De weemoed van de lezer

Net op het moment dat je denkt: ‘Hoeveel stukjesschrijvers kan een krant of tijdschrift verdragen?’ valt je oog op de regels van iemand die je vanaf dat moment gewoon altijd wilt lezen. Mijn agenda puilt uit van de stukken die ik al sinds enige tijd uit Vrij Nederland scheur: de ‘Postscriptum’-stukken die Sarah Hart schrijft voor de achterpagina van de Republiek der Letteren. Ooit komen ze terecht op mijn grote Sarah Hart-kalender, verluchtigd met ansichtkaarten waarop lezers staan afgebeeld, door de eeuwen heen en in alle standen. Want daarover schrijft ze: over boeken, schrijvers en lezers. Behalve lezen is er niets mooiers dan nog niet lezen, begon Kees Fens ooit een column met de welluidende titel The gentle art of reading. Het is de kunst die Sarah Hart beheerst en waarvan ze háár lezers deelgenoot maakt.

Wat dat betreft was het een lichte teleurstelling dat de bundeling van haar stukken die onlangs verscheen, Gehuurde wereld, rond een ander thema bleek te zijn samengesteld. Sarah Hart schrijft ook nog voor NRC Handelsblad een wekelijkse column over tuinen, en ik denk dat veel van de nu gebundelde stukken uit die kolommen afkomstig zijn. Niet dat er nu getrut wordt over ligusterhagen of dat er vlijtige liesjes uit de grond worden gekeken (ten eerste is haar blik kosmopolitisch en is het begrip ‘tuin’ bij haar rekbaar, ten tweede zou zij zelfs ligusterhagen een speciale glans weten te geven), maar het betekent wel dat er meer 'couleur locale’ in deze stukken zit dan dat ze over lezen gaan. Zelfs leest de bundel als een soort autobiografie het verhaal van een Iers meisje dat opgroeit in Engeland, als twintigjarige naar Parijs vertrekt en later met man en dochter naar Nederland verhuist. Een autobiografie in fragmenten weliswaar, waarin boeken een belangrijke rol spelen en een sfeer met behulp van kleine voorwerpen of details wordt opgeroepen, maar waarin toch wordt geprobeerd een langer levensverhaal te vertellen.
Ook dat vind ik jammer. Sarah Hart is zo'n schrijfster van wie je het levensverhaal niet hoeft te kennen om haar schrijven te waarderen. Eigenlijk wil je ook niet weten hoe ze eruitziet, waar ze precies woont, wat ze eet en met wie. Op z'n best circuleert er een grijzige foto van haar die nu ook de achterflap van de bundel siert: een beetje vaag, leeftijdloos, wegkijkend. Haar wereld is de gedroomde boekenwereld, waarin mensen lezers zijn. Waarin iemand op zijn sterfbed The Oxford Book of English Verse ter hand neemt, en een soldaat in WO I op het slagveld Miltons Paradise Lost in het hoofd heeft. Een gedroomde wereld die bij haar echter dan echt is, want de man op zijn sterfbed is haar vader en de soldaat op het slagveld haar oom.
Wat maakt het dat iemands toon je treft, dat je geïnteresseerd leest over een obscuur parkje in Parijs waar moeders zich op een landerige achternamiddag rond de zandbak verzamelen met hun kroost, of over de minibusjes die de schoonheid van de Ierse Aran-eilanden verstoren? Wat is het geheim van Sarah Hart? 'Niet de woorden, maar de stem’, zingt een zinsnede in mijn hoofd van die vroegere Vrij Nederland-columniste, Renate Rubinstein.
Hoewel Rubinstein op een andere manier haar hele persoon tot inzet van haar columns maakte, moet ik wel aan haar denken bij het lezen van Hart. Ze delen de ontvankelijkheid voor het alledaagse, omdat ze tegelijkertijd altijd een beetje náást die wereld van alledag lijken te staan. Om hun observaties te verwoorden, weten ze allebei te putten uit volstrekt originele en on-modieuze bronnen. Ze doen dat terloops, niet-intellectueel en op een vanzelfsprekende 'praat’-toon. Belangrijk verschil: Rubinstein was scherp, en Hart is vooral weemoedig. De weemoed van de banneling die al zo vaak afscheid heeft moeten nemen. Die langzaam maar zeker de laatste sporen van een vroeger leven (de Franse nootmuskaat, de oranje kaasrasp) uit haar Hollandse keuken ziet verdwijnen. Die nog met de ogen dicht de routes van de belangrijkste Parijse buslijnen kan rijden, maar in werkelijkheid als ze even terug is in Parijs gedesoriënteerd raakt, omdat inmiddels stoplichten verplaatst zijn, of beplanting is veranderd.
De fascinaties van Sarah Hart zijn talrijk en niet voor-de-hand-liggend (landkaarten, bos dat in heide overgaat, Chinese poëzie, verhalen waarin gezongen wordt…), en haar gidsen zijn altijd schrijvers. Er bestaan dingen die niet echt zijn tot je ze gelezen hebt in boeken, schrijft ze in een van haar stukken. Het geschrevene geeft haar een scherper besef van zichzelf. En zorgt voor teleurstellingen, als de werkelijkheid niet door de literatuur gedekt blijkt te worden.
Zo beschrijft ze haar tocht naar de Aran-eilanden, ondernomen uit liefde (al vindt zij dat waarschijnlijk wat sentimenteel klinken) voor de landkaarten die ene Tim Robinson van deze eilanden maakte en de boeken die hij er daarna over schreef. 'Nu hoefde ik het alleen nog maar allemaal zelf te zien’, schrijft ze. Een ingewikkelde reis volgt, met een piepklein vliegtuigje vanaf Galway en op het eiland zelf met een even klein busje. Regels van Yeats ('Go to the Aran Islands’) en Elizabeth Bishop ('Should we have stayed at home and thought of here?’) dwarrelen door Harts hoofd als ze ter plekke probeert de werkelijkheid te censureren: wég mountainbikes en wielrennersbroeken, wég minibusjes. Alleen de regen en de storm mogen blijven. Maar het leed is geschied, de droom voorgoed verstoord. Pelgrimstochten zijn nutteloos, concludeert ze dan ook. 'Als je met het boek in je handen loopt zie je niets, en zonder het boek word je afgeleid door triviale dingen, waaronder toeristen zoals jezelf.’
Misschien is dat wel haar geheim. Dat ze rondkijkt met het geheugen van de lezer, ook als ze op de rand van de zandbak zit of wacht tot haar dochter is uitgedraaid op de draaimolen. Zij bericht van een prettig belezen wereld waar het triviale niet echt vat op heeft. Maar wringen blijft het altijd, de boeken en de zandbak, het sterfbed en de poëzie. Die lezersweemoed weet Sarah Hart met grote precisie onder woorden te brengen.