Het toetsingskader voor Uruzgan

De weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen

Net als in 1993, ten tijde van de Bosnische oorlog, woedt er een debat over een levensgevaarlijke militaire missie waarbij Nederland feitelijk beschikt over de levens van tienduizenden burgers. Afghaanse burgers dit keer. Opnieuw verdrukken morele en internationaal-politieke argumenten een rationele analyse van de situatie ter plaatse.

In 1993 besloot Nederland met de beste bedoelingen troepen te sturen naar de Bosnische moslimenclave Srebrenica. De missie eindigde in een massamoord die Nederlandse eenheden niet konden, maar wel hadden moeten voorkomen. De kiem voor deze ramp werd gezaaid tijdens de besluitvorming over de uitzending. De Nederlandse troepen waren slecht bewapend, onervaren en veel te klein in aantal om iets te beginnen tegen de Servische overmacht. Ze waren uitgezonden onder druk van de Tweede Kamer en de publieke opinie, die gedreven werd door verontwaardiging over de moordpartijen in Bosnië. ‘We móeten iets doen voor die mensen.’ Naar een rationele analyse van de situatie, met aandacht voor militaire aspecten, was het indertijd vergeefs zoeken. Was die wel gemaakt, dan waren in Srebrenica geen Nederlandse troepen gekomen, of er was een omvangrijke en zwaar bewapende eenheid gezonden die zichzelf en de bevolking kon verdedigen.

Uruzgan is géén Srebrenica. De vergelijking gaat op vele punten mank. Maar de discussie nu is net als destijds emotioneel geladen en gespeend van militaire ratio. De Uruzgan-missie loopt tot volgend jaar augustus. Eerdaags neemt de regering een besluit over verlenging van de aanwezigheid in de Zuid-Afghaanse provincie.

‘Als wij daar weggaan, dan weet ik wat er met de bevolking gebeurt’, zei premier Balkenende tijdens de Algemene Beschouwingen, en hij liet een onheilspellende stilte vallen. Balkenende zei niets formeels over de verlenging, maar plantte en passant wel ferm een vlaggenstok met wild wapperend moreel imperatief: we kunnen het niet maken tegenover de bevolking om volgend jaar te vertrekken, want dan valt ze ten prooi aan de terreur van de Taliban.

‘Bij vertrek uit Uruzgan volgt onheilsscenario’, kopte de Volkskrant zaterdag. De krant doelde niet op het onheil dat de premier voorzag, maar wees in haar hoofdcommentaar op ‘de politieke en strategische repercussies’ bij een Nederlands vertrek uit Uruzgan. Volgens de Volkskrant haken als Nederland de koffers pakt ook de Australiërs (onze Uruzgan-partners) en de Canadezen in de provincie Kandahar af. Bovendien zouden de Verenigde Naties, die de missie gemandateerd hebben, dan prestigeverlies lijden. Conclusie: Nederland moet in Uruzgan lead nation blijven.

Het morele Balkenende-argument en het internationaal-politieke van de Volkskrant – waarbij nog het ‘we moeten ons een goed Navo-bondgenoot betonen’-argument kan worden gevoegd – bepalen de discussie. Ze hebben beide waarde, maar de vraag is of zij de boventoon moeten voeren in het debat.

Er is nog een derde, maar niet-valide argument dat steeds weer in de discussie opduikt: het opbouwargument. Doorgaans gebruikt om het niet-verlengen van de missie te onderbouwen. De redenering luidt als volgt: ‘Het was de bedoeling dat dit een opbouwmissie zou worden, maar we vechten nu vooral. Dus inpakken en wegwezen.’ De linkse oppositie in de Tweede Kamer (SP en GroenLinks) heeft samen met twee antioorlogsplatforms het comité Troepen Terug gevormd dat rond dit argument een informatiefolder heeft gemaakt die massaal wordt verspreid. Isaf wordt ‘zeer gewelddadig’ genoemd en de Nederlandse inzet wordt vergeleken met ‘doodseskaders’.

Het opbouwargument van links is niet valide in de discussie over het voortzetten van de missie, omdat de missie nooit een opbouwmissie is geweest. Het onderscheid tussen vechtmissie en opbouwmissie is fictief. De politiek is hier verstrikt geraakt in de eigen retoriek. Isaf ‘bevordert de stabiliteit en veiligheid door het vergroten van de steun van de bevolking voor de Afghaanse autoriteiten’. Het staat helder geformuleerd in de ‘artikel 100-brief’ waarmee de regering de Tweede Kamer in december 2005 informeerde over haar besluit troepen te sturen naar Uruzgan. De activiteiten van de (militaire) provinciaal reconstructieteams (prt’s) en ‘de wederopbouw door anderen’ vormen slechts ‘belangrijke onderdelen’.

