China wordt een wereldmacht versus China wordt geen wereldmacht

De wereld één China Town

Wordt China de nieuwe wereld macht? Ja, zegt Henk Schulte Nordholt. Nee, zegt Jan van der Putten. Een tweeluik.
China wordt wereldmacht

Weinig bedrijven weten beter dan Nike en Toshiba hoe lastig het is om zaken te doen in China. De Amerikaanse sportschoenenfabrikant liet onlangs in een advertentie basketbalster Lebron James de strijd aangaan met een kung-fu-meester. James won, en al snel stroomden de chatrooms vol met de aantijging dat «de gevoelens van het Chinese volk diep waren gekwetst». Nike bood publiekelijk zijn verontschuldigingen aan. Toshiba’s vergrijp was niet minder ernstig. In haar advertentie bogen twee stenen leeuwen (in China het symbool van macht) voor een Toyota-jeep. Ook de Japanners moesten een kowtow maken.

China’s opkomst op het wereldtoneel is spectaculair. De meeste aandacht krijgt daarbij de economie. Begrijpelijk: nooit eerder is een land in 25 jaar tijd omgeschakeld van verpauperde agrariër tot grootindustrieel, van xenofobe socia list tot een in de wereldeconomie geïntegreerde kapitalist. In 1949 werd de Volksrepubliek China opgericht. In het Partij-jargon is dat het jaar van de «bevrijding». De meeste Chinezen weten beter. De ware bevrijding kwam in 1978, toen Deng Xiaoping de boeren hun land teruggaf en de opendeurpolitiek inzette.

Sindsdien is de economie spectaculair ge groeid. De buitenlandse handel was in 2004 met 1,1 biljoen US-dollar 28 maal zo groot als die van 1980. China is nu de derde importeur en vierde exporteur ter wereld. Gedurende de laatste twintig jaar is de economie gemiddeld met 9,5 procent per jaar gegroeid. Het land brengt 4,5 procent van het bruto nationaal product van de wereld voort. Volgens sommige economen geeft dat cijfer een vertekend beeld: de Chinezen kunnen met één dollar omgezet in hun eigen geld, de renminbi, veel meer ko pen dan een Amerikaan met diezelfde dollar in de VS. Als het bruto binnenlands product naar koopkrachtpariteit wordt gemeten, stijgt China’s aandeel in de wereldeconomie naar dertien procent, een tweede plaats achter de VS.

De Chinese economie is groter dan die van de derdewereld-collega-kolossen India, Rusland en Brazilië tezamen. Een succes dat gegrondvest is op economische openheid. In dia wil graag als een China in spe worden gezien, maar China heeft tien keer meer buitenlandse investeringen dan India, en ruim vierhonderd van de Fortune 500-bedrijven zijn in het Rijk van het Midden gevestigd. Het land is een onmisbare schakel geworden in de keten van westerse producenten van computers, elektronica, machines en vele andere goederen. De kwaliteit van «made in China» wordt steeds beter en het onuitputtelijke aanbod van arbeid verzekert dat de loonkosten laag blijven.

Een tweede gegeven dat buitenlandse in vesteerders doet watertanden is de grootte van de binnenlandse markt. «Stel dat we aan iedere Chinees een stukje zeep verkopen!» riep topman Van de Berg van Unilever enthousiast uit na een bezoek aan Peking in 1964. Vele andere ondernemers vóór en na hem riepen iets soortgelijks. Er was echter een probleem: de enorme, vooral agrarische massa’s hadden geen cent te besteden. Tegenwoordig lijkt de oude droom van oneindige omzetten te worden verwezenlijkt. China verstedelijkt en er ontstaat een middenklasse, die volgens sommigen al tien procent van de bevolking bedraagt, groter dan de bevolking van Japan. Deze mensen hebben geld over – in de dubbele betekenis van het woord – voor kwaliteitsproducten. In 2003 was de omzet van Philips in China zeven miljard dollar. Daarvan werd tweederde geëxporteerd, maar het aandeel van de binnenlandse afzet stijgt. Ondanks de felle concurrentie van lokale merken weten bedrijven als Dell (computers) en Nestlé (voedingsmiddelen) hun marktaandeel vast te houden en zelfs uit te breiden.

