De wereld is een dierentuin

Ter gelegenheid van de 65ste verjaardag van John Irving verschijnen er herdrukken van zijn romans. Zijn debuut, uit 1968, blijkt na veertig jaar nog verrassend modern. Mede omdat de mens de mens altijd een wolf zal blijven.

De eerste roman komt vaak tot stand dankzij een productief mengsel van literaire naïviteit en lef. Daarom blijven de meeste schrijvers, die helaas al snel die onschuldige brutaliteit kwijtraken, zo gehecht aan hun eersteling, hoe onvolkomen die ook mag zijn. John Irving (1943) publiceerde zijn debuut Setting the Bears Free in 1968, na een jarenlang verblijf als student in Wenen. Nu, na veertig jaar schrijverschap, is de Nederlandse vertaling van die roman (De beren los) herdrukt, samen met beroemde boeken als The World According to Garp (1978), Hotel New Hampshire (1982), De regels van het Ciderhuis (1985) en Bidden wij voor Owen Meany (1989). Het is niet toevallig dat Irving in zijn eerste bestseller, The World According to Garp, liefdevol naar zijn debuut verwijst door er een speelse want afwijkende samenvatting van te geven, zodat het schrijverspersonage Garp en zijn schepper Irving congeniale auteurs lijken te zijn. Toch is het een misverstand te denken dat Irving al te zwaar op zijn autobiografie leunt. Alles wat ‘echt gebeurd’ is, meent Irving met Garp, kan in fictie altijd veel beter en effectiever gearrangeerd worden. Het eigen leven kan wel startpunt zijn maar mag nooit verplicht richtsnoer worden. Irving kant zich in interviews dan ook tegen schrijvers die hun zogenaamde autobiografische fictie laten tiranniseren door een ongelukkig leven. Een rampzalige jeugd als goudmijn voor de schrijver? Die Reve-kreet is een hardnekkig misverstand.
De Vietnam-oorlog en het Amerikaanse studentenleven van de jaren zestig gingen grotendeels aan Irving voorbij, niet in de laatste plaats omdat hij meer in worstelen was geïnteresseerd. Sport en politiek laten zich nu eenmaal moeilijk vermengen. Misschien kwam het door Irvings jeugd als sporter en Europa-ganger dat Setting the Bears Free eerder als ‘Europese’ roman werd verwelkomd dan als een doorsnee-Amerikaans debuut. Wenen was voor de jonge Irving een plek waar hij het verleden ontdekte van de Oude en van de Nieuwe Wereld. De Oostenrijkse hoofdstad groeide uit tot een soort thuis voor hem. Het werd een plek met een gewelddadige, door de nazi’s bepaalde voorgeschiedenis. Wenen was de plaats bij uitstek waar de twintigste-eeuwse dood rondwaarde. In The World According to Garp informeert de alwetende verteller ons over de groeiende inzichten van schrijver T.S. Garp en over zijn Weense wortels: ‘Wanneer je met schrijven bezig was (…) leek alles met elkaar in verband te staan. Wenen was stervende, de dierentuin was niet zo goed van zijn oorlogschade hersteld als de huizen waarin de mensen woonden; de geschiedenis van een stad was als de geschiedenis van een familie – er is nabijheid, zelfs genegenheid, maar op den duur zal de dood allen van elkander scheiden.’
Garp is zich zeer bewust van de mitrailleurvuurgaten in de muren van zijn eigen appartement. De voorgeschiedenis domineert, of we dat nu willen of niet, en die dominantie is angstwekkend voelbaar in De beren los. Wenen representeert een wereld die de personages niet gemaakt hebben. Een bijzondere wraak op dat ongrijpbare vroeger is nodig om los te komen van die benauwde tijd: ‘Mijn eigenlijke vita begint bij mijn grootouders en is al bijna voorbij op de dag dat ik werd geboren.’
Irvings debuut kende ik niet. De beren los deed mij meteen denken aan de twee romans van Jonathan Safran Foer. Het boek verraste mij door de onverwachte, gewaagd springerige vertelstructuur: een historische vertelling verpakt in een moderne stadsroman waarin student Hannes Graff, een jongeman in ‘stukken en brokken’, een motoravontuur beleeft, verliefd wordt op een plattelandsmeisje en de wens van zijn vriend Siggy ten uitvoer brengt: het bevrijden van de beren en andere wilde beesten uit de Weense dierentuin. Het historische middendeel van De beren los biedt een fascinerend beeld van het Wenen tussen de Anschluss van maart 1938 en het vertrek van de Russische bezettingsmacht in 1955. Die vrij onbekende Weense voorgeschiedenis vermengt Irving listig en gedetailleerd met het vaderverhaal van motorfreak Siegfried (Siggy) Javotnik (hoe zijn ‘Joegoslavische’ vader per motor en door gedaanteverwisselingen de Balkan-chaos wist te ontvluchten en in 1945 in Wenen aankomt) en met Siggy’s nachtelijke dierentuinwake in juni 1967.
Het is aan de lezer om het Wenen van zomer 1967 en het historische Wenen tussen 1938 en 1956 met elkaar te verbinden. Een van de verbindingslijnen is de nachtwaker van de Weense dierentuin, O. Schrutt. Deze ex-naxi mishandelt in het geniep dieren. Hij ‘is iemand die niet graag gezien wordt. Zelfs niet door dieren’. Geen wonder dat Siggy erop aast de wilde dieren alsnog van de nazi’s te bevrijden. Maar hij komt om bij een motorongeluk en het is aan zijn maagdelijke vriend en tekstbezorger Graff om te doen wat Siggy niet is gelukt. Die bevrijding veroorzaakt weer nieuwe chaos en ‘bezetting’, net als in 1945, omdat roofdieren roofdieren blijven en de mensen geen afstand kunnen doen van hun wraakzuchtige beestachtigheid. De half verliefde Graff komt daar te laat achter, al is hij ervoor gewaarschuwd. De beer is los, de geest uit de fles.

