Ethisch consumeren De toekomst van Fairtrade

‘De weg van Max Havelaar werkt niet’

De markt voor eerlijke handel is verdeeld. Steeds meer keurmerken komen op en Fairtrade, het oudste keurmerk, krijgt steeds vaker kritiek. ‘Als je serieus iets wil bereiken, kun je grote plantages niet uitsluiten.’

De felgroene bladeren steken helder af tegen het grijs van de laaghangende wolken. Zo ver je kunt kijken slingeren theeplanten zich in ringen om de heuvels heen. Hier en daar zoekt een theeplukker zijn weg door de heuphoge struiken. Zo gaat het bijna zevenhonderd hectare lang door, op de theeplantage van Dayeuhmanggung op West-Java. Dagelijks wordt er 25.000 kilo aan verse bladeren geplukt, die in de bijbehorende fabriek verwerkt worden tot vijfduizend kilo droge thee.

In de fabriek hangen overal bordjes met regels, aanwijzingen en tekeningen van de kortste route naar buiten. Verboden te roken, staat er. Pas op met bestrijdingsmiddelen. Op een prikbord hangt een poster met een afbeelding van Spiderman, met daaronder de aanmaning om – net als hij – de beschermende kleding niet te vergeten. Sinds de plantage drie jaar geleden thee met een utz-keurmerk begon te produceren, zijn de regels strenger geworden. Rechten van werknemers zijn beter beschermd, en de effecten van de productie op milieu en leef­omgeving worden zoveel mogelijk beperkt. Voor nu, maar ook voor de lange termijn.

Plantage-manager Umar Hadi Kusuwa rijdt over een gruisweg tussen de velden vol theeplanten. Hij stopt, stapt uit en wijst op een constructie van trapsgewijs opgestelde, houten bakken. ‘We maken nu onze eigen compost’, zegt hij. ‘De grond is hier kwetsbaar, er is veel erosie. Dat betekent dat we goed voor de bodem moeten zorgen, anders kunnen we er later geen thee meer op verbouwen.’ Hij wijst ook op de bomen, die om de vijf meter tussen de theeplanten staan, op de bossen die rondom de plantage zijn aangeplant. Allemaal bedoeld om de grond vast te houden en te beschermen.

Hadi Kusuwa vertelt: ‘utz vraagt veel van ons, maar ik ben ervan overtuigd dat uiteindelijk iedereen profiteert van productie onder de vleugels van een keurmerk als utz. Als plantage krijgen we een stevigere economische positie, omdat we meer kunnen vragen voor een beter product. De manier waarop we werken is nu minder belastend voor het milieu, en beter voor de mensen die hier werken. Werknemers dragen bijvoorbeeld verplicht beschermende kleding, hun gezondheid wordt regelmatig gecontroleerd en ze krijgen goed eten.’

Tijdelijke werkkrachten hebben nu dezelfde rechten als medewerkers in vaste dienst. Hadi Kusuwa wijst op een klein dorpje in een dal, verborgen tussen de dichtbegroeide heuvels, dat speciaal voor plantagewerknemers gebouwd is. Ook seizoensarbeiders mogen er wonen. Hadi Kusuwa kijkt er ernstig bij. ‘No discrimination.’

UTZ Certified is een relatief jong keurmerk, een van de vele die in de afgelopen tien jaar werden opgericht. Voor die tijd was Fairtrade – afgekort flo, maar in Nederland beter bekend onder de naam Max Havelaar – lang de enige speler in de markt van eerlijke handel geweest. Maar al langere tijd worden er kanttekeningen gezet bij de opzet en de werkwijze van Fairtrade. Nieuwe keurmerken als utz omarmen de doelstellingen van Fairtrade, maar hebben andere ideeën over de uitvoering ervan. Belangrijkste punt van kritiek: het systeem steunt te veel op idealisme, en trekt zich te weinig aan van marktwerking. Zo’n systeem kan zich niet staande houden in de huidige economie.

