De wereld een boek

William T. Vollmann, The Atlas. Uitgeverij Viking/Penguin, 468 blz., f49,60
VORIG JAAR gaf Bill Buford zijn redacteurschap van zijn door Penguin uitgegeven tijdschrift Granta op om medewerker van het weekblad The New Yorker te worden. Dank zij Bufords eigenzinnige inzet is Granta een verrassend blad met interessante themanummers geworden. Mijn verwachtingen waren dan ook hooggespannen toen ik de zomereditie van 1996, nummer 54, onder ogen kreeg: The Best of Young American Novelists. Het nummer was samengesteld door maar liefst vijf regionale jury’s, die hun bevindingen voorlegden aan de eindjury: Ian Jack, Robert Stone, Tobias Wolff en Anne Tyler.

Ik zag slechts een paar bekende namen: Jeffrey Euginedes, die met veel gevoel voor humor schrijft over geboren worden in een van bijgeloof vergeven Grieks-Amerikaanse gemeenschap; David Guterson, met een fragment uit een historische roman die in de fruitstreek van Washington State is gesitueerd; Lorrie Moore, die in het verhaal ‘Agnes of Iowa’ schrijft over een vrouw die zich niet wil neerleggen bij haar saaie doorsnee karakter; Fae Myenne Ng, van wie ik, meen ik, in een recente Meulenhoff-bloemlezing van jonge Amerikaanse literatuur ook een fragment las over Chinees-Amerikaanse familieachtergronden.
Tussen twintig namen vier namen die mij iets zeiden, en zestien jonge Amerikaanse schrijvers van wie ik nog nooit had gehoord. Hoe kwam dat? Volgde ik de recente ontwikkelingen niet op de voet, voor zover dat mogelijk was met de Amerikaanse literatuur? Was ik eenkennig geworden? Lette ik niet meer zo goed op? Of had Granta weer een verrassing in petto, net als in het eerste nummer (zomer 1979), toen Bill Buford baanbrekend werk verrichtte door proza te introduceren van onder anderen John Hawkes, James Purdy, Donald Barthelme, William Gass, Ronald Sukenick, Robert Coover, Walter Abish, Stanley Elkin en Susan Sontag? Welke literaire dynamiek lag er verscholen achter de namen die mij niets zeiden, schrijvers van wie ik nog nooit gehoord had, zoals Madison Smart Bell, Edwidge Danticat, Allen Kurzweil en nog een dozijn anderen? Ik ontdekte niets spectaculairs.
UIT ANDERE reacties op Granta’s bloemlezing van jong Amerikaans talent maakte ik op dat ik niet de enige was die nog nooit had gehoord van het gros van de uitverkoren schrijvers van onder de veertig. David Lodge schreef uitgebreid over zijn verbazing in The New York Review of Books en vroeg zich af hoe deze bundel van 'sameness and tameness’ - heel veel nostalgische kindertijdverhalen in een keurig realistische stijl zonder al te veel met seksualiteit doordrenkt slang - tot stand is gekomen: 'Afgezien van de schaarse droom of het fantasietje, duidelijk afgebakend en beheerst door een realistische context, is er geen surrealisme, geen magisch realisme, geen mythische onderstroom, geen openlijke intertekstualiteit, geen metafictionele grensoverschrijdingen, geen woordspelletjes, geen abrupte stijl-, toon- of typologische afwisselingen, geen radicale afwijkingen van de correcte grammatica, geen onconventionele layout en typografie.’
Met andere woorden: waar is de invloed van Thomas Pynchon, Donald Barthelme of Richard Brautigan in de jonge Amerikaanse literatuur, een invloed die Bill Buford nog zo toejuichte in zijn eerste nummer van Granta?
Lodge vraagt zich af of de 'creative writing schools’ in de Verenigde Staten er schuldig aan zijn dat er geen 'bad writing’ in de bloemlezing staat maar dat dit Granta-nummer wel bloedeloos is. Zijn antwoord is ontkennend. Creative writing heeft een lange traditie in Amerika en bestond ook al toen Barthelme, Barth en Gaddis debuteerden. Lodge zoekt de schuld eerder bij wat hij het 'ideologisch klimaat’ noemt, de paranoide terreur van de 'politieke correctheid’ op en rond de universiteiten die tot zelfcensuur dwingt en waartegen weinig schrijvers in opstand durven ko men, of ze moeten Norman Mailer of Ishmael Reed heten.
Lodge heeft gelijk. De verstikkende deken van de brave politieke correctheid is een gevaar voor de literatuur, die ironie, speelse dubbelzinnigheid, provocatie en woede nodig heeft om haar eigen, specifieke stem te kunnen verheffen.
