De wende der dertigers

Tien jaar zijn er verstreken sinds de Muur tussen West- en Oost-Duitsland wegviel. Niets stond een hereniging meer in de weg. Of moeten we zeggen: inlijving? Annemieke Hendriks doorkruiste voor De Groene Amsterdammer de voormalige DDR. Vijf berichten vanuit een samenleving die verwoed zoekt naar het menselijk gezicht van de markteconomie. Deze week deel 1: Dresden-Neustadt, Saksen.

DRESDEN - ‘Toeristen komen hier amper. Die zijn gemiddeld 68 jaar en blijven hangen in de wederopgebouwde Altstadt aan de andere kant van de Elbe. Maar zonder de Neustadt zou Dresden geen stad zijn.’
Erik Tischer, de dertigjarige uitbater van het Jazz Cafe aan de Neustadter Louisenstrasse, krijgt luide bijval van de resterende gasten op dit middernachtelijk uur. 'Het is de enige wijk van Dresden waar te leven valt.’ 'Waar überhaupt leven is.’ 'Cultuur? Waar? In die dode gebouwen drüben, waar ze zoveel geld in stoppen?’ 'Cultuur is iets wat hier en nu gebeurt.’
De late gasten lopen allen tegen de dertig en zijn werkzaam of studerend in architectuur of muziek. Ze wonen welbewust in de Neustadt, de enige oude buurt die min of meer gespaard bleef bij de geallieerde bombardementen op Dresden in 1945. Wanneer ik in het gesprek met hen de term 'voormalige DDR’ laat vallen, moeten ze hard lachen. 'Wij leven allang niet meer in de voormalige DDR. Net zomin als in het voormalige Derde Rijk.’
De ondergang van de DDR kwam voor de Neustadt net op tijd. Anders was de wijk alsnog ingestort, vanzelf of met een duwtje van de staat. De hoge zand- en bakstenen panden in de smalle straten waren uitgegroeid tot oncontroleerbare nissen in het socialistische systeem. Wie de huur in de nieuwe Plattenbau, de zeer gewilde prefab-flats met centrale verwarming, niet kon betalen - en dan moest je wel heel diep gezonken zijn - kwam hier terecht. Maar ook alternatieve gezinnen die ruimte boven luxe stelden, en kunstenaars, dwarse bejaarden, intellectuelen en dromers vonden hun, vaak half-legale, plek in de Neustadt.
Op deze oktoberdag is het precies tien jaar geleden dat zo'n beetje de hele Neustadt in de 'kaarsendemonstratie’ van vijftigduizend mensen meeliep. Die andere Saksische stad, Leipzig, mag dan de heldenrol opeisen van die hete herfst, Dresden had het voorwerk gedaan. De bezoekers van het Jazz Cafe herinneren het zich nog als de dag van gisteren. Een traan wordt weggepinkt. 'De Wende was geil.’ 'Het was de mooiste tijd van mijn leven, elke dag was nieuw.’ 'Daarna, met de Duitse eenheid, was de lol eraf.’ De jongste generatie, die van net twintig, 'dat zijn al echte West-Duitsers’, zeggen ze. 'Die hebben geen pijn in het hart. Ze hebben de speel tuin Neustadt niet meegemaakt, toen er geen bezit was en iedereen cafés en cultuurhuizen opende aan de straat of op het achterhof.’
Wanneer de vrouw in het gezelschap tussen neus en lippen door meldt dat ze onlangs CDU heeft gestemd, kijken haar vrienden verbaasd. Maar ze bestoken haar niet met verwijten, integendeel, er ontstaat onmiddellijk een goed gesprek. 'Gesprek’, 'dialoog’, of, zoals ik al snel leer, 'runder Tisch’, dat was precies waar de kerk zich in die roerige dagen, tien jaar geleden, sterk voor maakte. Dus mag het niet verbazen dat de christen-democraten sinds 1990 de absolute meerderheid hebben in het Saksische parlement en ze het juist ook bij de niet-religieuze jonge kiezers goed doen.
Het Jazz Cafe is een van de vele gelegenheden die opvallen door smaak en eigenzinnigheid. Bij de donkerrode wanden en de zwarte vloer vallen zowel de Bauhaus-stoelen als de oude kerkbanken op hun plek. De muziek deugt en Erik staat uitnodigend achter de bar. Hij blijkt deze ruimte in 1997 in twee maanden tijd in zijn eentje te hebben verbouwd en ingericht. 'Die vloer is mijn trots: Holzpflaster uit een opgedoekte machinefabriek. Ik had architect willen worden, maar omdat mijn ouders destijds actief waren in de kerk werd ik niet toegelaten tot de opleiding.’
