Narcistische leiders op het wereldtoneel

‘De wereld gaat ons weer respecteren’

Sommige staatshoofden beloven hun land machtiger te maken door superieur buitenlands beleid. Maar in de internationale politiek hebben leiders vooral kansen om hun land te schaden.

Medium gettyimages 578550446

Een slordige 2500 jaar geleden raakte Athene, verwikkeld in een slepende oorlog met Sparta, in de ban van een man genaamd Cleon. Hoewel Cleon ‘De Leerlooier’ werd genoemd en hij zijn carrière bouwde op het opzwepen van haat tegen de elite was hij zelf aristocraat en erfgenaam van een leerimperium. Hij kreeg grote aanhang als woedende stem des volks, daarbij geholpen door zijn ongepolijste stijl en zijn krachtige stemgeluid – niet onbelangrijk in een pre-stereodemocratie.

Cleon wilde vooral dat Athene agressiever oorlog zou voeren tegen Sparta en agressiever zou optreden tegen alle steden die niet samen met Athene optrokken. Hij beloofde de Atheners nieuwe roem voor hun stad en rijkdom voor henzelf, ten koste van de adel. Hoewel hij een paar opvallende successen behaalde tegen Sparta loog en bedroog hij ook om de situatie in Athene beter voor te stellen dan ze was. Hij zou hij de geschiedenis in gaan als een gevaarlijke demagoog en een vulgaire en wrede oorlogshitser.

Cleon was de eerste in een lange reeks politici die steun onder hun volk verkregen door hen te beloven dat zij hun land machtig zouden maken in de wereld – en daarbij in één moeite door: dat volk rijker. De laatste is uiteraard Donald Trump. Een logische vraag is: kan dit, en zo ja, hoe dan? Cleon is hierbij misschien niet het meest gelukkige voorbeeld. Als strategos van een Atheens leger stierf hij op het strand van Amphipolis, net als zijn Spartaanse tegenstrever. Cleons erfgenaam als oorlogshitsende demagoog, de bloedmooie en volstrekt gewetenloze verleider Alcibiades, wisselde een paar maal van kant, maakte zich door affaires overal gehaat, en werd uiteindelijk vermoord.

Daarbij is het verleden maar een matige gids voor het heden. Tijdens het grootste deel van de westerse geschiedenis was macht niet iets wat je op democratische wijze verkreeg, maar meer langs de lijnen van Game of Thrones, met wapens, bedrog of uithuwelijking. En de logische weg naar meer macht was verovering. Daarvan hebben we nu afgesproken dat het niet meer mag, en ook allerlei bijkomende redenen (kernwapens, bijvoorbeeld) maken oorlog meer een optie B of C dan de eerste keus. Het zal voor Trump daarom vooral aankomen op superieure vaardigheden in het vormen van handelsrelaties, politieke allianties, en andere landen verleiden of dwingen om beleid te voeren dat gunstig is voor de VS. Kortom, niet van oorlog maar van buitenlands beleid. De vraag is dan: kan een leider zijn land weer groot maken door een superieure internationale politiek?

Die vraag is eerder gesteld, bijvoorbeeld door de Canadese politicoloog Robert Murray. Hij was een paar jaar geleden in zijn artikel The Role of National Leaders in Foreign Policy helder over het antwoord. Twee zaken zijn belangrijk wat die rol van leiders in buitenlands beleid betreft, schreef Murray. Ten eerste: mensen hebben totaal geen verstand van buitenlands beleid en internationale zaken, en geloven daarom makkelijk belachelijke claims van politici die beloven de wereld naar hun hand te gaan zetten. Ten tweede: nog afgezien van het effect in de wereld zelf hebben individuele leiders zelden het vermogen om het buitenlands beleid van hun land werkelijk ingrijpend te veranderen.