Het lijkt alsof het bezadigde middenklasserealisme bezit heeft genomen van de Amerikaanse literatuur, als je tenminste de Granta-bloemlezing voor zoete koek slikt. Maar ik geloof er niets van en ik denk dat de jury te veel regionale democratie heeft toegestaan bij de uiteindelijke selectie. Hadden ze maar autoritair en arrogant ingegrepen en het valse beeld van de lokale juryleden gecorrigeerd. Want de invloed van Thomas Pynchon en Richard Brautigan is 'alive and kicking’ in de Amerikaanse literatuur. Ik noem slechts de namen van twee verwoed schrijvende dertigers: David Foster Wallace - wiens roman The Broom of the System in het Nederlands vertaald is - en William T. Vollmann (1959), van wiens indrukwekkende oeuvre nog steeds geen boek in het Nederlands is uitgekomen.
VAN VOLLMANN verscheen deze zomer een bundel van 53 verhalen, of beter gezegd 'handpalmromans’ in de Brautigan-traditie, onder de terecht veelomvattende titel The Atlas. Wat Da vid Lodge vond ontbreken in de Granta-bloemlezing, trof ik aan in The Atlas, een bundel die tegelijkertijd een staalkaart en bloemlezing vormt van eerder werk van Vollmann, waarvan het piece de resistance zijn Seven Dreams is, een geplande zevendelige romanreeks waarmee Vollmann de geschiedenis van Noord-Amerika wenst te beschrijven, niet meer maar zeker niet minder. Tot nu tot zijn daar drie indrukwekkende delen van verschenen: The Ice-Shirt (deel 1), Fathers and Crows (deel 2) en The Rifles (deel 6). Vollmann vermengt mythologie, dat wil zeggen de klassieke noordelijke sagen, met flarden en fragmenten geschiedenis en fictie. Het resultaat tot nog toe (zijn aanpak doet denken aan de Tandeloze Tijd- cyclus van A. F. Th. van der Heijden) is overweldigend. Wie Vollmanns 'drie dromen’ heeft gelezen kijkt op z'n minst relativerender aan tegen het begrip 'ras’ en begrijpt dat geloof, bijgeloof en harde werkelijkheid (overleven in barre omstandigheden) hand in hand gaan.
In The Atlas zitten nog twee boeken van Vollmann verborgen, waarvan ik niet begrijp waarom die niet massaal worden gekocht en gelezen: Whores for Gloria en The Butterfly Stories. In beide boeken, bundels vol hoerenverhalen van iemand die onmiskenbaar actief veldwerk in de hele wereld heeft verricht, is de hoofdfiguur desperaat op zoek naar zijn verdwenen vrouw: Gloria of Vanna. Telkens meent hij een glimp van haar op te vangen. Zijn hoerenlopersgedrag krijgt een romantisch-wanhopige ondertoon, al blijven de beschrijvingen van seks en verslavingsrituelen direct, onopgesmukt en keihard.
THE ATLAS speelt over de hele wereld. Ingeklemd tussen twee prachtige fotoseries begint het boek met een opsomming van lokaties waarin de vertellingen spelen. Een willekeurige greep: Afghanistan, Beograd, Delhi, Eureka, Frankfurt, Goa, Hanover (USA), Home, Interstate 80, Japan, Karenni State (Birma), Los Angeles, Mogadisju, Nairobi, Ottermere (Canada), Phnom Penh, Rome, Sarajevo, Tamatave (Madagascar), Virginie Beach (Virginia), Wailea (Hawaii), Yangon (Rangoon) en Zagreb.
De inhoudsopgave bestaat uit een opsomming van de eerste 26 verhalen, beginnend met 'Opening the Book’. Daarna staat vetgedrukt de titel van het lange en centrale titelverhaal afgedrukt, 'The Atlas’, een verhaal waarin iemand die westwaarts door Canada reist, op zoek naar het paradijs, alle plaatsen en tijden door elkaar heen laat lopen. Daarna telt Vollmann weer af van 26 naar 1 en sluit hij af met het verhaal 'Closing the Book’. Hij noemt The Atlas een thematisch palindroom en het titelverhaal, een tocht naar de rand van de wereld waarin de zin 'no more nowhere nobody’ herhaald wordt, het centrale en een oneindig regressief metoniem daarvan.
De oerscene van Vollmanns boek en misschien wel van zijn gehele oeuvre lijkt het eerste fragment van het verhaal 'Under the Grass’ ('Onder de zoden’) te zijn, dat zich afspeelt in 1968 in Hanover, New Hampshire. Is het een afschuwelijke jeugdherinnering van een negenjarig jongetje dat niet goed op zijn kleine zusje heeft gelet? 'Ze zeiden dat ik moest opletten omdat jij kleiner was, maar ik vergat het.’ Julie verdrinkt. Waar is je zusje? vragen zijn ouders. ’s Avonds komen zij en de dominee aan zijn bed staan om hem de onheilstijding te brengen. 'Mijn kleine zusje was dood. Niemand had me gemogen, maar nu zou iedereen aardig voor me zijn omdat jij dood was. (…) Jouw dood was een godsgeschenk voor me.’