In 1990 kon hij eindelijk naar München om er toelatingsexamen voor de hogeschool te doen. 'Maar toen was mijn lust om architect te worden verdwenen. Bovendien kreeg ik geen beurs meer. Ik ben gaan werken als ziekenverzorger en met het geld dat ik had gespaard, ben ik zeven jaar later teruggekomen naar Dresden. Een kroeg leek me een goed idee om mensen te leren kennen. Aan München had ik geen vrienden overgehouden en Dresden was me vreemd geworden. De grootste schok was dat de mensen hier geen geld hadden - nog steeds niet. In de zomer gaan ze met goedkope flessen wijn aan de oever van de Elbe zitten - dat is vervelend als je een café hebt. Maar nu ik twee zomers heb overleefd, denk ik dat ik het wel red.’
DRESDEN MAAKT op het eerste gezicht een suffe indruk. De zuidoever toont de bij toeristen zo populaire skyline van gereconstrueerde klassiekers. In die stenen kolossen heerst echter de stilte van het museum en tussen de gebouwen de stilte van het kerkhof. Vlak achter deze façade beginnen de DDR-flats al, recentelijk aangevuld met nieuwbouwcomplexen die er zo zielloos bij staan dat de stalinistische bouwsels opeens stijl krijgen. De noordelijke Elbe-oever is daarentegen een loom, ongerept weidelandschap. Ook het stuk Neustadt dat hierop aansluit, oogt landerig en ingeslapen, met zijn grote voor- en naoorlogse kantoorgebouwen omringd door onkruid. Pas daarachter begint de eigenlijke Neustadt, de enige wijk met stadsgewoel in Dresden. Deze 'Äussere Neustadt’, zoals de buurt formeel heet, werd gebouwd tussen 1870 en 1910. Op straat liggen de kinderhoofdjes na een regenbui te glanzen in de zon - althans waar ze niet door het staatsantiekbedrijf van de DDR stiekem, in ruil voor deviezen, als sierstenen aan het Westen zijn verkwanseld. 'Ach, wäre ich ein Pflasterstein, ich könnte längst im Westen sein’, dichtte het volk toen het schandaal eind jaren tachtig bekend werd.
Van de pakweg honderd cafeetjes en eettentjes die begin jaren negentig het levenslicht zagen, heeft ongeveer de helft het jaar 1999 gehaald. De Louisenstrasse is de levensader van de wijk. Ze loopt aan één kant vast op het stroompje de Priessnitz. Een aardig spelletje in de Louisenstrasse is per zaak te raden of deze door een ossie of een wessie wordt beheerd. Het knusse Oosteinde aan de beek? Het trendy Blumenau? Het alternatieve Fiasko, met zijn losjes begroeide Biergarten? De döner-kebabtent? Al de horeca in de binnenhoven, die zo speels zijn opgeknapt door de vele jonge bouwkunstmeesters uit de buurt?
In de ruïne van de St. Pauli-kerk aan de rand van de Neustadt speelt het Theater von Unten Friedrich Dürrenmatts Hercules en de Augiasstal. Maar de voorstelling gaat vanavond niet door. In het theater zonder dak hebben drie acteurs in hun dunne Griekse gewaden kou gevat. De tien gezonde theatermakers en spelers zijn aanwezig om te vergaderen. Kleumend nemen ze plaats op de bühne. En ja hoor, onmiddellijk ontstaat er een runder Tisch. Ze hebben het over de uitkomsten van een landelijke enquête, vers uit de lokale kranten: dertien of zelfs twintig procent der wessies wil de Muur terug, maar ook zo'n vijftien procent van de ossies wil weer gescheiden door het leven. Zo ver willen de amateurspelers van het Theater von Unten niet gaan. Zonder de val van de Muur zou het theater, dat begin jaren negentig van start ging als Arbeitslosentheater, niet eens reden van bestaan hebben gehad. Toch verklaart een jongen plechtig: 'Soms verlang ik best wel terug naar de DDR-mens.’ Goedmoedige spot is zijn deel. Maar ook bijval: 'De mensen, die zijn het meest veranderd. Ze hebben andere angsten, en niet bepaald kleiner. Ze hebben Dauerkopfschmerzen.’
