De wedloop met het fatsoen

Tennessee Williams
Het glazen meisje
Vertaald door Peter Abelsen, met een inleiding van Nanne Tepper
Contact (Amerikaanse Bibliotheek), 191 blz., € 19,90

Een van de mooiste verhalen in Tennessee Williams’ Collected Stories – op prettig sardonische wijze ingeleid door Gore Vidal – heet The Resemblance between a Violin and a Coffin. Het gaat over «my sister» wier innerlijke huishouding een chaos wordt na familiedruk en hevige emotionele turbulentie. Ze is muzikaal, maar tijdens een recital voor piano en viool kan ze de juiste toetsen niet meer vinden en verliest ze de geestelijke controle over zichzelf. Het verhaal, dat haar voortschrijdende psychische ontreddering volgt, vliegt ook uit de bocht, zoals zovele Williams-vertellingen: «Ik voel me nu wat bezorgd dat dit verhaal zichzelf kwijt lijkt te raken zoals een pad dat een heuvel heeft bestegen en zichzelf dan kwijtraakt in een braambos.»

Des te teleurstellender dat dit typische Williams-proza niet is opgenomen in Het glazen meisje, een nogal zuinige bloemlezing van veertien vertellingen. Want wie het wel opgenomen Portrait of a Girl in Glass vergelijkt met het relaas over de ontspoorde piano speelster, merkt dat Williams in beide verhalen met onbegrensde liefde schrijft over «my sister». In Het glazen meisje (een al te vrije vertaling van Portrait of a Girl in Glass) is het «mijn zusje Laura» – muziekminnende maar wereld vreemde verzamelaarster van glazen figuurtjes waarvan de schittering de «storende beelden van de werkelijkheid deed verbleken» – die volgens de moeder dreigt over te blijven en derhalve aan de man dient te worden gebracht. Daarom nodigt ze een jongeman uit die wellicht een goede partij voor Laura is. Maar zowel de gezellige avond als Laura ontspoort als blijkt dat de jongeman al voorzien is. Het verhaal wordt door de broer, dichter in opleiding maar werkend in ee!
n pakhuis, liefdevol verteld. «Ik geloof niet dat mijn zusje zwakzinnig was. Ik vermoed dat de bloem van haar geest zich uit louter angst gesloten had, en het viel niet te zeggen hoeveel geheime wijsheid er onder de dichtgevouwen blaadjes schuilging.»

De seksueel geladen vrouwen figu ren, zijn gekoesterde Southern belles, in zowel het korte proza als de beroemde toneelstukken van Tennessee Williams, zorgen voor broeierigheid en onverwachte ontknopingen. Blanche DuBois in A Streetcar Named Desire, verleidster van puberjongens, is een hoogtepunt. Haar openingszin in dat toneelstuk verwijst niet zozeer naar het openbaar vervoer in New Orleans maar naar de wisselwerking van eros en thanatos: «Ze zeiden dat ik een tram genaamd Begeerte moest nemen en dan moest overstappen op een die Begrafenissen heette.» Ook Blanche, seksueel misbruikt, stort geestelijk in en komt in een inrichting terecht, waar ze weer afhankelijk wordt van de «vriendelijkheid van vreemden».

In Donald Spoto’s haastig geschreven Williams-biografie The Kindness of Strangers (1985) staat die «vriendelijkheid van vreemden» centraler dan het Grote Autobiografische Feit dat Tennessee Williams’ leven heeft getekend: zijn zus Rose, op haar huid gezeten door een puriteinse moeder en een alcoholische vader (incest?), verbleef na een lobotomie-operatie vlak voor de Tweede Wereldoorlog de rest van haar leven in een inrichting. Nee, laten we Tennessee Williams’ proza en toneel niet terugbrengen tot dat ene pijnlijke levensfeit. Breder lezen levert meer op. In alle aangrijpende verhalen in Het glazen meisje, zonder of met een homoseksuele zweem, liggen seksualiteit en geweld dicht bij elkaar.

De wedloop met het fatsoen is in de wereld van Williams een strijd waarin geen plaats is voor preutsheid en geremdheid. Het glazen meisje opent met «27 karren vol katoen», waarin een vlezige vrouw op haar voorveranda met uitzicht op de oogstende katoenmachines van haar man, hardhandig wordt verleid door een iel, viriel ventje met macht. Kordaatheid en drieste avontuurlijkheid stuwen de verhalen voort. «Waarom doen alsof? Er is iets grondig mis met de mensen. Daarom worden sommige mensen zo woest en klauwen ze in het leven en laten ze het gescheurd en in flarden achter. Omdat ingetogenheid zo vaak faalt.» Williams’ verhalen zijn qua opbouw niet zozeer «warrig», zoals Nanne Tepper het al te losjes in zijn slordige inleiding formuleert, maar volgen nauwgezet het «kneed bare karakter» van de personages «onder de druk van het naderende onheil» (zie het verhaal Eenarm).

En het is net zo goed Carson McCullers’ proza dat in dat van Williams resoneert als dat van Faulkner. Personages zonder vaste kern die nauwelijks een vermoeden hebben van hun ware seksuele verlangens en dierlijke begeerten, die een muur rond zich optrekken en in een staat van beleg leven; zij vormen (de kern van) Wil liams’ verhalen. Denk aan de voyeuristische «juffrouw Jelkes» in het schitterende De nacht van de leguaan. Zij bespiedt twee jongere schrijvers en luistert in en rond het Mexicaanse hotel en het strand hun soms heftige conversaties af: «Er leek tussen hen een vrijwel eindeloos meningsverschil te bestaan.» Juffrouw Jelkes verandert al kijkend en luisterend. Er ontwaakt in haar iets wat haar verbijstert, ze wordt een beetje hysterisch, «haar eigen wil was verdwenen uit wat ze deed en zei». Prompt komt ze in een sadistisch universum terecht waarin mens en dier hopeloos vastzitten. Maar ze weet zich tegelijkertijd getroost want ze weet dat «het wurgende touw !
van haar eenzaamheid» is doorgesneden en de staat van beleg opgeheven, niet in de laatste plaats door drastisch optreden van een van de twee schrijvers.

Jammer dat Het glazen meisje zo’n zuinige bundeling is met een plichtmatige inleiding van het proza van Tennessee Williams: nog geen tweehonderd bladzijden, terwijl de Collected Stories veel meer dan het dubbele telt. In mijn keuze zou ook een plaats zijn ingeruimd voor het voortreffelijke langere verhaal The Knightly Quest, waarin Wil liams de romantiek van Amerika en het Diepe Zuiden tracht te definiëren: «Amerika was opgebouwd uit paranoia door mensen die zichzelf superieur achtten aan de doorsneemens, die de schande van de dood over het hoofd zagen, die de mysteries wel hadden waargenomen maar zich daardoor niet gekleineerd voelden, die nooit stilstonden bij de ijdelheid van hun dromen en die die vervolgens in acties omzetten.»

Tennessee Williams’ toneel en proza geven een ongeremd beeld van sek sualiteit, geweld, gekte en sadisme en blijven immuun voor de hedendaagse bijbelse fatsoensrakkers en de eeuwige geborneerde kunstmoralisten.