Nee», zegt de kunstenaar, «het was alleen maar erger geworden. Heel veel bad vibes.»

MONTEVIDEO — Bart Rutten, gastheer van >50% beeld, laat een video zien van de zojuist afgestudeerde Stephanie Hamaide. In een vast shot van ongeveer vijf minuten zien we een geruisloos naar de onscherpte afdalend, vibrerend draadje. En vijf minuten lang turen zeventig mensen begripvol naar het minimale beeld. Die aandacht voor het bijna niet aanwezige stemt niet alleen ironisch, maar maakt ook de humanist in de mens wakker. Waar anders, op welk moment, zie je zeventig mensen aandachtig naar een draadje kijken? Gelukkig is er bier.

«We zijn er nog niet uit of we deze video in de collectie moeten opnemen», zei Rutten bij de aankondiging. Na afloop van de vertoning probeert hij een oordeel van het publiek te krijgen.

«Want de subsidiegevers vinden het heel leuk als we hier een dialoog hebben», zegt hij, en de zaal lacht.

Als hij vraagt wie voor opname van deze film in de collectie is steekt één persoon zijn hand op.

«En wie is er pertinent tegen?»

Weer steekt één persoon zijn hand op.

Het publiek is ook hier ontvankelijk en onuitgesproken. Niet voor. Niet tegen. Men komt om te zien en niet om te oordelen. Een van de bezoeksters van deze avond komt zojuist uit Rotterdam, waar ze een masterclass Collaborative Culture heeft gevolgd bij het Digital Electronic Arts Festival.

Waar ging het over?

«Tsja.»

Was het interessant?

«Ja.»

En wat heb je er van opgestoken?

«Niets.»

Terwijl dit soort groepen zich in zaaltjes verzamelt wordt elders in het land, en sinds de volksopstand van de hete lente van 2002 met meer enthousiasme, de noodklok geluid: het is crisis in de kunst. De kunst verliest de slag. De kunst moet de strijd aangaan met de massamedia. Samenwerken met die media. De straat op. De wijken in. Het contact met de burger herstellen. Het lijkt wel of de kunst een enorme verkiezingsnederlaag heeft geleden en derhalve verwikkeld is geraakt in een proces van heroverweging.

De overeenkomsten tussen de crisis in de kunst en die in de politiek zijn inderdaad opvallend. Waar de politiek in tenenkrommende Soundmix-optredens een gooi naar het grote publiek deed, lijkt ook de kunst zich gedwongen te voelen het «contact met de achterban» te herstellen.

De zoektocht naar «het publiek» heeft de afgelopen jaren tot enkele van de meest schaamtevolle bladzijden uit de kunstgeschiedenis geleid. Voeten wassende, koffie en cake schenkende en bezoekers van tentoonstellingen knuffelende jongens en meisjes die er, gesteund door de ook al in crisis verkerende kritiek, stellig van overtuigd waren dat ze «enorm goed bezig» waren en gewoon kunst maakten. Helaas heeft al dat geboetseer van sociale sculpturen niet tot meer begrip van het publiek, of tot überhaupt een publiek geleid.

Zo werd deze welzijnswerkers-zelfexpressie al snel opgeofferd voor een nieuwe afgod: de nieuwe media. Video en internet zouden de middelen worden waarmee de kunst op volwaardige gronden aan de slag om de kijker zou kunnen deelnemen. Maar waar het internet enkel rendabel bleek waar het de pornografie betrof, vond de kunst enkel publiek op dansfeesten in de vorm van videoprojecties waar niemand speciaal voor was gekomen.

In vele publicaties en artikelen over de vermeende crisis wordt driftig gekritiseerd en naar nieuwe richtingen gezocht, maar de vraag is of de kunst zich na het ultieme theoretische debacle van het postmodernisme nog wel in een bepaalde richting wil laten duwen.