In de Verenigde Staten kwamen die verschillende opvattingen eind 2011 met elkaar in botsing. Uit onvrede met de internationale richtlijnen splitste Fair Trade USA zich af van flo, en zorgde zo voor een scheuring in de beweging. Ook in Nederland speelde precies die onvrede een rol toen Solidaridad, een van de organisaties die ooit aan de wieg van Max Havelaar stonden, al in 2001 besloot om utz te gaan ondersteunen. Zowel utz als Fair Trade USA zegt in de veranderende economie geen toekomst te zien voor het concept van eerlijke handel zoals dat 25 jaar geleden door Stichting Max Havelaar is uitgedacht.

Die stichting werd een kwart eeuw geleden opgericht vanuit de overtuiging dat boeren in ontwikkelingslanden beter geholpen zijn met toegang tot de internationale markt en een eerlijke prijs voor hun producten dan met ontwikkelingshulp. De Nederlandse organisatie zette een systeem op voor wereldwijde, eerlijke handel als vorm van armoedebestrijding. Het bijbehorende keurmerk dat in het leven werd geroepen, garandeerde dat de boer een eerlijke prijs voor zijn product had gekregen. Vanaf het begin lag de nadruk op steun aan kleine boeren, verenigd in coöperaties. Het Max Havelaar-model kon hun de zekerheid bieden van een minimumprijs om de productiekosten te dekken, en stelde daarnaast een Fairtrade-premie ter beschikking aan de coöperatie, uitbetaald per verkocht gecertificeerd product. Die premie moest, en moet nog altijd, besteed worden aan voorzieningen van algemeen nut, zoals infrastructuur, educatie of gezondheidszorg. Want Fairtrade houdt ook nu nog vast aan de vroege uitgangspunten van Stichting Max Havelaar.

De lancering van het Max Havelaar-keurmerk, in 1988, kan als een omslagmoment gezien worden. Dankzij Max Havelaar waren eerlijk geproduceerde en verhandelde artikelen in de supermarkt te koop. De keuze om met de aankoop van een beter, verantwoorder product de kleine boer te ondersteunen, was aan de consument. En die keuze was nog nooit zo gemakkelijk geweest. ‘We boden een alternatief voor Douwe Egberts-koffie’, vertelt Nico Roozen, die vanuit Solidaridad bij de oprichting van Max Havelaar betrokken was. ‘Dat bedrijf zagen we toen als de grote schurk.’

Als mede-oprichter had Roozen hoge verwachtingen van Max Havelaar. Maar het marktaandeel bleef beperkt, en het verduurzamen van de markt ging Roozen te traag. Hij sprak met bedrijven over die tegenvallende cijfers, en kreeg te horen dat zij best wilden investeren in eerlijke en duurzame productie, maar niet onder de vlag van Max Havelaar. Grote koffiebranders gaven bijvoorbeeld aan dat ze het systeem van certificering en controle te duur vonden. Ze maakten ook bezwaar tegen het principe van een minimumprijs, omdat die boeren niet zou stimuleren om in de kwaliteit van hun oogst te investeren. En misschien wel de belangrijkste reden om het keurmerk niet te willen dragen: bedrijven wilden best investeren in duurzaamheid, maar ze wilden hun primaire positie als merk niet door een keurmerk voor eerlijke en duurzame handel laten overschreeuwen.

‘Mensen willen Douwe Egberts-koffie’, zegt Roozen. ‘Niet eens per se omdat het beter is, maar het gaat om het merk, om de beleving. Het waren schokkende gesprekken. Ik sprak met mensen die het eens waren met mijn duur­zaamheidsideeën en met alles wat ik maatschappelijk wilde doen, maar ze zeiden letterlijk: ‘De manier waarop je het georganiseerd hebt, werkt niet.’

