De prijs van een mensenleven in tijden van zorgschaarste

De weggemoffelde dood

De zorg kost wat de zorg moet kosten, zeiden we vóór corona. Hoelang houden we dat vol nu zorg schaars wordt? Over de doofstomme jacht op het eeuwige leven en het nationale ongemak bij het laatste leven vóór de dood.

Luister naar dit artikel

Niet dat ik het mijn hoogbejaarde dorpsgenoot op zijn driewieler (model James Dean) misgun. Van mij mag iederéén honderd worden. Maar waarom moet een hardhorende en halfblinde geschiedenisleraar van ver in de negentig per se als eerste het coronavaccin krijgen?

Waarom hij?

Waarom ik niet?

Nee, ik dring niet voor in de prikstraat. Ik ben een man van 61 met wat ze ‘onderliggend lijden’ noemen. Maar als de Oxford-vaccins straks worden uitgedeeld, die geloofsbrieven voor een min of meer normaal leven waarin je naar het theater mag en onder een straalkachel van café de Oude Wacht een vriend innig omhelst die je al te lang niet hebt gezien – als mijn jaargang bij de huisarts een spuitje AstraZeneca mag laten zetten, hoef ik niet vooraan te staan.

Ik verdien dat niet. Het komt mij niet toe. Te onstuimig geleefd, te onbesuisd gewerkt, te veel plezier gemaakt.

Als Covid-19 mij in de derde of vierde golf op de valreep nog te pakken krijgt, hoop ik net genoeg waardigheid aan de dag te leggen om niet te gaan jammeren wanneer de intensive care tot het laatste bed bezet blijkt. Dan slik ik iets weg en laat mijn beurt voorbij gaan.

Zoiets beslis je niet uit louter naastenliefde. Je taxeert je opties. De kans dat ik kiplekker uit een coma ontwaak nadat ik weken op mijn buik aan een moderne ‘ijzeren long’ heb gelegen, lijkt mij niet bijzonder groot. In het gedrang, stel ik mij voor, sta ik ‘mijn’ zuurstof af aan een jongere lotgenoot met een gunstiger prognose. En dan ga ik naar huis.

Zo zou het moeten. Maar of ik dapper genoeg zal zijn? Ik ben daar niet zo zeker van.

Die twijfel neemt toe naarmate het gemuteerde, Zuid-Afrikaanse virus – dat ik volg alsof het een track-and-trace-pakketje van PostNL is – dichterbij sluipt. Het vergroot mijn ‘onderliggende’ angst en aarzeling, na tien jaar parkinson. Ik stotter en stamel, ik haper en wankel. Al driekwart jaar beweeg ik zo weinig dat mijn beenspieren geslonken zijn tot sneue peesjes en mijn billen aan mijn onderrug hangen als uitgezakte oogleden. Bij benadering weet ik hoe dit afloopt. In één woord: lullig.

Op een dag – het kan morgen zijn maar ook nog jaren op zich laten wachten – beland ik in een rolstoel, tenzij mijn falend hart er al eerder de brui aan geeft.

Of ze mij dan nog moeten reanimeren?

Liever niet.

Laat mij maar gaan.

—————

Ook als je de longkanker of hersenbloeding vooral aan je ongezonde levensstijl te danken hebt, aan een laaiend bestaan waarin je waarschuwingen in de wind sloeg omdat je werkelijk dacht dat je eeuwig zou leven, ook dan draai je daar niet alleen voor op als je elke dag een wijkverpleegster nodig hebt die je komt wassen en je prak opwarmt.

Ons zorgstelsel heet een van de beste in de wereld te zijn. Het is ook een van de duurste. Dit jaar kost het honderd miljard euro. Dat financieren we voor het grootste deel uit de collectieve middelen, met belastinggeld dus. Daarmee hebben we een solidair zorgstelsel gebouwd: afgezien van wat afrondingsverschillen worden we allemaal op dezelfde, egalitaire wijze geholpen aan een rammelend hart.

De vraag is hoelang we dat volhouden. Volgens de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2018 van het rivm zullen we in 2040 174 miljard euro besteden aan de zorg. Waar een modaal gezin nu bijna een kwart van het inkomen kwijt is aan zorgpremies en belastingen voor de zorg kan dat volgens het Centraal Planbureau oplopen tot bijna de helft van het gezinsinkomen in 2040. De vraag is of we dat dan nog kunnen en willen opbrengen, of de zorg betaalbaar en ‘houdbaar’ blijft.