Wat mij aanstaat in Irving zijn zijn literaire verkleedpartijen en de daarmee gepaard gaande citatenverslaving (Charles Dickens, Günter Grass, Joseph Heller, John Cheever, John Irving), maar nog veel meer de vruchtbare combinatie van historisch besef en gedetailleerde reconstructiedrift. En die drift komt samen in het steeds terugkerende woord ‘later’, de eeuwige Irving-vertelgangmaker: later schreef Garp…; ‘later, toen ik zijn beroemde notitieboek las…’
Wat mij in later werk van Irving steeds vaker ging ergeren is zijn moralistische ondertoon, zijn oeverloze uitleggerigheid en zijn al te nadrukkelijke onderscheid tussen de goeien en de kwaaien. Alsof de moderne literatuur louter bestaat om misstanden (verkrachting, illegale abortus, racisme, seksisme, extreem feminisme, et cetera) aan de kaak te stellen, alsof de 21ste-eeuwse auteur kan schrijven alsof de Britse wereld van Dickens nog intact is. In zijn poging een groot leespubliek te bereiken is hij een lekker voortdenderende verhalentrein geworden. Hij richt zich meer en meer op de amusementkant van de kunst, als een ‘esthetische verantwoordelijkheid’ (waar natuurlijk niets op tegen is), maar dat gaat wel ten koste van een verrassende vertelstructuur. Het leven is gewelddadige soap in serievorm, dus de kunst ook, zegt Irving in bijna elk interview. Dat is een al te simpele weerspiegelingsgedachte. Is het niet zo dat het vertellen over de ware aard van de huidige werkelijkheid moeilijker is dan in Dickens’ tijd omdat het bestaan nu veel extremer en meer ambigu is dan toen? Zeker, kunst is ook verleidingskunst. En woordkunst lokt de serieuze lezer door verwachtingen in te lossen én te dwarsbomen. De beren los is een verleidelijk debuut omdat de onbevangen Irving het aandurfde om zijn vertelling onverwacht te onderbreken (hallo, lezer, weet je nog dat ik een Weens verhaal vertel?) en de reflectie de ruimte te geven: ‘Wat gebeurt er allemaal? Al die onderbrekingen ook! Dat komt ervan als je zo lang blijft stilstaan dat de echte en onredelijke wereld je kan inhalen. En begrijp me goed, (…) erg lang hoef je daarvoor niet stil te staan.’
John Irving kan heel goed schrijven, à la T.S. Garp, over de angsten van vaders die hun kinderen niet willen kwijtraken aan een verkeersongeluk of aan een seksuele gewelddaad. Maar waar is de Irving gebleven die Flaubert over taal citeerde? ‘Ik sta met mijn mond vol tanden’, zegt Graff ergens in De beren los. Schrijver Garp in The World According to Garp raakt tijdens een rampzalig verkeersongeluk gewond aan zijn tong, die gehecht moet worden. Hij is een tijdje monddood en is afhankelijk van een notitieblokje. Dat blokje blijft behelpen. Die communicatiestoornissen en taalhandicaps, die zo veelvuldig optreden in de romans tussen 1968 en 1978, komen later veel minder voor. In een interview dat Larry McCaffery Irving afnam in november 1979 (in Anything Can Happen), en dat informatiever en principiëler is dan het Paris Review-vraaggesprek uit 1986 (zie Joost Zwagermans bundel interviews met Amerikaanse auteurs De ontdekking van de literatuur), haalt Irving Gustave Flaubert aan, uit zijn hoofd: ‘De menselijke taal is een gebarsten ketel waar we onze melodietjes op slaan zodat de beren erop kunnen dansen, en ondertussen willen we de sterren tot medelijden bewegen.’ Die zin verwoordt het dilemma van de veeleisende schrijver, die én gelezen wil worden én tegelijkertijd weet dat de gemakzuchtige entertainmentindustrie (waarom toch dat moeilijke bochtenwerk in je romans, man!) hem wegdrukt en onzichtbaar dreigt te maken. Het is het eeuwige verhaal van het water en de wijn, van het volk en de elite, van de massa en de macht.

John Irving in herdruk bij De Bezige Bij: De beren los (€ 7,50), De wereld volgens Garp (€ 12,50), Hotel New Hampshire (€ 12,50) en De regels van het Ciderhuis (€ 12,50), vertaald door C.A.G. van den Broek; Bidden wij voor Owen Meany (€ 12,50), vertaald door C.A.G. van den Broek, Nettie Vink en Japik Veenbaas; Weduwe voor een jaar, vertaald door Sjaak Commandeur. Met bon uit De beren los alle herdrukken € 10,-