Het was volgens Roozen hét moment geweest om het systeem van Fairtrade te hervormen. Niet alleen koffiebranders, maar steeds meer bedrijven werden zich bewust van de noodzaak van duurzame productie. Want het werd steeds duidelijker dat toekomstige schaarste op de loer ligt als er niet geïnvesteerd wordt in werk­nemers, productie-omstandigheden en bodemkwaliteit. Nieuwe generaties nemen de boerenbedrijven van hun ouders dan niet meer over. Was Max Havelaar nog een eerste stap geweest om duurzaamheid regulier te maken, vanaf eind jaren negentig werd maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) een interne eis: bedrijven legden zichzelf nu op om duurzamer te gaan produceren.

Roozen had de strategie van Fairtrade aan die ontwikkelingen willen aanpassen. ‘Als grote bedrijven willen verduurzamen kun je als fairtradekeurmerk niet meer vasthouden aan de groep van kleine boeren, want een groot bedrijf heeft een bredere producentenbasis nodig. Als je serieus met grote merken iets wil bereiken, kun je grotere plantages niet uitsluiten. En waarom zou je ook onderscheid maken in schaalgrootte? Duurzaamheid moet juist in de hele economie spelen.’

Maar het lukte niet om Fairtrade te hervormen, en in 2001 trad Solidaridad onder leiding van Roozen toe tot het door Ahold opgerichte keurmerk UTZ Kapeh, dat later UTZ Certified ging heten. Roozen zit er nu zelf in het bestuur. ‘Het werd mij, als oprichter van Max Havelaar, heel erg kwalijk genomen dat ik overstapte. Maar voor mij was het zo logisch. De economische context was veranderd, maar Fairtrade was niet bij machte om zich te vernieuwen en die ontwikkeling op te pakken.’ Roozen schrikt er niet voor terug te benoemen wat er schort aan het systeem van Max Havelaar en flo, maar steekt de hand ook in eigen boezem: ‘Dit is zelfkritiek. Ik heb dit ooit allemaal zelf bedacht, als jongeman van 29, op mijn zolderkamer. Het is zo willekeurig geweest. Deze kritiek is een kwestie van voortschrijdend inzicht: de weg van Max Havelaar werkt niet.’

Het is kritiek die vaker klinkt: het systeem van Fairtrade zou efficiënter kunnen zijn. Dat beweren niet alleen andere keurmerken, maar ook journalisten en wetenschappers. Ruerd Ruben, hoogleraar ontwikkelingseconomie aan de Radboud Universiteit Nijmegen, heeft verschillende onderzoeken gedaan naar de invloed en effectiviteit van Fairtrade. In 2009 concludeerde hij in een onderzoek naar koffieboeren in Peru en Costa Rica dat de directe gevolgen van Fairtrade-certificering voor hen beperkt zijn. Hun inkomen blijkt nauwelijks hoger te liggen dan dat van hun ongecertificeerde collega’s, terwijl zij eigenlijk een hogere prijs voor hun producten zouden moeten krijgen. Daar komt bij dat een Fairtrade-boer meer productiekosten maakt. Als het om het inkomen van boeren gaat, kan Ruben zich dus vinden in de kritiek dat Fairtrade-boeren niet per se beter af zijn dan reguliere boeren. ‘Probleem is dat vaak maar een deel van de oogst daadwerkelijk als gecertificeerd product verkocht kan worden. Ten opzichte van het aanbod is er niet genoeg vraag.’

Maar er zit nog een andere kant aan het Fairtrade-verhaal. Behalve directe gevolgen van Fairtrade-certificering op het inkomen van de boer is er ook sprake van indirecte gevolgen. En die zijn volgens Rubens onderzoek wél aanzienlijk. Veel belangrijker dan een hoog inkomen – waarin de gegarandeerde minimumprijs alleen kan voorzien als producten ook daadwerkelijk als Fairtrade-producten verkocht worden – blijkt de zekerheid van inkomen te zijn. Want wie een contract heeft met een afnemer, kan bijvoorbeeld gemakkelijker een lening afsluiten, en dat is weer essentieel voor de kwaliteit van de volgende oogst. Ruben: ‘Je kunt pas intensiever produceren als je ook kosten kunt maken.’ Fairtrade-boeren durven risico’s te nemen, langetermijninvesteringen te doen en ze hebben een betere onderhandelingspositie dan reguliere boeren doordat ze verenigd zijn in coöperaties. Zo gaan zij er wel degelijk op vooruit, al laat die vooruitgang zich niet direct uitdrukken in inkomensverschillen.