Een derde van de kostenstijging schrijft de Toekomstverkenning toe aan de vergrijzing: meer ouderen die nog ouder worden, een trend die pas over twintig jaar afvlakt en in 2060 stopt; dan vergrijzen we niet verder – maar als we geen ‘houdbare’ oplossing bedenken, zakt het stelsel decennia eerder al door zijn hoeven.

Nu gaat tien procent van het nationale zorgbudget naar de zorg voor 280.000 ouderen met dementie – dat zijn er ruim vijf keer zo veel als in 1950. Over 25 jaar zullen er een half miljoen mensen met dementie zijn. Tenzij we er als de sodemieter verpleeghuizen bij bouwen, komen we straks bedden tekort, om nog maar te zwijgen van ‘handen aan het bed’.

Waarom we almaar grijzer en ouder worden? Omdat het kan. We rekken ons bestaan met medische technologie, betere hygiëne en steeds slimmere pillen. Corona drukt de levensverwachting volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek wel, maar dat dipje zal snel goedgemaakt worden.

Gemiddeld worden we nu ruim tachtig. Dat is twee keer zo oud als twee eeuwen terug en tien jaar meer dan in 1950. Wat toen stokoud was, en de leeftijd om ‘vader’ onder te brengen in een bejaardentehuis, is nu de levensfase waarin je met je nieuwste lief gaat ‘latten’ en in een camper door Bolivia trekt.

Heel oude mensen overlijden uiteindelijk ook, zij het anders dan hun ouders. Hartkwalen en kanker – waaraan je voorheen ter plekke stierf of in elk geval vrij vlot – worden als voornaamste doodsoorzaak ingehaald door dementie. Daar ga je ook dood aan, alleen langzamer.

Zo hebben we ook het sterven weten te rekken, de aftakeling die maar duurt en duurt, waarin we met meer ouderen zijn en toch steeds eenzamer worden, aan meer chronische aandoeningen tegelijk lijden (‘multimorbiditeit’), en minder mantelzorgers meer ‘informele zorg’ moeten leveren.

Je zou de vergrijzing en de gevolgen – een zorgstelsel dat dreigt te kapseizen – ook kunnen toeschrijven aan het menselijk tekort, la condition humaine. We kunnen maar niet accepteren dat het leven eindig is, en streven geobsedeerd naar het eeuwige leven.

Zijn we te gulzig geweest? Realiseerden we ons werkelijk niet welke verwoestingen neurodegeneratieve en ongeneeslijke ouderdomsziektes als alzheimer, parkinson en als zouden aanrichten, en welke wissel de epidemie van dementie zou trekken op de zorg?

In de verzorgingsstaat bestond geen schaarste, of wilden we er niet van weten. De zorg kost wat de zorg moet kosten, heette het. We hadden het geweldig voor elkaar.

Zelfs zo tevreden waren we, dat we ons amper konden voorstellen dat een zoönose, op een wet market van vleermuis op mens overspringend virus, ons zou bereiken.

‘Doe niet zo raar. Dat Wuhan ligt diep in China.’

Die hoogmoed hielden we vol toen een bergdorp in Lombardije werd afgesloten van de buitenwereld.

‘Kom nou toch. Je hebt het wel over Italië.’

We maakten ons niet druk.

We vierden carnaval.

En hosten ons een infectie op de après-ski.

We kunnen maar niet accepteren dat het leven eindig is. Zijn we te gulzig geweest?
—————

Op 27 februari 2020 werd in Loon op Zand de eerste besmetting met sars-CoV-2 vastgesteld. Een week later, op 5 maart, viel in Rotterdam de eerste dode. En op 16 maart, de teller bij het rivm stond op 24 sterfgevallen, hield premier Mark Rutte zijn eerste coronatoespraak op televisie.

Het land was onder de indruk van zijn kordate toon. Bijna alles aan de toespraak klopte. Rutte’s mimiek. Hoe hij naar voren boog. Je moest hem wel vertrouwen.

Pas veel later begrepen we dat Rutte minder blind voer op de wetenschappers van het Outbreak Management Team dan hij ons liet geloven. Hij moest ‘de mensen in het land’ geruststellen en tegelijkertijd mobiliseren. Of dat zou lukken, hing voor een groot deel af van zijn overtuigings-kracht.