Om met het eerste te beginnen, Murray schreef hoe kandidaten tijdens verkiezingen hun kiezers graag een vage visie voorspiegelen over de plaats van hun land in de wereld, en over hoe andere naties de uitmuntendheid van hun land zullen erkennen als de kiezers nu deze kandidaat zullen kiezen. ‘Helaas blijkt de realiteit in strijd met deze claims’, schrijft Murray droogjes. Het lijken bij het geval Trump haast visionaire woorden. Tijdens zijn verkiezingscampagne strooide Trump met de beloftes dat hij ‘Amerika weer kan laten winnen in de wereld’, dat ‘de hele wereld zich gaat verenigen als ik president ben’ en dat ‘niemand, absoluut niemand, meer met ons zal durven sollen’. ‘De wereld gaat ons weer respecteren. Geloof me maar’, verzekerde hij. De voortekenen zijn er nog niet naar.

Murray doelde echter op iets anders: de meeste mensen denken dat het buitenlands beleid van een land datgene is wat de leider wil, en dat de macht van een land van dat leiderschap afhangt. Beide zijn niet waar. Buitenlands beleid, zoals politicologen het zien, is een uitkomst van de economische en politieke belangen van een land, in relatie tot die van andere landen. Een leider kan de economische, politieke en militaire machtsverhoudingen tussen landen wel anders willen maar ze niet met een tirade of een streng gezicht veranderen. De inschatting van die machtsverhoudingen kan wel verschillen per president, en optimaal beleid hangt altijd samen met de juiste inschatting ervan. Maar de grote bulk van de mogelijkheden, beperkingen en belangen van een land ligt vast. En daarmee ook welk beleid voor een land logisch is.

Politici kunnen dus wel hun kiezers voorspiegelen dat de internationale positie van hun land afhangt van de wil en persona van hun leider, maar dat is onzin. Wat opmerkelijk is aan Donald Trump is dat niet alleen zijn kiezers, maar ook hijzelf oprecht lijkt te denken dat de invloed van een land in de wereld – en dus ook welke handelsakkoorden, bondgenootschappen en dergelijke het land kan sluiten – niet het gevolg is van het economische, militaire en politieke gewicht van een land, maar van wat de president wil, zegt en tweet, en hoe goed hij is in the art of the deal.

Trump en zijn kiezers denken dat de invloed van een land in de wereld afhangt van wat de president wil, zegt en tweet

In dit opzicht is Donald Trump niet uniek. Psycholoog Jerrold Post, die het Centrum voor Analyse van Persoonlijkheid en Politiek Gedrag opzette voor de cia, zei een paar jaar geleden in een interview dat ‘de rangen van wereldleiders gevaarlijk zouden worden uitgedund als we daar alle politici uit zouden halen met sterk narcistische persoonlijkheidstrekken’. Evengoed wacht narcistische leiders vaak een harde confrontatie met de werkelijkheid.

Nu is het natuurlijk wel zo dat per land verschilt hoeveel ruimte een leider heeft voor buitenlands beleid. Bij kleine landen is er meestal nauwelijks ruimte voor fratsen, maar de leider van een supermacht heeft de meeste mogelijkheden om ‘het systeem’, te beïnvloeden. Maar als je ervan uitgaat dat de belangen van een land in grote lijnen dicteren wat rationeel buitenlands beleid is, dan ligt de speelruimte van een leider vooral in het irrationele. Anders gezegd: een leider heeft vooral veel mogelijkheden voor slecht beleid.

Murray’s tweede punt ligt in het verlengde hiervan: omdat buitenlands beleid voor het grootste deel wordt bepaald door de politieke en economische belangen van een land en die van andere kan een leider in de praktijk meestal nauwelijks iets veranderen – in ieder geval niet in positieve zin. Radicale veranderingen in buitenlands beleid komen volgens Murray meestal voort uit een verkeerde analyse van de verhoudingen in de wereld – denk aan de oorlogen in Vietnam of Irak – en hebben daarom doorgaans vooral (negatief) effect op het ‘irrationele’ land zelf.

Het risico dat het voor de VS op dit punt misgaat is niet gering, omdat Donald Trump weinig op heeft met diepgravende analyse. ‘Sommige Amerikaanse presidenten hebben buitenlands-beleid-doctrines. Anderen neigen ernaar op hun onderbuikgevoel te vertrouwen’, schreef de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev hierover. ‘Maar voor een heel kleine groep is hun onderbuik hun buitenlands-beleid-doctrine. Donald Trump lijkt tot dit laatste, zeer zeldzame type te behoren.’

