De weg naar paars iii

HET POLITIEKE fenomeen Paars heeft een januskop. Van de ene kant is Paars de bevestiging van het einde van de politiek. Paars(II wordt weer een nationaal kabinet dat de overbodigheid van middenpartijen als het CDA en D66 aantoont. De grote coalitiepartners hebben het midden al stevig bezet. De PvdA heeft de markt, de VVD haar sociaal geweten ontdekt.

Daardoor kan Paars van de andere kant de basis leggen voor nieuwe partijpolitieke verhoudingen. Extrapolatie van de verkiezingsuitslag van 6 mei 1998 naar 2002 betekent een complete marginalisering van CDA en D66. Het gelijk van Kok, die in zijn Den Uyl-lezing een uiteindelijke politieke tweedeling van sociaal-democratie en liberalen voorzag, is dan zonneklaar. En die tweedeling vraagt het weerwerk van de ideologie.
Voorlopig zal de eerste helft van de januskop overheersen. De verzoening van het vroeger onverzoenlijke is een internationale trend. In Amerika is de democraat Clinton opgezadeld met een Republikeinse meerderheid, in Frankrijk cohabiteert de conservatieve Chirac met een socialistische regering en in Duitsland verwacht welhaast iedereen een Grosse Koalition van SPD en CDU na de verkiezingen. En New Labour is in zichzelf een coalitie om de conservatieven overbodig te maken.
Als er geen waarneembare buitenlandse bedreiging is, leiden nationale kabinetten zelden tot partijpolitiek engagement voor de regerenden. Politiek als permanent compromis provoceert in het gunstigste geval de zoektocht naar alternatieven en in het slechtste geval de anti-politiek. Daarom moeten zowel PvdA als VVD zich nu al gaan afvragen of het niet een democratisch belang is dat zij zichzelf geleidelijk ontwikkelen tot elkaars alternatieven in plaats van elkaars bondgenoot. Anders wordt Paars in de 21ste eeuw voor Nederland wat het CDA voor de afgelopen eeuw was. Als Paars grijs wordt, zullen anderen zich ontfermen over rood en blauw.
VOLGENS DE BLAIR-adepten is de tegenstelling rood-blauw achterhaald. Er is een Derde Weg. In de logica is de regel ‘tertium non datur’ al eerder gesneuveld, in de filosofie is iedere vorm van stelligheid vervangen door Feyerabends 'anything goes’, en in de postmoderne kunst is de combinatie van de meest uiteenlopende stijlelementen in een werk tot nieuwe stijl verheven. Blair bedrijft postmoderne politiek. Hij laat de oude tegenstellingen achter zich. Een volgeling zegt: 'The big idea is that there is no big idea.’
Zo'n sceptisch credo zou van moed getuigen als het was ingebracht tegen de totalitaire ambities van de Grote Verhalen. Maar het is niet meer dan een quasi-filosofisch alibi voor de aanpassing aan de big ideas van anderen als het wordt ingebracht tegen de naoorlogse sociaal-democratie. De sociaal-democratie had nooit de pretentie van een alomvattende wereldbeschouwing, ook al werd zij regelmatig geplaagd door een lunatic left. Precies honderd jaar geleden schreef Bernstein, de aartsvader van de reformisten, al: 'Ik geef eerlijk toe, ik heb voor datgene wat men gewoonlijk onder het Einddoel van het Socialisme verstaat, buitengewoon weinig gevoel en belangstelling. Dat doel, wat het ook mag zijn, betekent voor mij helemaal niets, maar de beweging betekent voor mij alles.’