Dit zijn de uitgangspunten van een counterinsurgency-operatie. De term wordt in de brief niet genoemd, maar ligt voor op de tong van de staf in Tarin Kowt. Counterinsurgency, of contraguerrilla, is oorlogvoering. Doel is de opstandelingen te overwinnen. Dat gebeurt met een mix van militaire en niet-militaire methoden. Die laatste zijn het belangrijkst. Isaf probeert de Afghanen te bewegen te kiezen voor de regering in Kabul door betere perspectieven te bieden dan de Taliban. Veiligheid is het belangrijkst: Afghanen geven dat zelf aan. Uitgangspunt bij contraguerrilla is dat slechts de hardcore opstandelingen worden gedood: dit is wat SP en GroenLinks associëren met ‘doodseskaders’. Het ‘voetvolk’, vaak bestaande uit lokale boeren die vechten voor wat geld of omdat ze gedwongen worden, dienen losgeweekt te worden van de militante leiders.

Isaf verzorgt kleinschalige opbouwprojecten via prt’s. prt-werk is geen onbaatzuchtige, duurzame opbouw. Het is een strijdmiddel in de contraguerrilla. In de artikel 100-brief staat het prt-werk vermeld als ‘cimic’: civil military cooperation. Het werkelijke (weder)opbouwwerk wordt in de artikel 100-brief apart vermeld. Isaf schept daartoe de voorwaarden. Het werk zelf dient te worden gedaan door de Afghaanse regering en non-gouvernementele organisaties. Er zijn slechts twee Nederlandse ngo’s die het aandurven in Uruzgan via lokale partnerorganisaties hulp te bieden. De rest levert kritiek, maar laat het verder afweten.

Hoe de tegenstelling vechtmissie-opbouwmissie in de wereld is gekomen, is onduidelijk. Het is opmerkelijk dat Defensie het hoofd ernaar laat hangen, in plaats van te wapperen met de uitstekende artikel 100-brief. Bang als het is voor het predikaat vechtmissie, moffelt het ministerie berichten over de strijd weg zolang de situatie het toelaat. Daardoor ontstaat een vertekend beeld. De werkelijke situatie is als volgt: de contraguerrilla maakt overuren, maar van het echte, niet-militaire opbouwwerk in Uruzgan komt nu nog nauwelijks iets terecht. Dat is geen schande: het was voorzien in de artikel 100-brief.

Terug naar Srebrenica. Als Nederland daarvan iets heeft geleerd, is het wel dat de missie haalbaar moet zijn. Kan Nederland de bevolking in Uruzgan de veiligheid bieden die we haar met onze aanwezigheid beloven? Het antwoord op die vraag luidt op dit moment: neen. En als de missie wordt verlengd zonder dat de troepensterkte in het gebied aanmerkelijk wordt opgevoerd, blijft het antwoord op die vraag ontkennend.

Isaf hanteert het concept van de Afghan Development Zone (adz). De Britse generaal David Richards lichtte het toe aan de hand van inktvlekken die zich uitbreiden en uiteindelijk samensmelten. Binnen de inktvlekken zou de bevolking rust en veiligheid genieten, waardoor de economie er tot bloei zou komen. Het zijn de safe havens van de Afghaanse oorlog.

In Uruzgan gaat het niet best met de inktvlekken. Ze breiden zich niet uit. Erger: de bevolking geniet er geen veiligheid. Vorig jaar februari sloot ik me aan bij een vijfdaagse patrouille op de westelijke oever van de Dorafshan-rivier. De bevolking was er doodsbang voor repercussies van de Taliban als ze werd geassocieerd met Isaf. De situatie is er nu nog slechter. In het district Chora wisten de Nederlanders ternauwernood een massale Taliban-aanval af te slaan. In dorpen die tijdelijk in handen kwamen van de Taliban werden mensen vermoord die met de Nederlanders hadden samengewerkt. Niet duidelijk is op welke schaal dit gebeurde. Tijdens de strijd werden meer dan dertig huizen verwoest en vielen tientallen burgerdoden.

De Nederlanders leveren er nog bijna dagelijks strijd met Taliban-eenheden, zo ondervond ik aan den lijve tijdens een tiendaags verblijf in de vallei eind juni. Ook in Deh Rawod is de adz niet veilig. Ik was er begin september en maakte mee hoe de Taliban in een gecombineerde aanval vanuit het noorden en het zuiden vrijwel alle politie- en militieposten onder de voet liepen. De Nederlandse commandant besloot het noorden en het zuiden van de inktvlek op te geven.

Nederland heeft niet genoeg troepen in Uruzgan. Bovendien laat de Afghaanse regering het afweten. Isaf staat voor International Security Assistance Force. Zij assisteert de regering. Momenteel zijn de rollen omgedraaid: de regering assisteert Isaf. En dat doet ze ook nog eens beneden peil. Al een jaar lang worden substantiële versterkingen van het Afghaanse leger (ana) beloofd. Eindelijk druppelt er nu wat binnen. Piepjonge soldaatjes van bedenkelijk niveau. Met de politie is het écht hopeloos gesteld. De hulpagenten in Deh Rawod hadden slechts twee weken training gehad, waren slecht bewapend, genoten een loon van zeventig dollar (waar de Taliban recruten soms tweehonderd dollar betalen) en een deel van hen had al maanden geen salaris ontvangen. Niemand waagt onder dergelijke omstandigheden zijn leven. De Taliban konden dan ook moeiteloos doorstoten.

