De wenken van harry mulisch

Direct na verschijning noemde Harry Mulisch zijn roman Bericht aan de rattenkoning (1966) een pamflet. Momenteel is zijn definitie strenger: ‘Een pamflet is een blaadje dat je na lezing weggooit. Alleen Wenken vind ik een echt pamflet.’ In Wenken voor de bescherming van uw gezin en uzelf, tijdens de jongste dag (1961) parodieert Mulisch enkele huis- aan-huis verspreide folders van de Bescherming Burgerbevolking (BB), waarin werd uitgelegd hoe mensen zich konden beschermen tegen atoomexplosies. Mulisch: ‘De latere opheffing van BB is mede aan mij te danken, denk ik. Het werd te belachelijk.’

Mulisch was ook betrokken bij een kwadraatpamflet. Met de huidige PvdA- senator J. van den Berg en Flevo-hoofd Han Lammers stelde hij Zo is het (ook wel bekend als Pays Bah) samen. Ze verdedigden hierin het geruchtmakende onderdeel ‘Beeldreligie’ uit het televisieprogramma Zo is het toevallig ook nog ’s een keer uit 1964.
Over de affaire-Padilla (1971), het afzonderlijk verschenen nawoord bij Mulisch’ Cuba-boek Het woord bij de daad, werd in 1992 het middelpunt van een fikse rel. Stephan Sanders beschuldigde in zijn Volkskrant-column Mulisch ervan Fidel Castro te hebben verdedigd toen die de dichter Heberto Padilla langdurig gevangen hield. Mulisch ontkende en dreigde De Bezige Bij te verlaten als Sanders niet de deur zou worden gewezen.
Stephan Sanders heeft de gewraakte column inmiddels in zijn bij De Bezige Bij verschenen bundel De buitenwacht (1995) opgenomen. Kennelijk heeft Mulisch zijn interesse voor Sanders verloren, want van het aangekondigde vertrek bij De Bezige Bij is nog altijd geen sprake. De liefde voor Fidel Castro is overigens gebleven. Onlangs verkondigde Mulisch in de Volkskrant: 'Castro was mijn held, en hij is het nog steeds.’
Mulisch heeft meer dan eens weerzin opgeroepen. In het pamflet Mulisch’ verhouding tot de vernietiging (1968) verweet essayist Huug Kaleis de schrijver dubieuze politieke standpunten, ijdelheid en het dwepen met vernietiging en geweld in Wenken, De zaak 40/61 en Tanchelijn. Kaleis noemde Mulisch spottend een 'hollebollewoordenman’ en 'ons literair teeneridool’. Gerard Reve op zijn beurt verweet Mulisch in De taal der liefde homohaat en noemde hem 'de hoofdhetser’.
Mulisch schreef in 1972 een artikel dat vier jaar later als pamflet verscheen: Het ironische van de ironie: over het geval G./K. van het Reve. Hij beschuldigt Reve van racisme. De volksschrijver zelf beriep zich op ironie bij formuleringen als: 'Nu moeten we nog van die Surinaamse en Curacaose & Antilliaanse troep af.’ Maar Mulisch verwierp die uitvlucht: 'Ooit heeft hij eens een Frits van Egters sprekend ingevoerd, vervolgens ging hij hem in zijn eigen manier van spreken parodieren, en nu is hij het al schrijvend zelf. (…) Van het Reve zegt wat hij meent, maar zodanig dat de ander dat niet doorziet en denkt nog steeds met ironie te doen te hebben.’