Ook Peter d’Angremond, directeur van Stichting Max Havelaar, benadrukt dat Fairtrade verder gaat dan verbetering van het inkomen van de boeren. Hij trekt dan ook zijn wenkbrauwen op als hem gevraagd wordt of het Fairtrade-systeem in de huidige vorm nog toekomst heeft. Juist Fairtrade kan de kleine boeren bereiken, zegt hij, en daar is het om te doen. ‘Dat is niet alleen de groep die het sterkst wordt getroffen door de armoedeproblematiek, maar deze boeren zijn ook een belangrijke factor als het gaat om voedselzekerheid. Van gewassen als koffie en cacao wordt rond de tachtig procent geproduceerd door kleine boeren. Juist zij zijn waanzinnig belangrijk voor de toekomst. De grootste kracht van Fairtrade is misschien wel dat we die boeren vervolgens bij elkaar brengen in coöperaties. Daardoor worden ze samen veel sterker in de handelsketen dan ze alleen zijn.’

Inmiddels beperkt Fairtrade zich niet meer tot kleine boeren, maar van de zeventienhonderd producten met een Fairtrade-keurmerk wordt het overgrote deel (75 procent) nog wel geproduceerd door kleine boeren. Uitzonderingen op die regel worden alleen gemaakt voor producten die vrijwel uitsluitend op grote plantages verbouwd worden, zoals bananen. Kleine boeren moeten bij de wereldhandel betrokken worden, werd al bij de oprichting in 1988 vastgesteld, en dat is nog altijd een prioriteit.

Juist doordat andere keurmerken wel veel met grote plantages werken, hebben zij in korte tijd sterk kunnen groeien. Dat geldt voor utz, maar ook voor Rainforest Alliance (dat een sterkere nadruk op milieubeleid legt) en bedrijfskeurmerken als het AAA-label van Nespresso en C.A.F.E. Practices van Starbucks. Al die keurmerken komen rechtstreeks voort uit het bedrijfsleven, en daar is hun werkwijze ook naar. Zij geven de boeren trainingen hoe ze hun opbrengst kunnen vergroten en verbeteren, en hoe de internationale markt werkt. Boeren ontvangen geen minimumprijs, maar krijgen de instrumenten aangereikt om zelf een betere marktpositie en een eerlijke prijs af te dwingen met producten van hoge kwaliteit. De boer wordt gezien als agrarisch ondernemer. Voor plantagemedewerkers geldt ook dat zij binnen het systeem voor zichzelf moeten opkomen. utz bepaalt bijvoorbeeld niet de hoogte van het loon van werknemers op Dayeuhmanggung, maar zorgt dat er een klachtenprocedure is en dat arbeiders het recht hebben zich te verenigen in een vakbond.

De fabriek van Dayeuhmanggung verwerkt ook de thee van een coöperatie van 454 boeren met utz-certificering uit de regio. ‘Veel boeren vinden de overstap naar gecertificeerde productie heel moeilijk’, vertelt Aryo Danang, onderzoeker bij Business Watch Indonesia, de organisatie die utz vertegenwoordigt in Indonesië. ‘De meeste boeren zijn niet gewend een administratie bij te houden, maar als je een keurmerk draagt, moet alles wat je doet controleerbaar zijn. Ook zijn veel boeren zich niet bewust van bijvoorbeeld de gezondheidsrisico’s van pesticiden. Ze dragen geen beschermende kleding, slaan de chemicaliën op naast het voedsel, en gebruiken de jerrycans van de bestrijdingsmiddelen later weer om drinkwater in te doen. “Wij worden toch niet ziek?” zeggen ze dan. Aan het begin zijn de resultaten ook nog niet zichtbaar, en dan hebben ze het idee dat het utz-keurmerk hen vooral heel veel kost. Wat het oplevert, is niet altijd gelijk duidelijk.’