Het succes en activisme van westerse bedrijven in het Rijk van het Midden is slechts één kant van het verhaal. Een Chinees zou geen Chinees zijn als hij de verleende privileges niet tot op het bot zou uitonderhandelen voor een wederdienst. Het felst begeerde artikel uit het Westen is technologie. Kennis om producten veiliger, duurzamer en mooier te maken, van procestechnologie tot industriële vormgeving. De achterstand op dat gebied is enorm. Creativiteit, het uitvinden van iets nieuws, is van oudsher geen Chinese waarde. Het is veel gemakkelijker, zelfs respectabeler om de werken van de meester te kopiëren. Onder Mao was origineel en creatief gedrag helemaal uit den boze. Een ieder moest zich aanpassen aan de socialistische conventie. Staatsfabrieken spuwden stromen kwaliteitsarme en klantonvriendelijke producten uit, architecten bouwden het land vol met kleurloze betonnen blokkendozen.

Ruim twintig jaar later is het roer volledig om. De Chinezen zien in dat economische dominantie slechts haalbaar is als hun in dus trie superieure producten met klinkende na men weet voort te brengen. De mandarijnen in Peking – in hun jonge jaren grondig geschoold in het maken van maoïstische meerjaren plannen – zijn succesvol bezig met de uitvoering van een sophisticated stappenplan:

  1. Het neerzetten van een exportmachine die qua prijs en kwaliteit de concurrentie met welk land dan ook aankan. China is verreweg de grootste producent ter wereld van ijskasten, schoenen, speelgoed, elektronica, aanstekers – in het kort van alles wat de massa’s consumeren. Doel is het opbouwen van een spaarpot met buitenlandse deviezen. Een missie die glansrijk is geslaagd: China heeft meer dan zeshonderd miljard dollar in kas, tegoeden die grotendeels in Amerikaanse staatsobligaties worden belegd.

  2. Het maken van hoogwaardiger goederen als computers, auto’s en vliegtuigen. Dit vergt grote kapitaalinvesteringen. Te financieren door buitenlandse bedrijven, die de worst krijgen voorgehouden van toegang tot de Chinese markt. In 2004 pompte het internationale be drijfsleven meer dan zestig miljard dollar in het Rijk van het Midden en streefde China de VS voorbij als grootste ontvanger van buitenlands kapitaal. Ook hier is het land met vlag en wimpel geslaagd.

  3. De opgepotte buitenlandse deviezen worden gebruikt voor de ontwikkeling van defensie, infrastructuur en energie – sectoren die niet of slechts beperkt toegankelijk zijn voor buitenlandse bedrijven. Voor China een ideale situatie: het Westen financiert de modernisering van het land, maar krijgt geen greep op zaken die Peking van soeverein belang acht.

  4. Buitenlandse bedrijven worden gedwongen niet alleen geld en kapitaalgoederen, maar ook kennis over te dragen. Philips, DSM en vele andere multinationals hebben research & development-centra in het land opgericht. Weigering is mogelijk, maar niet goed voor de «relaties» met de overheid. Bovendien staat er altijd een concurrent klaar die wel bereid is deze stap te zetten.

  5. Gewapend met geld, technologie en steun van hun overheid gaan de Chinese be drijven de wereldmarkt op. Voorlopers zijn Haier (wasmachines, airco’s), Lenovo (computers), TCL (tv’s) en Huawei (telecommunicatie). Grootste probleem is de onbekendheid van deze bedrijven. Het kost erg veel geld, tijd en moeite een naam op te bouwen die bij de consument vertrouwen wekt. Op de lijst van honderd bekendste merknamen ter we reld komt maar één Chinees bedrijf voor: Haier. De slimmere manier is om een buitenlands merk te kopen en de productie naar China te verplaatsen. TCL’s acquisitie van Tompson en Lenovo’s overname van IBM’s personal com puter-afdeling laten zien dat de Chinezen dit kunstje al onder de knie hebben.

Uiteraard wijken uitvoering en timing hier en daar af van de verschillende stappen uit het draaiboek, maar dankzij de grote greep van de overheid op het economische leven wordt het script tot nu toe vrij nauwgezet gevolgd. Weinig lijkt de Chinese goederentrein te kunnen stoppen. Te meer daar economische dominantie geen doel op zich is. Uiteindelijk gaat het Peking om politieke en militaire suprematie – een positie in de wereld waaraan China tot het begin van de negentiende eeuw gewend was.

In de Opiumoorlog (1840-1842) versloegen de Engelse kanonneerboten met gemak het middeleeuwse leger van de Manchu-keizers. Hongkong werd Brits en in vijf andere havens verwierven de westerse mogendheden zogeheten extraterritoriale rechten, een status die hen buiten de Chinese wet plaatste. De oude, trotse natie werd gereduceerd tot een semi-kolonie. Adding insult to injury was het succesverhaal van Japan, traditioneel een tribuutstaat van het Hemelse Rijk. Net als China was het Land van de Rijzende Zon door het Westen opengebroken, maar in tegenstelling tot zijn grote buurman moderniseerde het razendsnel. In 1905 werden leger en vloot van de tsaren verslagen. Een onvoorstelbare gebeurtenis, die in die tijd niet minder ontzag en vrees inboezemde dan China’s opkomst begin 21ste eeuw.