Rutte zat ook nog eens klem. Ongevraagd adviseerden wetenschappers hem ‘de korte klap’, de strengst mogelijke lockdown zoals die in sommige totalitaire staten effectief leek. Maar de premier vond zo’n aanpak ondenkbaar in het op persoonlijke vrijheid gestelde en economisch van open grenzen afhankelijke Nederland.

Ook het andere uiterste – niet of nauwelijks ingrijpen – kon Rutte niet verkopen, al probeerde hij nog wel uit te leggen dat de virusziekte vanzelf zou uitdoven als we het onheil ‘gecontroleerd’ over ons heen lieten komen, dat wil zeggen: als we ‘kwetsbare ouderen’ zouden isoleren maar jongeren niet. Wanneer zestig procent van de bevolking antistoffen in het bloed zou hebben, zou groepsimmuniteit het land afdoende beschermen.

Nog geen etmaal later was deze strategie van tafel. Alerte journalisten berekenden op de achterkant van een bierviltje dat er eerst nog tachtigduizend coronadoden zouden vallen voordat zes van elke tien Nederlanders immuun zouden zijn, terwijl Brits onderzoek suggereerde dat die groepsimmuniteit überhaupt geen uitweg bood.

Dat had Rutte er niet bij verteld. Wist de premier het niet? Of had hij de statistische raming niet snel genoeg kunnen omzetten in een concreet beeld, een file op de A2 bijvoorbeeld, een stoet van tachtigduizend lijkwagens?

Hadden de modelleurs van het rivm het de premier wél verteld, maar kon Rutte die tachtigduizend doden voor het oog van de camera plotseling niet over zijn lippen krijgen?

De premier heeft in het afgelopen jaar een rauwe les in massacommunicatie en crisisbeheersing geleerd. Hoe volatiel het vertrouwen van een bang land kan zijn als dat plots begint te hamsteren, op de eerste lentedag uit stadsparken wordt geweerd en ook nog eens verveeld raakt omdat kroegen en grenzen dicht gaan: vorig jaar zomer zou een strengere, minder intelligente, desnoods stupide lockdown nog nageleefd zijn en had het land allicht ook een avondklok geaccepteerd.

Nu leidde die tot wezenloze rellen.

—————

Wereldwijd bezweken in het eerste jaar na de uitbraak in Wuhan 2,3 miljoen mensen, van wie vijftienduizend in Nederland. Wat hebben we van dat jaar geleerd over de dood die ons dwingt tot onverbiddelijke keuzes? Begrijpen we nu hoe je zorgschaarste – van mondkapjes en coronatests tot ic-bedden en vaccins – moet verdelen?

Heel oude mensen gaan van corona het eerst dood, maar waarom zouden we een zestiger niet de tijd van leven gunnen die een man of vrouw van negentig al in ruime mate heeft gehad?

Wie de schaarste verdeelt, streeft naar het optimale rendement, niet voor een individu maar voor iedereen, voor de samenleving. Vanuit dat perspectief draagt een zestigplusser meer bij dan hij kost, in tegenstelling tot een negentigplusser, die ook vaker zal vereenzamen.

De zestigplusser heeft het daar nog te druk voor, terwijl de negentigplusser vandaag nog vitaal lijkt, maar morgen bij een lelijke val met zijn driewieler al zijn broze botten kan breken en overmorgen om euthanasie kan vragen.

Daar hebben we dan een jongere oudere voor afgewezen.

Te hardvochtig, dit, vindt u?

Getuigt het van slechte smaak als je überhaupt over de zorg praat in termen van winst en verlies?

Misschien.

Maar het kan erger.

—————

We zaten midden in de tweede golf, of al aan het begin van de derde, toen coronaminister Hugo de Jonge de eerste spuit met vaccin liet zetten. Andere Europese landen waren hem dagen te snel af.

De nationale ergernis over de slome start tekent niettemin vooral onze naïviteit: behalve Hugo de Jonge leek niemand te beseffen dat de achterstand betekenisloos zal zijn tegen de tijd dat de laatste Nederlander zijn vaccin krijgt.

Ondertussen hebben we te weinig vaccins. Dat leidt tot dringender dilemma’s. Wie redden we, wie laten we – mogelijk – sterven?

