De wereld als spinnenweb

ROBERT PENN WARREN
ALL THE KING’S MEN OF DE ONDERGANG VAN WILLIE STARK
Vertaald door Gerda Baardman, Lidwien Biekmann en Kitty Pouwels, Cossee, 479 blz., € 29,90

In 1939, vlak voor de wereldoorlog waaruit de Verenigde Staten als supermacht te voorschijn kwamen, liet Thomas Wolfe zijn alterego in You Can’t Go Home Again verzuchten: ‘Ik denk dat we hier in Amerika verloren zijn.’ Het moeizame bestaan in de crisisjaren zag Wolfe als destructief en zelfdestructief van nature. Óf het individu ging eraan óf de maatschappij moest vernietigd worden.
Die kritische visie deelde hij met politiek-realistische schrijvers als James T. Farrell, Theodore Dreiser, Erskine Caldwell en Upton Sinclair, die niet alleen in eigen land maar ook in de Sovjet-Unie veel werden gelezen, meer dan vernieuwende schrijvers als Sherwood Anderson, John Dos Passos en William Faulkner.
De dichter en essayist Robert Penn Warren (1905-1989) hoort thuis in de realistische school. Ook hij publiceerde in 1939 een maatschappijkritisch boek, zijn romandebuut Night Rider. De antiheld is de jonge, ambitieuze advocaat Percy Munn. In het Kentucky van vlak na 1900 wordt hij tegen wil en dank de leider van de zogenaamde nachtrijders, een Ku Klux Klan-achtige beweging ontstaan uit de strijd tegen de grote tabakopkopers, die de kleine tabaksplantagehouders kapotmaken. Die KKK komt in een maalstroom vol geweld, tegengeweld, moord en doodslag terecht. Deze wereld vol destructie en zelfdestructie woelt ook in Munns duistere ziel. Heeft Munn de touwtjes in handen of is hij een marionet in de welhaast filmische roman Night Rider? In de steek gelaten door zijn vrouw, ten onrechte vervolgd wegens moord en maatschappelijk gemarginaliseerd wordt hij steeds gezichtslozer. Night Rider gaat over machtsmisbruik en de destructieve kanten van politiek idealisme, die zich vooral manifesteert in opstootjes, rellen en massahysterie. Alsof geweld een heel eigen leven kan leiden, los van het individu.
Ook in Robert Penn Warrens veel dikkere, beroemdste roman All the King’s Men of de ondergang van Willie Stark (1946) botsen uit de hand gelopen politiek idealisme en gebrek aan zelfkennis. Het boek werd niet alleen twee keer verfilmd, de titel klinkt ook door in All the President’s Men, het Watergate-boek van de onderzoeksjournalisten Bernstein en Woodward. Niet vreemd dus dat deze Penn Warren door uitgeverij Cossee werd uitverkoren voor de serie Cossee Century.
Terugblikkend vanuit het omineuze jaar 1939 beschrijft Jack Burden, ex-geschiedenisstudent, ex-promovendus, ex-journalist en ex-verloofde van jeugdliefde Anne Stanton, hoe hij de loopjongen en de handlanger werd van een politieke maffiabaas in Louisiana: Willie Stark (Stark staat voor star, onbuigzaam, spiernaakt en sterk). Deze boerenzoon werkt zich via stromanschap, advocatuur en een slopende verkiezingsstrijd op tot gouverneur. Kennis verwerven is zijn doel. Maar of die vergaarde kennis hem zal redden of vernietigen wordt bepaald door het lot, ‘hebberigheid van het bloed’. Zijn praktische idealisme — het bouwen van scholen en ziekenhuizen en het aanleggen van wegen — stoelt op chantage en machtsmisbruik. De wet is altijd oprekbaar en te klein voor de zich ontwikkelende mensheid. Die zet je naar je hand als het zo uitkomt. ‘De wet is een eenpersoonsdeken op een tweepersoonsbed waar drie mensen in liggen, op een koude nacht.’
Toch is de ondergang van Willie Stark — de vleesgeworden macht die erotiseert, corrumpeert en bijna iedereen vernietigt — niet het kernverhaal van het breed uitgesponnen All the King’s Men. Verteller Jack Burden staat centraal. Als kostschoolleerling en student ontwikkelt hij een lethargie die hij later de Grote Slaap noemt. Als ‘vaderloze’ zoon merkt hij dat de wereld vol zaken zit die hij niet wil horen. Door zich helemaal over te geven aan het heden, dat wil zeggen de horigheid aan Willie Stark, denkt Burden aan het verleden te kunnen ontkomen. Politiek is actie, meent Burden, ‘en alle actie is slechts een barstje in de perfectie van non-existentie’. Tegelijkertijd is dat dubieuze heden – handlanger zijn van een grimmige maffiabaas – ondraaglijk en heeft hij het over ‘de betovering van het verleden’.
Die betovering bestaat uit het persoonlijk archief van zijn verre oom uit de Amerikaanse Burgeroorlog: Cass Mastern. Diens leven vol plantages, overspel en een heldendood op het slagveld wil Jack Burden als promovendus opschrijven, maar het archief laat zich niet ordenen. Hij kan de feiten uit Masterns leven niet opschrijven omdat hij zijn oom niet echt kent. Waarom kent hij die oom, die een openhartig dagboek naliet (dat de verteller in hoofdstuk vier in fascinerende fragmenten presenteert), niet goed? Cass Mastern ‘ontdekte dat de wereld net een enorm spinnenweb is en dat de rimpelingen die ontstaan als je het aanraakt, hoe zacht ook, en waar dan ook, doorgaan tot aan de verste buitenrand: de slaperige spin voelt die trilling, wordt wakker en rent op je af om draden van spinrag over je heen te werpen, over jou, die het web heeft aangeraakt, en daarna het zwarte, verdovende gif onder je vel te spuiten.’ De romanwereld van All the King’s Men is die van de, door verleden en heden gespleten, verteller die een instinct voor zelfbehoud heeft en merkt dat de draden van toen en nu hopeloos verstrikt zijn geraakt. Het gif van de politieke corruptie of van het familieverhaal sijpelt onherroepelijk naar binnen. In de naturalistische taal van Jack Burden: ‘Ze waren verdoemd, maar ze leefden met de kwelling van de vrije wil.’ De strijd gaat tussen de man van de feiten (Willie Stark) en de man van de ideeën (Burdens jeugdvriend Adam Stanton). Stark wil de ‘goeddoener’ en arts Stanton tot directeur bombarderen van zijn ziekenhuis, dat door corruptie tot stand komt. Maar goed doen dat op slechtheid teert, loopt uit op moord en doodslag. Dat is de duidelijke les van Warrens roman, die eerder een psychologische vader-zoonvertelling is dan een politiek verhaal.