Maar na drie jaar beginnen de boeren van de coöperatie resultaat te zien. Voorheen konden ze hun thee regelmatig niet aan de fabriek van Dayeuhmanggung verkopen, omdat hun product niet aan de kwaliteitseisen voldeed. Onder de vleugels van utz, met dank aan de trainingen, is de kwaliteit van hun oogst flink verbeterd, en is de hoeveelheid thee die de fabriek van de coöperatie wil afnemen in drie jaar tijd met 57 procent toegenomen.

Voor de plantage van Dayeuhmanggung ligt dat gecompliceerder. Plantagemanager Hadi Kusuwa pakt er een dik verslag bij, en wijst op een rij getallen die de opbrengst van de plantage weergeven. Ondanks de inspanningen om een beter werkklimaat en een vruchtbaardere bodem te creëren, is de oogst hier na drie jaar certificering nauwelijks gegroeid. De investeringen die gedaan zijn, moeten zich op de lange termijn terugbetalen. Daarbij komt dat Dayeuhmanggung, en dus utz, ook met een certificatie-overschot kampt. Cijfers zijn niet openbaar, maar volgens Business Watch Indonesia wordt maar ongeveer de helft van de in de fabriek verwerkte thee daadwerkelijk als utz-thee verkocht. Voor de producent maakt dat een groot verschil, want die loopt daardoor de tien tot vijftien procent hogere prijs voor gecertificeerde producten mis, terwijl hij wel hogere productiekosten moet dragen.

De op marktwerking gebaseerde aanpak van keurmerken als utz staat vrij ver af van de oorspronkelijke uitgangspunten van Fairtrade. Sommige nieuwe keurmerken zien hun eigen strategie als een volgende stap in de verduurzaming, en Fairtrade als een gepasseerd station. Maar op de vraag of Fairtrade zijn beste tijd gehad heeft, antwoordt onderzoeker Ruben resoluut: ‘Nee.’ Hij legt uit dat het keurmerk zeker een toekomst heeft, maar dan moet het zich wel exclusief richten op de groep van de armste boeren. ‘De markt bestaat nu eenmaal uit verschillende segmenten, en Fairtrade is heel goed in het organiseren van de allerarmste boeren, helemaal aan de onderkant van de markt. Een keurmerk als utz kan die boeren niet bereiken. Dat valt hen niet te verwijten, maar het gaat wel om een belangrijk deel van de markt.’ Ruben zou de verschillende keurmerken graag zien samenwerken, ieder op zijn eigen terrein en met een eigen missie: Fairtrade voor de allerarmsten, utz voor boeren met duidelijke economische potentie. Bedrijfskeurmerken stellen hogere eisen aan smaak en kwaliteit, dus die zoeken hun boeren vanzelf in een hoger segment.

Peter d’Angremond van Stichting Max Havelaar benadrukt dat de eerste stappen naar een samenwerking tussen utz, flo en Rainforest Alliance al in 2011 zijn gezet. ‘Ik denk ook dat de verschillende systemen complementair zijn’, zegt hij. ‘Fairtrade is echt vanuit de boeren ontwikkeld, en utz – en dat zeg ik met alle respect – veel meer vanuit de industrie. Dat zijn twee manieren om tot dezelfde belangrijke ontwikkelingen te komen. De slag naar verduurzaming die we moeten maken is zo groot dat er ook wel meerdere initiatieven nodig zijn. Dat kan geen organisatie in haar eentje. Het is echt zonde van de energie om een strijd tussen verschillende keurmerken te voeren. Ik investeer die energie liever in een beter bestaan voor boeren.’