Deze uitspraak vergde lef tegenover de marxistische gelovigen. Maar betekende dat ook dat Bernstein no big idea had? In een commentaar op zijn beroemde uitspraak schreef Bernstein: 'Volgt daaruit dat ik überhaupt ieder bepaald doel van deze beweging ontken? Ik zou het betreuren als ik zo begrepen was. Een beweging zonder doel drijft in chaos, want het zou een beweging zonder richting zijn. Het doel is echter niet het realiseren van een maatschappelijk plan, maar het in praktijk brengen van een maatschappelijk beginsel.’ En dat beginsel 'sluit iedere klasseheerschappij uit en alle klasseprivileges; wie dankzij zijn positie in een bepaalde klasse bevoorrecht wordt, past niet in het ideaal van Genossenschaftlichkeit, het ideaal van samenwerking van gelijken’.
Hoe zou Bernstein tegen de exploderende vermogensongelijkheid van het laatste decennium aankijken? Hoe zou hij de allerminst genossenschaftlich georganiseerde macht van zich voortdurend verder vervlechtende media beoordelen? Zou hij ons aanbevelen om te knielen voor de media-tycoons, zoals eerst Craxi voor Berlusconi heeft gedaan en nu Blair voor Murdoch? Of zou hij ons niet meer in overweging geven om countervailing powers op te bouwen?
KORTOM, SCEPSIS die berust in de bestaande machtsverhoudingen is conservatief. Scepsis die de heersende ideeën van de heersende machten ondermijnt, is pas productief. Pragmatici, die van zichzelf denken volstrekt onafhankelijk tegenover elke ideologie te staan, zou ik willen aanbevelen voor één keer hun tegenzin om kennis te nemen van het gedachtengoed van J.M. Keynes te overwinnen. Hij schrijft aan het eind van zijn General Theory: 'Pragmatici, die geloven geheel vrij te zijn van ideologie, zijn gewoonlijk de slaaf van een of andere vroegere econoom.’ En vervolgens: 'Op het gebied van de economische en de politieke filosofie vind je zelden mensen van boven de 25 of 30 jaar die nog openstaan voor nieuwe inzichten.’ Daarom zal het neoliberalisme voorlopig nog dominant blijven en profiteren van het feit dat een dominante ideologie niet als ideologie geldt maar als common sense, gezond verstand, of - nog erger - als wetenschap.
Het Centraal Planbureau beoefent wetenschap. De ambitie om plannen te maken is al snel na de oprichting opgegeven. Het CPB produceert nu prognoses op basis van beleidsveronderstellingen. Die worden vervolgens losgelaten op een economisch model. Dat model bevat allerlei veronderstellingen over het gedrag van mensen. Deze veronderstellingen veranderen minder door het tamelijk stabiele gedrag van consumenten en investeerders. Daarom heeft een halve eeuw CPB de prognoses nauwelijks betrouwbaarder gemaakt dan zij bij hun aanvang onder leiding van Tinbergen waren.
Ik herinner mij nog zeer goed de voorspellingen die het CPB onder leiding van Zalm de wereld in zond voorafgaande aan de verkiezingen van 1994. Toen was somberheid troef. Zo ongeveer alles zou in de periode 1994-1998 slechter gaan. Intussen weten we beter. Ligt dat nu aan het paarse beleid van Zalm als minister? Nauwelijks. De paarse prestatie dankt haar reliëf vooral aan de foute prognose. Dankzij de slechte voorspeller Zalm kon hij een goed minister zijn. De minister van de meevallers.
Nu zien we een heel positieve prognose voor Paars(II. Ik vrees dat het behoedzame scenario Zalm er niet voor behoedt om in de komende jaren een tegenvallende minister te worden. Het optimisme van het CPB berust op wankele pijlers.