Het Rijk van het Midden zelf bleef een hopeloos geval. Halfslachtige pogingen om te moderniseren faalden door conservatief en corrupt bestuur, buitenlandse inmenging en een opeenvolging van natuurrampen. In dat opzicht verschilde de keizerlijke periode (tot 1911) niet veel van de republikeinse (1911-1949).

Mao ontdeed China op radicale wijze van buitenlandse invloeden, maar richtte het land bijna te gronde met even destructieve als dwaze campagnes als de Grote Sprong Voorwaarts en de Grote Proletarische Culturele Revolutie. In de jaren zeventig was de economie geruïneerd en bevochten linkse en rechtse fracties van de Partij elkaar op leven en dood. De oude keizer zelf was stervende. Vlak voor zijn dood in september 1976 verwoestte een aardbeving de stad Tangshan. Een kwart miljoen mensen vond de dood. Natuurrampen zijn in het Chinese denken een uiting van onvrede van de Hemel met de zittende keizer. De boodschap was duidelijk: het maoïsme had het oude rijk op de rand van de afgrond ge bracht. Met Deng Xiaoping begon een economische opmars die nu nog in volle gang is. Het succes ervan vormt het bewijs dat de Hemel instemt met het nieuwe beleid.

Ondanks de grote economische successen zit het land niet goed in zijn vel. Het wereldbeeld van Peking berust op rancune, een diep geworteld besef van historisch onrecht. De kijk van de Communistische Partij op de geschiedenis, met name de periode 1842-1978, lijkt post te hebben gevat in de nationale psyche. Niet-aflatende propaganda moet verzekeren dat dit zo blijft. De steeds nationalistischer wordende toon van de internetchatrooms – de meest vrije vorm van meningsuiting die is toegestaan – laat zien dat de Partij succesvol is. Propaganda is goed besteed aan een volk dat geen traditie kent van vrijheid van menings uiting en intellectuele onafhankelijkheid.

De belangrijkste elementen van een historische constructie

«China is de belangrijkste beschaving ter wereld»

In het licht van China’s tijdloze, superieure beschaving is de mislukte periode 1842-1978 als een zonsverduistering of een springvloed. Na deze gril van de natuur zal weldra de normale orde worden hersteld en het land zijn status herkrijgen van een grootmacht, op voet van gelijkheid met VS en EU. Officieel is sprake van de «peaceful rise of China» en legt men de nadruk op de soevereine gelijkheid van staten. Onuitgesproken smacht men naar de hoogste plaats op het podium. De Olympische Spelen in 2008 zijn slechts een voorspel voor de echte wedstrijd. Gelijkheid past niet in het confucianistische wereldbeeld, dat uitgaat van een fundamentele ongelijkheid tussen beschavingen en mensen onderling. China’s buren realiseren zich dat veel beter dan verder weg gelegen landen. In Mongolië, Vietnam en Korea worden de Chinezen gehaat en gevreesd.

«Technologie met Chinese kenmerken»

De hervormers die China in de negentiende eeuw trachtten te redden van de ondergang be studeerden en kopieerden alles wat westers was. Maar er was een strikte voorwaarde: China’s «wezenlijke aard» mocht niet worden prijsgegeven: Xi yong zhong ti – westerse vorm, Chinese kern. De instincten van de huidige mandarijnen zijn niet anders. Wat dat wezen van China precies inhoudt, laat zich moeilijk definiëren. Het heeft te maken met de uniciteit van het land: de mystieke schoonheid van het schrift, de maatschappelijke harmonie, de tijdloze toon van de Tang-poëzie, de heilige bergen en de feesten die het volk verbinden. Een domein waar niet-Han-mensen per definitie geen toegang toe hebben.

«Eenheid maakt macht»

China was zwak omdat het verdeeld was. De missie van de Partij is herstel van geografische eenheid. Al het grondgebied dat ooit Chinees was (meer naar waarheid: dat toebehoorde aan de niet-Chinese Manchu-dynastie) moet weer Chinees worden. Mongolië en de grote lappen grond die de tsaren van het Manchu-rijk hebben afgetroggeld, worden officieel niet meer geclaimd, maar het is volstrekt onacceptabel dat een eilandje voor de kust van de provincie Fujian zich tegen hereniging waagt te verzetten. Alle Han-mensen horen thuis in dezelfde baarmoeder («landgenoten» is in het Chinees tong bao, «van dezelfde baarmoeder»). Net als Hongkong en Macao moet Taiwan terugkeren in de moederschoot. Dat kan niet anders. Het gezicht en dus de macht en legitimiteit van de Partij staan op het spel.