Wanneer men spreekt over een crisis in de kunst bedoelt men eigenlijk altijd: een crisis in de kunsttheorie. Het verhaal achter de kunst. De theoretische verdediging voor haar bestaan. Net als in de politiek bepalen onderwerpen als «plaats in de samenleving» en «het ontbreken van een heldere ideologie» het gesprek. Want omdat er in de kunst momenteel geen dominante theorie is die kan worden aangehangen, bestaat er ook geen heldere antithese van de kunst waartegen men zich wil of kan verzetten. Zoals op de nationale televisiezenders exhibitionistische showprogramma’s, porno, sport en een inzamelingsactie voor hongerend Afrika probleemloos naast elkaar kunnen worden geprogrammeerd, zo lijken er ook in de kunst geen grenzen meer te zijn aan de ontvankelijkheid voor beelden en ideeën. Door het ontbreken van een dominante theorie vloeien hoge en lage kunsten samen tot één waardevrije pap: cult. Van radicaal abstracte kunst tot soapopera’s, het kan allemaal niet echt serieus genomen worden, maar er lijken ook geen overtuigende argumenten meer om het geheel af te wijzen. Voor felle afkeer of oprechte ontroering is op dit weidse podium van totale acceptatie geen ruimte. Alles staat in verhouding tot elkaar en dankzij de optische illusie van de ironie herkent men onvermoede diepzinnigheden in GTST en aanstellerige onzin bij Strindberg. Onze hoofden zitten vol. De directe en indirecte kennis van gebeurtenissen en ideeën is zo overweldigend dat zij geen ruimte meer laat voor strak omlijnde idealen of theorieën. Voor elke theorie is wel een tegenargument voorradig. En toch wil men, bewust of onbewust, houvast. Iets om aan vast te klampen. Een ijkmaat. Een kapstok. Maar die lijkt er in de wereld der ideeën niet te zijn. Iedere kunstenaar is zijn eigen stroming. Iedere kijker stelt zappend zijn eigen kanaal samen.

Hoe nu verder?

Dat bij de hierboven beschreven bijeenkomsten de gastheer zo’n prominente rol speelt, is niet toevallig. Zijn aanwezigheid vervangt de theorie. Sterker nog: de gastheer is de theorie. We kijken naar zijn selectie. Hij sluit uit en laat toe. Soms met redenen. Vaak intuïtief. Zijn keuze legitimeert het uitsluiten van al die andere dingen die met evenveel recht getoond hadden kunnen worden. Het getoonde is nu, in dit gezelschap, op dit moment, de aandacht waard. Maar morgen kan dat weer heel anders liggen.

Het is tegen deze achtergrond dat zich een nieuwe taak voor de kunst openbaart: de kunstenaar als gastheer van ideeën.

Ooit, aan het begin van de menselijke beschaving, diende kunst als instrument voor de herinnering. Beelden legden verhalen en ideeën vast opdat ze niet vergeten zouden worden. In een later stadium van onze mars uit de natuur kwam daar het schrift bij. De boekdrukkunst vervolgens stelde de vooruitgang veilig. In veelvoud gedistribueerd leken alle ideeën en uitvindingen voorgoed gevrijwaard van vergetelheid.

Dat was tot voor kort de situatie.

In de laatste decennia is zich echter een kentering gaan aftekenen. Niet langer is de grootste zorg het vastleggen van de ideeën, maar het beheersen van de informatiestromen. Het rangschikken van data in een nieuw systeem van vooralsnog intuïtieve waarden. De zogenaamde maatschappelijke taak van de kunst in deze tijd is derhalve het ontwikkelen van een omgekeerd conserveringsproces: de kunst van het vergeten. De kunst van het inhoudelijk uitsluiten van informatie. Door zich, desnoods voor een kort moment, te concentreren op schijnbaar niet-wezenlijke details. Door aandacht te vragen voor dat wat niet in het nieuws is of niet onderhevig is aan marktmechanismen en kijkcijfers. De paradox waar veel populisten en critici over struikelen is dat de kunst maatschappelijk relevant is omdat zij, in zelfverkozen ballingschap, maatschappelijk irrelevant is. Buiten de maatschappij staat. Zichzelf los kan denken van hypes en populistische paniek. Een informatievacuüm kan creëren waarbinnen geconcentreerd kan worden gekeken.

Crisis is in de kunst? Haar rol is misschien veranderd, maar voor het overige floreert zij. Er is nog nooit zoveel kunst te zien geweest. Voor zoveel verschillende mensen toegankelijk. De crisis lijkt vooral existent voor hen die deze overvloed in een enkel theoretisch systeem willen onderbrengen.

En daarom is het ten slotte onvermijdelijk om in deze context te spreken over die andere publieke discussie in kunstenland: de keuze van een aantal nieuwe museumdirecteuren. Na het debacle van Fuchs is het duidelijk dat er in deze tijd niet nogmaals behoefte is aan een directeur die gevangen zit in zijn eigen theorie. Maar integendeel aan een gastheer van ideeën die het museum kan omtoveren tot een tempel voor de nutteloosheid. Die ook zaken durft te tonen waarvan de eeuwigheidswaarde twijfelachtig is. Die het museum niet ziet als een theoretisch hoofdkwartier, maar als een toevluchtsoord. Een schuilkelder tegen het informatiebombardement.

Met medewerking van Sabine Niederer

Informatie over komende avonden:

Montevideo: www.montevideo.nl

Lost & Found: www.lost.nl

Cinema Digitaal: Kees@paradiso.nl