We begrijpen best dat zorgverleners voorrang krijgen – we staan bij ze in het krijt. Maar als zij zijn ingeënt, wie zijn er dan aan de beurt?

Hoe kiezen we eigenlijk?

Dit is een variant van ‘triage’: hulpverleners die bij een grote ramp moeten kiezen wie geopereerd zal worden en welke verwondingen zo ernstig zijn dat het slachtoffer hooguit een pijnstiller krijgt en een bemoedigend woord van de geestelijk verzorger.

Gruwelijke beslissingen, regelrechte horror voor de arts die zich afwendt van degenen die er het ergst aan toe zijn, maar met die kille aanpak wel de meeste levens redt.

Volgens het cbs hebben negentigplussers gemiddeld nog twee of drie jaar in goede gezondheid te leven. De doorsnee zestiger kan rekenen op nog tien jaar. Het rendement van het coronavaccin lijkt bij negentigplus dus viermaal groter – maar zo simpel is het niet. De kans dat een negentigplusser aan corona sterft als hij besmet raakt, is volgens het cbs ook ongeveer vier keer groter.

Per saldo maakt het, althans op dit bierviltje, amper uit wie we als eerste helpen. Lood om oud ijzer.

Hoe rechtvaardigen we dit soort keuzes dan?

Mediastrateeg Marianne Zwagerman, columnist bij bnr, riep een storm van verontwaardiging over zich af met de opmerking dat Covid-19 ‘best eerlijk’ te werk ging door ouderen het eerst te treffen. ‘Dor hout’, schamperde Zwagerman.

Dat had ze beter niet kunnen doen. Want het klonk alsof die tachtigplussers alleen maar in de weg zaten.

Als we de eerste naald in de gerimpelde bovenarm van de hoogbejaarde geschiedenisleraar zetten, doen we dat uit compassie. Logisch is het niet – niet als je voorbij het tragische lot van die ene mens vanuit een breder perspectief naar medische ethiek kijkt.

We kennen de dood niet, hooguit hérkennen we hem. Aan het gereutel, aan koude voeten, blauwpaarse vlekken

Als we bij andere medische interventies berekenen hoe effectief ze zijn, beredeneren we hoeveel jaar een patiënt in goede gezondheid wint. Kwakkeljaren tellen voor de helft mee, of minder.

Deze methode stuit velen tegen de borst. Nog niet zo heel lang geleden was het in politiek Den Haag not done om in een debat over euthanasie ook de kosten van de zorg te betrekken: men zou eens op het idee kunnen komen dat ouderen in Amsterdam hun leven niet zeker zijn omdat we ze te duur vinden. Toch kijken we al zeker twintig jaar naar wat een medicijn of medische behandeling kost en wat het de patiënt oplevert aan gezonde levensjaren. Dat rendement drukken we uit in qaly’s, oftewel Quality-Adjusted Life Years.

Hoogleraar bestuurskunde van veiligheid Ira Helsloot – die al heel lang als een Don Quichot vecht tegen onlogische investeringen in veiligheid – gebruikte de qaly in het chaotische en scherpe debat over de lockdown van Rutte.

Helsloot vindt de maatregelen tegen corona buiten proportie. Om die bewering te staven rekende hij uit hoeveel gezonde levensjaren er door de lockdown behouden blijven. De waarde daarvan zette hij af tegen de honderd miljard die Nederland al uitgaf om de economische gevolgen op te vangen. Al overdreef hij zijn rekensom volgens factcheckers van de Universiteit Leiden, Helsloot had zoals zo vaak wel een punt.

Waarom geven we aan corona per gezond levensjaar enkele tonnen uit – het bedrag, inclusief de economische schade, dat Helsloot volgens de factcheckers wél hard kon maken – als we medicijnen te duur vinden die meer kosten dan veertig- tot tachtigduizend euro? Want dat is de prijs van een gezond jaar in een mensenleven.

We willen het niet weten, suggereerde Helsloot in de Volkskrant. Liever beweert minister De Jonge dat iedere coronadode er één te veel is. Dat snappen ‘de mensen thuis’ wél.

—————

Waarom vinden we het zo lastig hardop na te denken over leven en dood en stoppen we dat ongemak weg onder hypocrisie? Hoe verklaren we de kramp bij artsen die nauwelijks in staat zijn met een ongeneeslijk zieke patiënt een gesprek te beginnen over het levenseinde – wat advance care planning wordt genoemd? En waarom denken politici dat ze de onaangename waarheid – ‘Beste kiezer, we gaan allemáál een keer dood’ – voor zich moeten houden?