«Geestelijke verdeeldheid verzwakt»

Geestelijke verdeeldheid verzwakt evenzeer als geografische. Ongewenste geestelijke stromingen gedijen bij zwak bestuur, zijn er vaak de oorzaak van. De invloed van de westerse zendelingen en missionarissen in de negentiende en be gin twintigste eeuw wordt nog steeds diep verafschuwd. Daarom worden dissidenten, Falun Gong-aanhangers en christenen scherp in de gaten gehouden en dikwijls vervolgd. De macht van de keizer berust op het heil dat hij krachtens zijn hemelse missie het volk weet te brengen. Scheiding van kerk en staat is niet acceptabel, alles komt aan Caesar toe. Op eigentijdse, atheïstische wijze is deze gedachte nog spring levend: de communistische kaders zien zichzelf als de raad van bestuur van een bedrijf dat China heet. Naar de aandeelhouders van het volk wordt beter geluisterd dan vroeger, maar de cruciale beslissingen blijven in handen van de raad van bestuur. Een visie op het landsbestuur die weinig ruimte biedt voor westerse waarden als maatschappelijke pluriformiteit en civil society.

«China is gebaat bij een stabiel internationaal klimaat»

De Mao-jaren kenmerkten zich door assertief buitenlands beleid. Tibet werd bezet, Noord-Korea en Noord-Vietnam kregen hulp tegen Ame rikaanse inmenging en met India werd een grimmige grensoorlog uitgevochten. Inmid dels heeft avonturisme plaatsgemaakt voor subtiele diplomatie. China’s economische am bities zijn gebaat bij een klimaat van rust en internationale goodwill. Buitenlandse minis ters en CEO’s paait Peking met grote commer ciële contracten. In ruil krijgt het essentiële steun voor de hereniging met Taiwan. Zonder internationale erkenning van zijn positie heeft China – volkenrechtelijk gesproken – weinig poten om op te staan: de facto heeft Peking al meer dan honderd jaar geen jurisdictie over het opstandige eiland. De diplomaten van de keizer hebben hun werk goed gedaan. Bijna geen land ter wereld steunt de Taiwanese pogingen om erkend te worden als onafhankelijke natie.

Het resultaat van deze historische beleving is een nationalisme dat een «cocktail (is) van intense trots vermengd met een slachtoffer complex», aldus recentelijk de Asian Wall Street Journal. Dit geeft het land een enorme drive om de eerste positie weer in te nemen. Peking heeft de mond vol van de peaceful rise of China, maar de nieuwe, voor toepassing op Taiwan ontworpen «anti-afscheidingswet» spreekt een taal die in de regio niet bepaald als «vreedzaam» wordt verstaan. Economische macht vertaalt zich meer en meer in militaire kracht. In 2003 besteedde China officieel 20,5 miljard dollar aan defensie, maar de werkelijke cijfers liggen veel hoger. Volgens het International Institute for Strategic Studies waren de defensie-uitgaven in 2003 minimaal 48 miljard. Op het net gehouden Nationale Volkscongres is wederom een verhoging aangekondigd: twaalf procent voor het ko men de jaar.

Naast drive en macht is er de efficiency van het Chinese landsbestuur. Men wordt niet gehinderd door vervelende bijverschijnselen van de democratie, zoals inspraakprocedures en milieuactivisten. «They get things done.»

Wat kan Europa daartegenover stellen? Hoge productiekosten, veel vakantie en moeizame besluitvorming. Op een dieper niveau ontberen we een gemeenschappelijk beleefd verleden dat richting aan de toekomst geeft. Als we onze technologie prijsgeven, lopen de Chinezen over ons heen, zoals ze dat nu al doen met de Spelen. Europa is dan enkel nog interessant als toeristenbestemming. De Chinezen gaan graag met vakantie naar het oude continent met zijn fraaie musea en oude stadjes.

Amsterdam 2030. Een deel van de stad is omgevormd tot China Town, de straatnamen zijn in het Chinees, evenals de gesproken taal en het recht. Met de Europese landen worden vriendschappelijke relaties onderhouden. We moeten wel: de Chinese vloot beheerst de wereldzeeën en is bij een geschil dichtbij. Futuristisch waanbeeld? De situatie in Shanghai in 1930 was exact hetzelfde – in spiegelbeeld.

Dit tweeluik is een gedeeltelijke voorpublicatie van een later dit jaar te verschijnen boek over de opkomst van China (uitgeverij Van Praag)