'Als ik met wat spijt terugdenk aan de DDR’, zegt regisseur Jörg Berger, 'is het omdat je als theatermaker toen veel meer betekenis had. Er was een dankbaar publiek, dat zich laafde aan de boodschap van het theaterstuk. Nu wil men enkel vermaakt worden en ligt de nadruk op vorm en techniek. Maar zulk theater kost geld, en dat is er niet.’
'De angst voor de Stasi was tenminste te overzien’, vult dramaturge Tanja Wackwitz aan. 'In de DDR zetten we bij elk theaterstuk een rode badkuip midden op de bühne. Daar kwam geheid gedonder van met de autoriteiten. Ondertussen was de aandacht hopelijk afgeleid van de echte scherpe kantjes. Eigenlijk werkte dat gedoe heel motiverend. Je discussieerde tenminste, ook met de staat, over de politieke en de artistieke aspecten van een stuk. Nu zal het iedereen een rotzorg zijn, een rode badkuip.’
Wackwitz (31) woonde tot verleden jaar in een verwaarloosd pand in de Neustadt. 'Zo'n woning bevat vele lagen verf, die woning leeft. Je kent elke centimeter, alles heb je er zelf vertimmerd. Nu zit ik in een gesaneerde woning, een paar straten verderop. Een gesaneerd mens is anders. Die denkt dat hij wat te verliezen heeft. Ik vertrouw tot mijn schrik mijn buren niet. In dat oude huis stonden alle deuren open.’
Ik vertel Wackwitz dat ik die avond naar een Beckett-uitvoering ga in het Projekttheater. Ze reageert sceptisch. 'Directeur Julius, een wessie, is een handige organisator. Hij koopt kunst in. Nu dat stuk van Beckett, in de bewerking door de Amsterdammer Chaim Levano. Maar hij vraagt zich niet af wie daarop zit te wachten in de Neustadt. Hij kent zijn publiek amper. Wij, de echte Neustadters, verantwoorden onze keuzes. Wij gaan altijd, overal, een gesprek met elkaar aan.’
HET PROJEKTTHEATER Dresden had al in juli 1989 een verzoek ingediend om zich in een leegstaand fabriekspandje in de Louisenstrasse te mogen vestigen. Na een administratieve ontmoedigingsstrategie en de daaropvolgende Wende-chaos besloten ze in februari 1990 er maar zonder toestemming in te trekken. Julius Skowronek, de man over wie Wackwitz sprak, lijkt me toch aardig ver-Neustadt. Wanneer ik hem na Levano’s 'hoorstuk’ Gesellschaft aan de bar wat vraag, roept hij: 'Runder Tisch!’ en in een mum van tijd zit ik met tien man publiek en personeel na te praten. Een meisje dat heel vanzelfsprekend is aangeschoven: 'Als je een dag in de Neustadt hebt rondgelopen en je hebt met niemand een gesprek gevoerd, ligt het aan jezelf.’
Dit kringgesprek gaat al gauw over het sociologisch onderzoek in opdracht van de EU dat zojuist onder de titel Arbeiten wie bei Honecker - Leben wie bei Kohl werd gepresenteerd. De titel suggereert dat de nieuwe Bundesbürger voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten. In de media en in de kroegen reageren de Saksen als door een wesp gestoken. Die titel is inderdaad provocerend bedoeld, licht de auteur dr. Thomas Roethe toe in de Sächsische Zeitung. Het volk dankte de DDR vooral aan zichzelf, meent Roethe. Het moet maar eens afgelopen zijn met die softe nostalgie àla 'Wij waren het - onschuldige - volk’. Het volk stak immers altijd zijn kop in het zand, of het nu ging over de verwerking van het fascisme of over bedreigde buurvolkeren zoals de Tsjechoslowaken in 1968. En het volk beschouwde arbeid als sociaal bezig-zijn in plaats van als doelgericht presteren; en nu nog. Die passiviteit moet eens over zijn, betoogt Roethe. Handen uit de mouwen, verantwoordelijkheid nemen!