Ook andere manieren om te kijken naar de positie van De Leider in onze tijd suggereren dat leiders de wereld minder naar hun hand kunnen zetten dan ze zelf graag zouden willen. Hoewel theorieën over de onstuitbare voortgang van globalisering bijgeschaafd moeten worden sinds Brexit, Trumps overwinning en andere ontwikkelingen blijft het een feit dat de landen en economieën van de wereld sterker met elkaar verbonden zijn dan ooit. Er is zoveel meer verkeer van mensen, goederen, kapitaal, data, ideeën, nieuws en andere zaken dat het oude idee van de wereld, een reeks biljartballen op een laken die tegen elkaar stoten, zelfs als metafoor niet meer serieus te nemen is.

Dat China in de supply chain zit van een eindeloze reeks producten die te koop zijn in de VS, dat kapitaal heen en weer flitst tussen de twee landen, en allerlei multinationals en bedrijven in beide landen gevestigd zijn, heeft gevolgen voor de mogelijkheden die Trump heeft om de relatie tussen beide landen vorm te geven, of hij dat wil of niet. Het betekent niet per se dat Trump ingesnoerd en belemmerd is om een eigen China-beleid te voeren, maar het betekent wel dat hij aanzienlijk meer kansen heeft om de VS en China schade te doen dan om de relatie om te buigen in Amerikaans voordeel. En dat geldt voor andere landen ook. Dat de wereld ‘complexer’ is geworden, is een dooddoener. Maar het is ook waar.

Bovendien zijn de VS een lichtend voorbeeld van een andere ontwikkeling die regelmatig wordt aangewezen in de wereld van nu. Niet alleen op wereldniveau zijn er meerdere centra en niveaus van macht gegroeid, dat geldt ook voor de samenleving en de politiek binnen landen zelf. Macht is bijna nergens meer zo absoluut als die vroeger kon zijn, macht van landen over andere en van leiders over hun onderdanen. In De Groene Amsterdammer werd die analyse dit jaar bijvoorbeeld getrokken door de Venezolaanse analist en oud-minister Moisés Naím. Macht vervalt en verspreidt zich, is zijn stelling. Het Amerikaanse presidentschap was een van zijn voorbeelden.

Een generatie geleden stond president Nixon volgens critici aan het hoofd van een ‘keizerlijk presidentschap’, nu staan Amerikaanse presidenten bloot aan de lobby van duizenden georganiseerde belangengroepen in de samenleving en verzanden zij vaak in eindeloze gevechten met het Congres en alle niveaus van de gepolitiseerde rechtspraak. Naím voorspelde na de Amerikaanse verkiezingen in het Duitse Handelsblatt soortgelijke gevechten voor Trump te verwachten. ‘We kunnen een lange periode van machtsconfrontaties tegemoet zien tussen de verschillende segmenten van de staat’, zei hij.

‘Giftige leiders’ blijven vaak lang aan, omdat hun volgers zich te hulpeloos voelen om ze te corrigeren

Wereldwijd is zo’n toenemende inkapseling van De Leider niet bepaald duidelijk. Rond de eeuwwisseling leek het alsof de democratie overal in opmars was. Rusland werd achterlijk en een beetje zielig gevonden, met de terugkeer naar een sterke leider die viriele foto’s van zichzelf liet verspreiden. Het ging zo pijnlijk in tegen de voorwaartse mars van de geschiedenis, weg van autoritair bestuur en de ijdele leider. En nu dan. De belangrijkste landen in de wereld hebben zo’n ouderwetse sterke man: de VS krijgen Trump, Rusland heeft Poetin, China gaat weer in de richting van de sterke leider en persoonlijkheidscultus met Xi Jinping. In de EU hebben we de Hongaar Orbán en de Pool Kaczynski, daarbuiten Erdogan, Netanyahu, Sisi, et cetera. Het tij is duidelijk gekeerd.

