Boekenweek: Schrijven in het antropoceen

De weg kwijt

René Descartes wist wel wat je moet doen wanneer je verdwaald bent in een duister bos: in een rechte lijn lopen totdat je de rand hebt bereikt.

René Descartes wist wel wat je moet doen wanneer je verdwaald bent in een duister bos: in een rechte lijn lopen totdat je de rand hebt bereikt. Geen gekke fratsen uithalen, gewoon logisch nadenken. Je wil immers zo snel mogelijk weg uit het woud. En zolang je strak rechtdoor blijft wandelen, kom je op den duur vanzelf weer in de bewoonde wereld. De Franse Verlichtingsfilosoof vertrouwde op de rede en de ondubbelzinnige taal van de wiskunde. En die leren dat een rechte lijn de kortste weg is.

René ten Bos vindt het een waardeloos advies. Wie gedesoriënteerd is en krampachtig probeert een rechte lijn te volgen, loopt na een tijdje in cirkels. Het verstand biedt niet altijd de snelste uitweg uit een doolhof. Het eerste wat je moet doen als je verdwaald bent, stelt Ten Bos, is stilstaan en onder een boom gaan zitten. Leer de omgeving kennen. Gebruik je zintuigen, niet enkel je hersenen. ‘De beste manier om uit het bos te komen, is om eerst te wennen aan het bos.’

Small bos  rene%cc%81 ten    corbino
René ten Bos © Corbino

Of je met de tips van Ten Bos daadwerkelijk eerder thuis bent, weet ik niet. Maar het lijkt me geen straf om met hem te verdwalen. Eigenlijk is dat ook waartoe Ten Bos uitnodigt met Dwalen in het antropoceen. We moeten ons als mensheid heroriënteren, want we leven in verwarrende tijden, nu de mens is uitgegroeid tot een almachtig wezen dat de planeet, bedoeld en onbedoeld, naar zijn hand zet. Met alle (nakende) rampen van dien. We hebben het stuur van ‘moederschip aarde’ in handen, maar geen idee welke kant we op moeten. De aanstaande Denker des Vaderlands – Ten Bos volgt 1 april Marli Huijer op – biedt geen routebeschrijving. Het enige wat hij kan doen is verslag uitbrengen van zijn eigen tastende zoektocht: ‘We moeten iedereen die de neiging heeft ons een richting te wijzen, ten diepste wantrouwen.’

Het antropoceen is een handige noemer om allerlei ecologische ellende onder te scharen

Het ‘antropoceen’ – Ten Bos schrijft het met een kleine letter, ‘als correctie op het onhebbelijke narcisme’ – is een buzzwoord waar allerlei academische disciplines zich gretig mee bemoeien. Geologen doen onderzoek naar sporen die de mensheid achterlaat in aardlagen. Biologen zien de impact van de mens als verklaring voor het massale uitsterven van diersoorten. Chemici kunnen aan de samenstelling van de atmosfeer aflezen hoezeer onze soort zijn stempel drukt. Het antropoceen is een handige noemer om allerlei ecologische ellende onder te scharen, van de verzuring van de oceanen tot het razendsnelle verlies van biodiversiteit. En het debat beperkt zich niet tot de exacte wetenschappen. Ook sociologen, historici, filosofen, mediatheoretici en economen hebben de term ontdekt. Ik durf te wedden dat op iedere kunstacademie dit jaar een afstudeerproject te vinden is over het antropoceen.

Ondanks de recente belangstelling is het concept nog niet zo ingeburgerd dat het geen verdere introductie behoeft. Sterker: de invulling ervan is onduidelijk en omstreden. Dus ziet Ten Bos zich genoodzaakt om in de eerste hoofdstukken enigszins plichtmatig de wetenschappelijke discussies uiteen te zetten. Want wanneer begon dit ‘tijdperk van de mens’ dan precies? Dekt de term de lading wel? Is ‘de mensheid’ als geheel werkelijk de schuldige? Getuigt het niet van grootheidswaan om een geologisch tijdperk naar onszelf te vernoemen? Stuk voor stuk moet Ten Bos deze vragen beantwoorden voor zijn wijsgerige zoektocht goed en wel kan beginnen. Met als gevolg dat hij halverwege het boek nog altijd niet overtuigd lijkt van het concept dat hij centraal stelt.

Ten Bos koestert sympathie voor alternatieve aanduidingen zoals het ‘Capitoloceen’, want hij ziet de onstilbare toe-eigeningsdrang van het kapitalisme als een drijvende factor achter de ‘cascade van catastrofes’. Namen geven een oriëntatiepunt, weet Ten Bos. Ze ‘bepalen, als ze eenmaal geaccepteerd worden, hoe er naar de wereld wordt gekeken’. Maar tegelijkertijd lijkt hij huiverig om labels te plakken. De toegevoegde waarde van de menswetenschappen is juist de ‘opening naar meerduidigheid’. Ten Bos zoekt geen pasklare antwoorden of een ondubbelzinnige definitie – alles wat complexiteit reduceert is verdacht. De aantrekkingskracht van het antropoceen schuilt misschien wel in de onbepaaldheid ervan. Iedereen kan er iets anders op projecteren.

Je zou denken dat ‘het antropoceen’ een geschenk is voor filosofen. Zo’n neologisme dat deuren opent en spannende gedachtenwisselingen stimuleert. ‘Je voelt bijna de jaloezie dat [filosofen] het concept niet zelf hebben bedacht’, schrijft Ten Bos. Maar vooralsnog lijken veel denkers er niet goed mee uit de voeten te kunnen. Tekenend was het publieke debat tussen Bernard Stiegler en Peter Sloterdijk over het antropoceen, vorig jaar in Nijmegen. Ten Bos had hoge verwachtingen, maar ‘een groot succes werd het niet’, concludeert hij terecht. Ik zat die avond ook in de zaal en zag, net als Ten Bos, twee vermaarde wijsgeren die langs elkaar heen praatten en het antropoceen vooral inpasten in hun eigen denkkaders. Alsof het iets betrof waarover zij altijd al hebben nagedacht, dat nu slechts een nieuwe naam heeft gekregen.

Dat verwijt kun je Ten Bos niet maken. Hij doet oprecht een poging om zijn eigen weg te vinden in ‘het tijdperk van de mens’. Dat hij daar niet in slaagt is wellicht onvermijdelijk, maar ook onbevredigend. Ten Bos springt van persoonlijke anekdotes naar poëzie, naar biologie, naar cinema en leunt sterk op de ideeën van filosofen die nog nooit over het antropoceen hebben gerept, om zo ‘gedachten uit hun werk te halen die ze zelf niet helemaal of helemaal niet hebben gedacht’. Ten Bos denkt niet in rechte lijnen, maar in kronkelende paadjes. Hij gaat associatief te werk en lijkt zichzelf soms opzettelijk te verliezen in meanderende overpeinzingen. De lezer laat hij daarbij gedesoriënteerd achter. Maar dat is ongetwijfeld zijn bedoeling.