Omdat doodgaan in onze samenleving ‘geen optie’ meer is, zoals Zwagerman opperde? Omdat we vinden dat we het recht hebben op een eeuwig leven, zoals oud-vvd-senator Heleen Dupuis stelde in een interview met de NRC? Omdat mensen vooral aan hun eigen belang denken, zoals filosoof Marli Huijer verzuchtte. ‘Je hébt geen recht op een zo lang mogelijk leven. Je hebt het recht om tegen een vroegtijdige dood te worden beschermd. Een jongere die doodgaat omdat er geen plek is op de ic gaat vroegtijdig dood. Iemand van tachtig niet’, zei de voormalig Denker des Vaderlands tegen de NRC.

Rapen gaar. Poppen dansten.

‘We zijn verwend’, concludeerde Dupuis, oud-voorzitter van euthanasievereniging nvve. ‘Het leven moet maakbaar en reparabel zijn. Daar moeten we eens grondig over nadenken. (…) De geneeskunde moet ruimte maken voor de dood.’

Dupuis en Huijer staan niet alleen in dit betoog, al zullen mainstream politici niet snel en plein public erkennen dat iedere coronadode er niet langer één te veel is.

Dupuis tegen de NRC: ‘Zeker nu er verkiezingen aankomen durft niemand dit te zeggen. Neem maar eens maatregelen waardoor iets meer mensen zouden kunnen sterven, dat kunnen ze niet verkopen. Kiezers zullen het niet begrijpen.’

—————

Al jaren schrijf ik over dood en verval. Als mijn lijf dan toch zo’n haast moet maken met aftakelen, peur ik er maar beter een verhaal uit. Soms beklemt me dat, maar meestal is de dood een fascinerend onderwerp, net zo universeel als de liefde, en net zo onbegrepen.

We kennen de dood niet, hooguit hérkennen we hem wel als hij voor de deur staat. Aan het gereutel, aan koude voeten, blauwpaarse vlekken, een open mond en smalle neus, aan de verlamde sluitspier. Ook weten we wat de dood achterlaat. Rigor mortis, een stijf lijk dat binnen een etmaal ontspant, en dan opzet totdat het barst en leegloopt.

Maar waarom dat gebeurt, en waar de persoon is gebleven die zo-even nog met die tachtig kilo knoken, pezen, huid en hersenen samenviel, is een raadsel. Nog geen enkele filosoof, arts of clairvoyante loodgietersleerling heeft er iets over opgemerkt dat hout sneed.

Alle angst is gemaakt van doodsangst, zeggen psychologen. Maar zo alledaags en vertrouwd als die angst was toen we ons er nog een hel bij konden voorstellen, zo beangstigend en dreigend als de pest die eeuwenlang huishield in Europa, zo stug en hardleers zijn we de dood gaan ontkennen.

Nog maar een halve eeuw geleden veranderde Nederland van een devoot en een tikje achterlijk land in een goddeloze natie met woest-progressieve ideeën over leven en lijden, betaalde seks en legale drugs, abortus en euthanasie. Alles werd bespreekbaar, schreef de historicus James Kennedy over de jaren zestig, behalve de dood.

Achteraf kun je zeggen dat we de dood toen bij ‘het nieuwe normaal’ hadden moeten inlijven. Dat durfden we niet. We keken de andere kant op, en speelden stommetje. Doodgaan werd een privé-aangelegenheid, afscheid nemen deed je in kleine kring, waarna we de doden – overigens om hygi-enische redenen – niet langer bij de kerk gingen begraven, maar in een akker voorbij de laatste buitenwijk, aan de uiterste rand van de samenleving.

Zo hebben we de dood weggemoffeld.

Nu we niet langer zoeken naar zekerheden voor het leven ná de dood, claimen we de regie over het laatste leven vóór de dood. Aan de onttovering van het bestaan hielden we het idee over dat niemand anders dan wijzelf iets over ons overlijden te zeggen had. ‘Mijn dood is alleen van mij.’

Dat recht op zelfbeschikking stond aan de basis van de wet die stervenshulp legaliseerde. Maar toen de euthanasiewet in 2001 werd aangenomen en in 2002 van kracht werd, kwam het woord zelfbeschikking er niet in voor, evenmin als het even cruciale begrip ‘menswaardig’.