In een van zijn zogenaamde 'butterfly stories’ (butterfly in de betekenis van flirtende losbol) schrijft Vollmann: 'Om het verleden te herstellen, dat natuurlijk niet hersteld kan worden, is het heel goed om rituelen uit te voeren. Geloof, hoe nuttig ook, is niet onmisbaar.’
IK GELOOF dat Vollmanns schrijven zo het beste gekarakteriseerd kan worden. Telkens opnieuw probeert hij het verleden van zijn leven, zijn land, zijn werelddeel, van de aarde zo te herschrijven dat er iemand tot leven gewekt wordt. Zijn obsessie voor het hoerenleven valt samen met zijn bewondering voor vrouwen die op de rand van de afgrond weten te overleven. En de zoektocht van zijn personages naar Gloria of Vanna zijn evenzovele pogingen om iemand die voorgoed verdwenen is, weer als een Amerikaanse Achterberg op papier op te roepen.
Zijn voorliefde voor hoerenkasten, dumpplaatsen, oorlogstheater, stations en andere doorgangsplekken heeft Vollmann gemeen met Pynchon en Brautigan, die ook meesters waren in de roman in pilvorm: Pynchon de dikke pil, Brautigan de handpalmroman van enkele bladzijden.
Het leven is een doorgang en de wereld een gigantisch boek waarin je naar hartelust bladert. Het leven is ook een vorm van sterven, weggaan, vertrekken, verdwijnen als reiziger. Dat is eerder gezegd, maar Vollmann geeft er met de specifieke opbouw van zijn bundel en zijn grenzeloze schrijf- en reisenergie een nieuwe betekenis aan. Hij is op zoek naar alles wat onherroepelijk verdwijnt, zoals een reiziger iemand is die ook telkens weer verdwijnt en verschijnt. Bovendien weet hij in enkele 'Canadese’ jachtverhalen prachtige verbindingen te leggen tussen mens en dier. Vollmann is een auteur die zeer intens over het jachtinstinct van de mens schrijft zonder die mens, die zo dicht bij het beest staat, van zijn waardigheid te beroven. Zijn verhalen gaan stuk voor stuk over overleven, of het nu in het barre noorden is waar Eskimo’s eindeloos bier drinken, in Australie waar de aboriginals in een steeds kleiner reservaat worden weggedrukt, of in Thailand waar de hoeren het liefst zijn. Verslavingen aan alcohol, crack, heroine of welke drug ook zijn, o paradox, destructieve middelen om het leven draagbaar te houden en existentiele eenzaamheid te bestrijden, tijdelijke verdwijningen die het Grote Verdwijnen lijken uit te stellen maar dat helaas slechts dichterbij brengen. De mens blijft beest, stof en klei, een eenzame golem.
DE MEEST aangrijpende verhalen schrijft Vollmann, die je nooit van modieus schrijven kunt betichten, over de oorlog in Bosnie-Herzegovina. Aan het begin en tegen het einde van The Atlas staan ooggetuigeverslagen waarin de dood Vollmann letterlijk op de hielen zat. Een keer mist de kogel van een sluipschutter zijn enkel op een paar centimeter. Vollmann, die in 1992 voor de BBC-radio een serie programma’s maakte over de oorlog in ex-Joegoslavie, beschrijft een bezoek aan een mortuarium in Sarajevo, maar ook hoe het voelt om te weten dat een sluipschutter je elk moment te grazen kan nemen ('The Back of My Head’). Ook schrijft hij op hoe het is je beste vriend voor je neus doodgeschoten te zien worden in Mostar, 1994, waarna de eigenaar van de tot wrak verworden gehuurde auto bij de enige overlevende verhaal komt halen en er zich een dialoog ontspint waarin het onderkoelde cynisme van Vollmann (hij mengt feit en fictie wel in The Atlas, maar dit fragment is onmiskenbaar feitelijk) botst op de platte hebzucht van iemand die gewend is aan lijken.
Hoogtepunt in de bundel is Vollmanns beschrijving van de aanzwellende rij mensen voor de enige bakkerij van Sarajevo die in 1992 nog brood bakte, al werd het steeds minder voor steeds meer hongerigen. Hij, de BBC- reporter, mag zomaar de rij voorbijstappen en naar binnen. Hij ziet hoe het laatste deeg bewerkt wordt, hoe de laatste broden gebakken worden. Als hij weggaat krijgt hij een heerlijk ruikend vers brood toegestopt waarmee hij langs de rij wachtenden loopt. Hoewel… Vollmann laat in het midden of hij het brood accepteert. Hij weet dat hij op dat moment uitverkoren is.
WILLIAM T. Vollmann is als schrijver niet uitverkoren voor Granta’s The Best of Young American Writers. Een onvergefelijke omissie. Er is een troost. In zijn eentje kan Vollmann een heel Granta-nummer vullen met verhalen die alles in zich hebben wat het fletse en bloedeloze Granta 54 ontbeert: betrokkenheid tot op het bot, de noodzaak en de drang de wereld te herschrijven. Vollmann is gewoon een van de interessantste Amerikaanse schrijvers van nu.