Ook de Navo is opnieuw een onbetrouwbare partner gebleken. Net als in Srebrenica boogt Nederland ook in Uruzgan op afspraken met de Verdragsorganisatie. In Srebrenica werden die niet nagekomen. In Uruzgan evenmin. Ten eerste: Nederland heeft afgesproken dat de opvolging een Navo-aangelegenheid is. Secretaris-generaal Jaap de Hoop Scheffer heeft Nederland echter onder grote druk gezet. Ten tweede: er zou vergaande coördinatie plaatsvinden tussen de Navo-partners in Zuid-Afghanistan. Op de tweede dag van het Taliban-offensief sprak ik met de commandant van de Nederlandse gevechtstroepen in Deh Rawod. Hij vermoedde dat de Taliban-eenheden die in het zuiden binnenstroomden, werden opgejaagd door Britse aanvallen in het aangrenzende Helmand. ‘Als ik dat geweten had, had ik mijn achterdeur kunnen dichthouden’, zei hij. Ten derde: de Navo heeft Nederland verzekerd dat er coördinatie zou plaatsvinden met de Coalitie-troepen die onder Amerikaanse leiding bezig zijn met Operation Enduring Freedom (oef). Zij treden veel robuuster op dan Isaf en kunnen gemakkelijk het softe contraguerrillabeleid van Nederland doorkruisen. Tijdens mijn verblijf in Deh Rawod vonden hevige oef-bombardementen plaats rond het plaatsje Aduzay, ten zuidwesten van het Nederlandse kamp. Niks coördinatie. De Nederlandse commandant kreeg geen informatie. Ten vierde: de Navo heeft beloofd Nederland bij te staan met extra troepen als het water de militairen tot de lippen zou komen. Dat is nu het geval in Deh Rawod. Nederland vroeg extra troepen en kreeg die niet. Nu gaan twee eigen pelotons op weg naar het bedreigde gebied. Inmiddels zijn wel Britse Ghurka’s toegezegd voor een offensief in de Baluchi-vallei. Heeft eindelijk iemand met de vuist op tafel geslagen? Of was het een Britse fooi aan de brave bondgenoot?

Bij een verlenging zijn de Nederlandse Apache-gevechtshelikopters niet meer inzetbaar. Zij zijn echter onmisbaar. Tijdens de patrouille op de westelijke Dorafshan-oever werd ‘mijn’ eenheid omsingeld op een heuvel en van alle kanten beschoten. Toen de rotorslag van Apaches klonk, was de strijd meteen beslecht. In de artikel 100-brief staat dat de Apaches en de in Kandahar gestationeerde f16’s in geval van nood onder ‘nationaal commando’ kunnen worden geplaatst. Het is een terecht uitvloeisel van Srebrenica, waar Navo-luchtsteun uitbleef. Nederland regelt die sindsdien liever zelf. Het is een onheilspellend vooruitzicht, een verlenging zonder Nederlandse helikopters.

Wat we nodig hebben: een militair sterke bondgenoot die zowel helikopters als troepen in Uruzgan levert (denk aan Groot-Brittannië), meer Navo-solidariteit en een Afghaanse regering die over de brug komt. Zonder druk op de ketel zijn alledrie moeilijk leverbaar. Daarom moet de Nederlandse houding jegens de Navo en de Afghaanse regering zijn: ‘nee, tenzij’. Niet het momenteel uitgestraalde ‘ja, maar’.

De regering dient zich te houden aan het toetsingskader zoals dat is vastgelegd in 2001. Een van de aandachtspunten daarin is de haalbaarheid van de missie. Het is echter de militaire top die de haalbaarheid bepaalt. Dat dit gevaarlijk is, bleek ten tijde van Srebrenica. Militairen dienen de politiek en zeggen niet graag nee. Het waren generaals die uiteindelijk een ondermaatse eenheid in Srebrenica stationeerden. Het zou goed zijn als onafhankelijke defensiedeskundigen te hulp zouden worden geroepen.

Nederland doet zijn uiterste best in Uruzgan, onder zware omstandigheden. Het militaire optreden is over het algemeen terughoudend en effectief. In Kabul sprak ik met twee parlementariërs, Soona Niloofar en Abdul Khaliq. Beiden wilden graag dat de Amerikanen verdwenen maar niet de Nederlanders, omdat hun achterban in Uruzgan aangaf blij met hen te zijn.

Dan moet Nederland echter wel in staat zijn veiligheid en stabiliteit te bieden, al is het maar in de inktvlekken. Op het spel staan de levens van Nederlandse militairen en Afghaanse burgers. Zij zijn niet gebaat bij morele verontwaardiging en het uithangen van de brave bondgenoot. Daarmee win je geen contraguerrilla. Laten we de militaire haalbaarheid van de missie daarom niet uit het oog verliezen. Dat betekent eisen stellen en de bereidheid tonen om ‘nee’ te verkopen.