De weg naar het paradijs

Pub aan Kings Road in Chelsea, Londen. 1967 © David Hurn / Magnum Photos / ANP

Vijf jaar na enkele uitstapjes naar een moeilijk soort fantasy, onder meer met The Bone Clocks (2014), lijkt David Mitchell teruggekeerd naar de aarde. Hij schreef het omvangrijke Utopia Avenue dat de jaren zestig wil duiden, een tijdvak dat de schrijver, geboren op 12 januari 1969, van horen zeggen heeft, én van grondige research, vooral op muzikaal terrein. De titel verwijst naar een Britse popgroep opgericht toen het flowerpowerjaar 1967 nog jong was. Hun muziek is een mengsel van blues, rock en folk, met een jazzy ritme en een psychedelische sfeer met een snuifje coke. Van alles wat, iets tussen Pink Floyd en Jefferson Airplane in, met teksten over liefde maar vooral het gebrek eraan. Zenuwcentrum van Utopia Avenue is Londen, met uitstapjes naar Amsterdam en Amerika, in 1968. Mitchell benadert de sixties vanuit het perspectief van de bandleden en hun homoseksuele Canadese manager, allemaal in de Tweede Wereldoorlog geboren. De band weerspiegelt min of meer de Britse klassenmaatschappij anno 1967. Tot dat jaar bleef actief homoseksueel gedrag in Engeland verboden.

Basgitarist Dean Moss, geboren in Gravesend, vertegenwoordigt de arbeidersklasse. Hij heeft een strenge vader die hem vernedert, volgt beperkt onderwijs, vlucht in de ‘blues’ en vertrekt naar Londen. Daar heeft hij een nederig horecabaantje. Op het dieptepunt in zijn stadsbestaan reikt manager Levon hem de helpende hand en komt hij in de band Utopia Avenue terecht, als bassist en de songwriter die de eerste top-50-hit schrijft: ‘Abandon Hope’, een titel die haaks staat op de tijdgeest. Over zijn achtergrond en armoede heeft de middenklasse ‘no bloody idea’. Vlak voor zijn onfortuinlijke dood overpeinst Dean de kannibalistische amusementsindustrie en het zogenaamde vrije leven in communes, ‘it’s a psychedelic concentration camp’.

De succesvolle folkzangeres Elf Holloway – middenklasse, eigen flat gekocht van royalty’s – worstelt met haar seksuele identiteit, kiest de verkeerde (mannelijke) partner maar komt op haar weg naar het paradijs toch de ware Eva tegen.

Mitchell is zo brutaal om zijn bandleden om te laten gaan met beroemdheden

Het meest intrigerende – of beter gezegd: raadselachtige – bandlid is de begenadigde leadgitarist Jasper de Zoet, een jongeman met autistische trekjes en een eigen leefwereld. De Zoet heeft een Engelse moeder, gestorven bij zijn geboorte, en een Nederlandse vader. Hij komt uit een Zeelandse scheepsbouwersfamilie met aristocratische trekjes (verre familie van Oranje). Hij heeft meer met zijn grootvader dan met zijn vader, die hem tijdelijk in zijn Londense flat laat wonen. De dakloze Dean trekt bij Jasper in. Jarenlang zat hij op een dure Engelse kostschool, totdat hij klopgeluiden in zijn hoofd ging horen die een aankondiging van zijn dood leken. Daarna volgden vele jaren in een kliniek bij Wassenaar.

Utopia Avenue bevat veel meer dan deze hoofdingrediënten, maar de rode draad in de zeer onderhoudende vertelling is opgang, in 1967, en neergang, in 1968, zowel muzikaal als maatschappelijk. En roem vertroebelt, vervuilt en vergiftigt het pad naar het paradijs. Het paradijs is eerder de weg ernaartoe, zoals vrijheid ook steeds opnieuw bevochten moet worden en geen klaarliggend ideaal blijkt. Vrije, ongebonden liefde in de sixties? Een hersenschim. Alle relaties hebben vele haken en ogen. Het maken van muziek, het liefst afwijkend van de commerciële norm, kan dan een tijdelijke vorm van vrijheid vormen, een ontsnapping aan de persoonlijke kooi. In wezen, zo formuleert Jasper de Zoet het, is elke kunstuiting een politieke daad omdat de kunstenaar de dominante versie van de wereld afwijst. Voor Britse muzikanten is Amerika het mekka en het walhalla. Maar ook dat Beloofde Land is vergeven van geweld. ‘Violence is on every page of our history.’ Waarna de bekende opsomming volgt: kolonisten die indianen afslachten of opzadelen met waardeloze verdragen, slavernij en burgeroorlog. ‘We industrialised violence, we massproduced it, years before Ford.’

Toch blijft dat politiek-militaire geweld, met Vietnam als symbool en demonstratiedecor, op de achtergrond in Utopia Avenue. Het is de subversieve muziek die centraal staat. Sterker nog, talloze dwarse en kritische musici voert de schrijver sprekend op. Mitchell is zo brutaal om zijn bandleden om te laten gaan met beroemdheden: Brian Jones, Jimi Hendrix en Janis Joplin, om de drie te noemen die op hun 27ste zouden sterven. Maar ook Frank Zappa (‘We’re only it for the money’), David Bowie, John Lennon, Syd Barett (Pink Floyd), Leonard Cohen en vele anderen komen aan het woord. Maar het meest verrassende personage is de Ierse kunstschilder Francis Bacon, want via hem kan Mitchell de Londense homo-scene beschrijven.

Met Jasper de Zoet verwijst Mitchell naar zijn historische roman The Thousand Autumns of Jeroen de Zoet (2010), en verliest hij zich ook weer een beetje in fantasy. De geluiden in het hoofd van De Zoet blijken te maken te hebben met een eeuwenoude kwade monnikengeest. De chirurgische verlosser is dan de onsterfelijke Marinus, van wie al in The Bone Clocks een paar levensbeschrijvingen staan. Die fantasy ontsiert een klein deel van Utopia Avenue, een onderhoudende roman van een schrijver die opgroeide ná de sixties en die het ongetwijfeld betreurde dat hij die veelbewogen jaren niet zelf kon meemaken.