Laat ik enkele voorbeelden noemen. Allereerst de inverdieneffecten, die een kleine vier miljard moeten opleveren. Vervolgens de ongrijpbare ombuigingen bij rijksoverheid, de uitvoering van de sociale zekerheid en Europa. (Ook goed voor zo'n vier miljard.) Dan komen de effecten van de belastingoperatie. Volgens het CPB lokt de vergroting van de afstand tussen uitkering en met werken verdiend inkomen extra aanbod van arbeid uit. Dat is de eerste bijdrage aan de loonmatiging die in het CPB-model goed scoort voor de werkgelegenheid. Die loonmatiging wordt nog eens versterkt door de aard en omvang van de lastenverlichting. Lagere belastingen leiden tot lagere loonstijgingen. En dat is voor de overheid pure winst vanwege navenant lagere ambtenarensalarissen en uitkeringen. De achterliggende gedachte in het CPB-model is dat als hogere belastingen tot hogere looneisen leiden, het omgekeerde gebeurt bij lastenverlaging. Zoals het jaar van de zogenaamde Oort-operatie, 1990, laat zien, is dat een heroïsche veronderstelling. Ook voor werknemers geldt: gaat het goed, dan willen we dat terugzien in de cao.
Vreemd genoeg is het CPB in deze anti-plan-tijd toch een echt planbureau geworden in de meest ouderwetse zin. Paars(II vaart op de dubieuze veronderstellingen over uitgelokt arbeidsaanbod en afwenteling van lastenverlichting op de loonvorming. Dat wordt vastgelegd in een regeerakkoord. En plotsklaps wordt een veronderstelling over het menselijk handelen een voorschrift. Of op zijn minst een onderdeel van de paarse moraal.
En die paarse moraal is heel simpel: je doet niets voor niets. We geloven pas in jouw goede bedoelingen als we zeker weten dat die bedoelingen jou voordeel opleveren. Die boodschap wordt uitgezonden naar de bijstandstrekkers en naar de sociale diensten, naar de topambtenaren en naar de uitvoerders van de sociale zekerheid, naar vermogensbezitters (je blijft alleen maar hier als je geen fiscaal nadeel ondervindt) en naar onvermogenden ( je gaat alleen maar werken als je er echt op vooruit gaat). Die moraal is een common sense van de jaren negentig, de actuele verwerking van het CPB van de ideeën van voorbije economen, die een Angelsaksisch monopolie in hun wetenschap gevestigd hebben.
EIND JAREN zeventig sprak ik met een Amerikaanse ambassadeur. Hij verbaasde zich erover dat de overgrote meerderheid van de Nederlandse beroepsbevolking daadwerkelijk aan het werk was. In zijn land zou welhaast niemand meer werken als hij zonder werken een vergelijkbare uitkering zou kunnen krijgen als in ons land. Paars zorgt ervoor dat deze onduldbare afwijking van de Angelsaksische standaard in sneltreinvaart hersteld wordt. Het witte voetje dat we daarmee in de economenwereld behalen, contrasteert scherp met het feit dat we daarmee het zwarte schaap van sociaal Europa worden. Overladen met complimenten van rechts dwingen we onze geestverwanten verder op weg naar een on-Europees en on-sociaal-democratisch model.
Het is het model van de homo economicus, van de calculerende organisatie en van een berekenende overheid. En dat model staat nu uitgerekend haaks op de sociale filosofie van het 'communitarisme’. Daarin is de mens bij uitstek onderdeel van de gemeenschap. Zijn handelen wordt meestal in het geheel niet bepaald door het streven naar individueel voordeel. Dat streven ondermijnt eerder de menselijke betrekkingen.
Toch is de retoriek van Paars en New Labour doordrenkt van het idioom van het communitarisme. De missie van Paars(II is kortweg Kracht en Cohesie. Kracht door calculatie, dat is duidelijk, maar hoe versterken we de sociale cohesie? Het Verenigd Koninkrijk en nog meer de Verenigde Staten laten zien dat werkgelegenheid lang geen voldoende voorwaarde is om tot een gemeenschap van gelijkwaardige en betrokken burgers te komen, of om het nog eens op zijn Bernsteins te zeggen: Genossenschaftlichkeit. De sociaal-democratie wist dat al in de negentiende eeuw. Ook toen werd de tegenstelling tussen working poor en puissante (geaccumuleerde) rijkdom als volstrekt strijdig met de sociale cohesie beschouwd. Er was toen heel wat werkgelegenheid, zelfs voor kinderen, iedere dag en meer dan twaalf uur per dag. En ook toen gold: geen werk hebben is nog erger. Maar er is een groot verschil: het is de schuld van het kapitaal. Nu is die schuld geïndividualiseerd: sociale uitsluiting is een kwestie van tekort schietende zelfredzaamheid.