D’Angremond verwijst naar utz-plantage Dayeuhmanggung en de bijbehorende coöperatie in Indonesië, om duidelijk te maken waarom aandacht voor kleine boeren zo belangrijk is. ‘In het algemeen hebben plantages meer kennis en meer mogelijkheden om te investeren dan kleine boeren, waardoor hun kwaliteit beter is en de opbrengst groter dan bij kleine boeren. In termen van ontwikkeling maken die kleine boeren dan ook de grootste sprong als ze een keurmerk gaan dragen, en daar kun je dus echt een verschil maken. In 2010 was het volume gecertificeerde koffie van utz en Fairtrade vrijwel gelijk. Bij utz werd dat volume geproduceerd door ongeveer 150.000 boeren, en bij Fairtrade door 550.000 boeren. Daarmee is de één niet goed en de ander slecht, maar als je kleine boeren in een achterstandssituatie de middelen wil geven om verder te komen, dan lever je daar via Fairtrade veel directer een bijdrage aan.’

Het is de rol die Fairtrade past, zegt Ruben. ‘Dan moet Fairtrade bereid zijn de rol van wegbereider op zich te nemen. Het keurmerk zou een opstap kunnen worden naar andere keurmerken, en zij zouden dan ook de vlag moeten uithangen als een van hun coöperaties vervolgens geaccepteerd wordt bij bijvoorbeeld Starbucks.’ Liefst zou Ruben zien dat Fairtrade zich in de toekomst ook nog op specifieke regio’s gaat toeleggen. ‘Als er in een gebied met honderd coöperaties maar twee Fairtrade-coöperaties zijn, profiteren alleen die twee van het systeem. Als Fairtrade bijvoorbeeld 35 procent van de markt in een bepaalde regio in handen heeft, zie je grote uitstralingseffecten naar de andere producenten. Handelaren gaan dan ook aan de overige coöperaties een hogere prijs betalen.’ Logistiek en financieel zou het daarom verstandig kunnen zijn om gedurende een periode van bijvoorbeeld vijf jaar zwaar te investeren in een grote groep boeren binnen één gebied. Indirect is de invloed van een keurmerk voor eerlijke handel dan uiteindelijk groter.


Fairtrade

Solidaridad was in 1988 een van de grondleggers van het Max Havelaar-keurmerk voor eerlijke handel tussen boeren in ontwikkelingslanden en consumenten in het Westen. Er werden standaarden vastgesteld voor productie, verdiensten, arbeidsomstandigheden en milieubeleid, die sinds 1997 worden bewaakt door de internationale Fairtrade Labelling Organisations (FLO). Inmiddels is Fairtrade in 24 landen actief. De nationale keurmerkorganisaties in die verschillende landen maken allemaal gebruik van hetzelfde blauwgroene label. In sommige landen dragen ze nog altijd de naam Max Havelaar, in andere landen heten ze Fairtrade, met de naam van het land erachter. Om verwarring te voorkomen, wordt Fairtrade met een hoofdletter in dit artikel voor de internationale tak van Max Havelaar gebruikt, en fairtrade met een kleine letter voor het concept van eerlijke handel dat behalve door Max Havelaar ook door andere keurmerken wordt uitgewerkt. Peter d’Angremond van Stichting Max Havelaar benadrukt dat keurmerken als UTZ en Rainforest Alliance ‘niets op papier hebben staan dat een eerlijke betaling garandeert’.


Stijgende verkoop

Begin deze maand publiceerde Fairtrade een onderzoek naar de ontwikkeling van de markt voor ethisch verantwoorde producten. Uit het onderzoek, uitgevoerd door NCDO, bleek dat mensen steeds meer en steeds vaker fairtrade-producten kopen. De wereldwijde verkoop van koffie met een UTZ-keurmerk groeide maar liefst met 38 procent en keurmerkcacao zelfs met 178 procent. Het merk­aandeel UTZ is nergens groter dan in Nederland, waar het vijftig procent is.