Dat we zelf kunnen beslissen hoe we doodgaan, is een mythe waarin we willen geloven. Niemand kan een ‘goede’ dood opeisen, niemand heeft het recht op een pijnloos vertrek. Nergens staat geschreven dat je menswaardig moet kunnen sterven.

De meeste mensen die om euthanasie vragen, zeggen dat ze niet mensonwaardig willen sterven, maar dat geeft bar weinig garanties omdat nergens dwingend vastligt wat we onder ‘menswaardig’ moeten verstaan. Het is een lenig begrip dat we meestal definiëren aan de hand van zijn negatie. Je weet wat het is als je het kwijt bent – of wanneer je doodsbang bent dat je het door dementie kwijt zal raken.

En de Hoge Raad dan? Dat hoogste rechtscollege heeft toch uitgesproken dat ook diep demente mensen euthanasie moeten kunnen krijgen? Sloot dat arrest niet naadloos aan bij de opvatting van zestig procent van de Nederlanders?

Volgens de wet moest een patiënt geheel vrijwillig om een zachte dood vragen. De ‘naasten’ hadden daar niets over te zeggen – ze konden zomaar uit zijn op de erfenis. De Hoge Raad maakt het nu wel mogelijk dat ‘de familie’ zich ermee bemoeit. De arts die wil verifiëren of een diep demente mens nog altijd wil sterven, mag te rade gaan bij ‘de naasten’. Maar het blijft zijn beslissing.

Je kunt alles bij de notaris regelen en je lief bij volmacht laten beslissen wanneer elk medisch handelen dient te stoppen – je dood kun je niet delegeren. En als dat wél zou kunnen, blijft het nog maar de vraag wat we ermee opschieten als die naasten helemaal niet betrokken willen worden bij de dood van een ander. Voor zichzelf eisen ze een goede dood, maar ze deinzen terug als ze stervenshulp moeten geven.

Dat euthanasie makkelijker wordt nu een arts niet meer hoeft te vragen of een diep demente patiënt nog steeds dood wil, is een doorbraak. Tegelijkertijd is het arrest een wassen neus, zolang de arts nog ondraaglijk lijden moet vaststellen, wat bij diepe dementie schier onmogelijk is.

Maar de gekste paradox moet zijn dat we al een halve eeuw verhit debatteren over de weggemoffelde dood, dat het taboe nog steeds bestaat terwijl we ons minder generen voor ons ellendige verval en in talkshows bijna gretig vertellen over ons naderend einde.

Als het niet om dat mediagenieke sterven gaat of om de Haagse dood, de dood die je alleen nog even bij meerderheid moet regelen… zodra je moet leven met het wegkwijnen van je demente huisgenoot lijkt het collectieve ongemak nog helemaal intact.

We vallen stil bij de dood die krimpt en rimpelt, de dood die onder je huid kruipt, de dood die je kunt ruiken.

Nu we nadenken over ethische dilemma’s die ontstaan door ‘zorgschaarste’ moeten we ook een nationaal gesprek beginnen over het taboe op aftakeling en dood. Nog nooit heeft een dokter mij geschetst hoe mijn parkinson eindigt en gevraagd hoe ik mijn dood voor me zag.

De meeste artsen zitten nu eenmaal in het vak om de dood tegen te houden en uit te stellen. De goede niet te na gesproken, willen ze liever iets doen dan iets laten. Om dat denken bij te stellen zou het al helpen als medische faculteiten eindelijk het vak ‘levenseinde’ serieus gingen nemen en artsen zouden leren hoe ze een gesprek over doodgaan kunnen beginnen met een ongeneeslijk zieke patiënt.

Op zoek naar ‘houdbare zorg’ wees het rivm erop dat niets zo effectief bezuinigt als preventie. Longkanker bestrijd je het best door het te voorkomen. Dat mechanisme werkt niet tegen de ongewenste gevolgen van ouderdom.

Maar als we accepteren dat de dood bij het leven hoort, krijgen we meer oog voor het leven vóór de dood, voor de kwaliteit ervan. Dat valt te verkiezen boven de halfblinde en doofstomme ratrace op ouderdom waarover we niet meer nadenken, op ouderdom tegen elke prijs.