Deze benadering kenmerkt ook de visie op de wereldvraagstukken. Er is kennelijk geen reden om het systeem van de wereldhandel en van de internationale kapitaalbewegingen ter discussie te stellen. De enige vraag die ertoe doet: hoe bewijzen we onze zelfredzaamheid op de wereldmarkt? Die vraag beantwoorden we redelijk adequaat. Investeringen in onderwijs en infrastructuur, gecombineerd met voortgezette loon(kosten)matiging. Mobilisatie van het verborgen arbeidsaanbod houdt ons op een niet-inflatoir groeipad, als alles goed gaat. Binnen ons belangrijkste afzetgebied - Europa - blijft onze handel gevrijwaard van valutarisico’s. Zelfs enige groeivertraging zal ons niet in botsing brengen met Emu-criteria, ondanks de dubieuze bezuinigingen en financieringsbronnen. Je kunt wel zeggen dat het beter ware geweest het smeergeld voor de belastingherziening te reserveren voor slechtere tijden. Maar onderhandelaar Bolkestein bevestigt zijn eigen stelling: je kunt net zo goed van een hongerige hond vragen om een voorraad worst aan te leggen als aan een politicus om af te zien van electoraal interessante cadeautjes uit de schatkist.
AL MET AL hebben wij geen grote behoefte aan een andere wereld. De wereld vindt dan ook zijn plaats in het laatste hoofdstuk van het regeerakkoord. De beschouwing over Europa is zo vlak dat het polderlandschap zelfs iets avontuurlijks krijgt. En tegelijkertijd is zij onthullend: 'Centraal staat hierin: een goed functionerende Interne Markt, een open handelspolitiek ook ten behoeve van ontwikkelingslanden, een stabiele euro en het tegengaan van concurrentievervalsing. Een voltooide monetaire unie staat garant voor een sterke eenheidsmunt en verbetering van het Europese concurrentievermogen. De interne markt en de monetaire unie maken de lidstaten onderling afhankelijker in hun beleidsvorming. Daarom is een adequate coördinatie van het financieel-economisch beleid, het structuurbeleid en het werkgelegenheidsbeleid, mede gedragen door de sociale partners, geboden.’
Kortom, Europa is een gemeenschappelijke markt, waarbij enige onderlinge afstemming tussen de deelnemende landen nu eenmaal onvermijdelijk is. Geen woord over een Europese missie om die typisch Europese sociale markteconomie te beschermen, fiscale en sociale concurrentie tegen te gaan en als grootste handelsblok de wereldmarkt aan sociale en ecologische banden te leggen. De Europese kosten krijgen meer aandacht dan de Europese kansen. De Europese paragraaf kan in elk geval voor Bolkestein niet de reden zijn geweest om af te zien van Buitenlandse Zaken.
Pragmatisch en provincialistisch, dat is Paars in polderland. En zo hebben de kiezers het ook gewild.
En toch is dat slechts één kant van het politieke profiel van de geprolongeerde coalitie. De andere kant wordt geleidelijk zichtbaar, naarmate Paars(III dichterbij komt.
De vraag wordt dan dringender: is Paars een permanent stembusakkoord, of sterker nog: een eigenstandige politieke beweging? De enige werkbare coalitie, belaagd door een diffuse regenboog van oud en nieuw rood, groen en blauw? Of getuigen de lange formatie en het gedetailleerde regeerakkoord van veel diepergaande tegenstellingen dan in de verkiezingscampagne werden blootgelegd? Dan krijgt de alternatiefloosheid van Paars voor PvdA en VVD de gezelligheid van twee in een cel. En dan wordt de voorspelling van Kok in zijn Den Uyl-lezing voor beide een bevrijdend perspectief.