De boodschap van onderzoeker Roethe komt niet over aan de ronde tafel van het Projekttheater. Alle ossies leggen me uit hoe lief en hoe sociaal het leven in de Neustadt vóór de Wende was. Het kopje suiker in ruil voor gesleutel aan de Trabant, de wijze grootmoeder bij wie je zo graag taart kwam eten en voor wie je boodschappen deed. Op het werk leefde je met elkaar mee - toen wél. 'Het systeem was fout, maar de mensen deugden.’ Ook in de anarchistisch getinte jaren 1989-1995 behield het leven dat sociale stempel. Er vonden grote straatfeesten plaats onder de naam BRN: Bunte Republik Neustadt. Maar in 1995 kwam aan deze periode een eind. Extreem-rechts kwam de feestvreugde bruut verstoren en de politie had nog niet geleerd hoe daarop te reageren. Het imago van de wijk kreeg nog een knauw. De laatste drie jaar is de Neustadt echter weer booming: wekelijks worden nieuwe, chique én alternatieve gelegenheden geopend. Inmiddels zijn wel veel bejaarden en gezinnetjes weggetrokken - tot spijt van de ronde tafel.
DE MENSEN 'DEUGEN’ nog steeds. Ze hebben met veel Selbsthilfe vrouwen-, muziek- en allerhande adviescentra in de wijk opgericht, alsmede woongemeenschappen, buurthuizen, museumpjes, eetcafés en een multifunctioneel Hinterhof-gebeuren. Op al deze plekken zijn dertigers gezellig ouderwets onder elkaar. Het aantal knuffels en complimenten is bij zulk 'samenzijn’ aanmerkelijk groter dan het aantal kritische vragen.
De dertigers hebben ook hun helden. Bernhard Theilmann bijvoorbeeld, een vijftigjarige journalist en zelfverklaarde ex-dissident met grijs haar tot aan zijn middel, en voorts getooid met Jezus-hemd en Marx-blik. Hij is op de Wende-herdenking van vanavond, in een filmtheatertje van DDR-snit, uitgenodigd om zijn mening te geven over de documentaire die we zojuist hebben gezien: Wir machen weiter…: Die Schützes, ein Leben in Deutschland 1989-1999. Het is het trieste relaas van een groenteboerengezin. Als echte Saksen, van oudsher de calvinisten aan de Elbe, staken ze in 1989 optimistisch de armen uit de mouwen. Tien jaar lang probeerden ze op alle mogelijke manieren hun waren aan de man te brengen, om door hun landgenoten - ook de Saksische - telkens weer kopje onder te worden geduwd.
Bernhard Theilmann zet de documentaire in enkele woorden weg: 'De Schützes zijn helemaal niet tragisch.’ Ze hadden zich niet zo moeten uitsloven, betoogt hij, met hun grote auto vervreemdden ze zich van het volk, en bovendien hadden ze zichtbaar een luxe weekend aan dat meer bij München aangeboden gekregen van de West-Duitse filmploeg. Niemand in de zaal waagt het om kritische kanttekeningen te plaatsen bij Theilmanns visie.
Theilmann grijpt de stilte aan om over zijn eigen bewogen leven uit te weiden. Hij dist een Wende-heldenepos zonder weerga op. Hij vertelt hoe hij in de DDR de meest uiteenlopende functies bekleedde, uiteraard enkel om obstructie te kunnen plegen. Hoe hij als langharige voortdurend werd vervolgd. Hoe hij in de Neustadt alle kunstbroeders om zich heen wist te verzamelen en talloze feesten en rondetafelgesprekken met hen organiseerde. Hoe hij zijn toenmalige overbuurman, de later zo omstreden Berlijnse schrijver Sascha Anderson, in de jaren zeventig al als Stasi-spion ontmaskerde. Hoe hij zelf telkens net buiten de gevangenis bleef. En hoe hij na de Wende pas echt als uitschot werd behandeld: 'En dan zegt zo'n westerse socioloog dat we te lui zijn om te werken!’
Omdat Bernhard Theilmann had verteld dat hij al vijfentwintig jaar in Neustadt woont, loop ik achter hem aan naar buiten. Daar stationeert hij zich op zijn blote voeten met een fles wijn in de kou om, op zijn Russisch, te roken en drinken. Het gesprek wordt geen succes. Telkens wanneer ik wat over de wijk vraag, begint hij over zijn eigen Werdegang. 'Het Duitsland van nu is mijn Heimat niet!’ oreert hij pathetisch. 'Heimat, dat was de DDR.’