Maar misschien is het juist wel die kruipende inperking van macht die wereldwijd de behoefte aan sterke leiders voedt, mannen die beloven dat zij weer macht zullen uitoefenen zoals dat voorheen gebeurde. Dat is de analyse van Naím in ieder geval. En het sluit ook aan bij een van de weinige serieuze studies die gedaan zijn naar waarom evident ongeschikte leiders toch komen bovendrijven: The Allure of Toxic Leaders: Why We Follow Destructive Bosses and Corrupt Politicians, uit 2004, van Jean Lipman-Blumen, sociologe en voormalig adviseur van de regering-Carter.

Lipman-Blumen schreef haar boek voornamelijk als reactie op de ineenstorting van een paar grote Amerikaanse bedrijven die door even dominante als doortrapte directeuren naar de rand van de afgrond waren gebracht. Maar de hoofdgedachten van haar boek zijn zonder meer op de politiek van 2016 te plakken. Volgens Lipman-Blumen hebben mensen een psychologische behoefte aan autoriteit, orde, veiligheid en het gevoel ergens bij te horen.

‘Giftige leiders’, zoals zij die in 2004 noemde, erkennen deze behoefte en bieden dat leiderschap aan, plus heldere, simpele oplossingen voor complexe problemen. Eenmaal aan de macht ontwikkelen ze volgens Lipman-Blumen vaak een obsessie met het houden van controle op alle niveaus in hun organisatie, wat juist tot machtsvacuüms en competitie leidt. Zulke leiders blijven vaak lang aan, als de voortekenen van hun wanbeheer al hoog zijn opgestapeld, omdat hun volgers zich te hulpeloos voelen om de leider te corrigeren en ze zichzelf niet buiten de groep willen plaatsen.

De standaardvisie op dit soort leiders, tenminste in de politiek, is dat zij op slinkse wijze aan de macht komen en hun leiderschap daarna opdringen. Maar Lipman-Blumen verwerpt dat, ze ziet eerder een symbiotische relatie tussen de leider en zijn volgers, die zich graag aan zijn leiderschap onderwerpen. Aardig genoeg is een van de prominente voorbeelden uit de politiek die zij gebruikt Rudy Giuliani, de voormalige burgemeester van New York die nu in de race is voor een positie in het kabinet van Trump.

Het behoeft geen betoog dat zo’n type leider een land heel veel kwaad kan doen. Dat geldt ook voor het archetype ‘autoritaire leider’ in bredere zin. Er zijn zeker voorbeelden van succesvolle dictators die hun land grote diensten bewezen, zoals Augustus of Cyrus. In onze tijd wordt altijd Lee Kuan Yew genoemd, die meer dan drie decennia lang de leider van Singapore was en zijn staatje van hutjes naar wolkenkrabbers bracht. Maar tegenover elke Lee Kuan Yew staat een veelvoud aan megalomane leiders die allerhande rampen en mislukkingen over hun land afriepen. Daarvoor is niet alleen genoeg anekdotisch materiaal voorhanden; verschillende wetenschappers, zoals Amartya Sen (in Development as Freedom) en James Scott (in Seeing Like a State), hebben een wetenschappelijke basis gelegd onder de claim dat dictaturen kwetsbaarder zijn voor rampzalige ontwikkelingen dan democratisch bestuurde landen.

Daarnaast is een van de grootste open deuren van onze tijd dat macht niet meer alleen uit de loop van een geweer komt, maar ook uit informele bronnen. ‘Soft power’, noemde Joseph Nye, politicoloog en onderminister onder Clinton, dat in 1990: ‘het vermogen om te krijgen wat je wil door aantrekking in plaats van dwang’. Volgens Nye kon macht in onze tijd ‘worden gecultiveerd door relaties met bondgenoten, economische hulp en culturele uitwisselingen’, die zouden resulteren in ‘een gunstiger publieke opinie en meer geloofwaardigheid over de grens’.

Dat is een heel fijne gedachte, maar die kan voorlopig de ijskast in. Of het moet soft power zijn tussen Trump, Xi, Poetin en de andere sterke mannen van nu. Een nieuw tijdperk in de internationale betrekkingen: The Bromance of States.


Beeld: Chip Somodevilla (Getty Images)