Interview Kees Heesters

«De wereld is een gevaarlijke plek»

Kees Heesters werkt bij het American Enterprise Institute, een conservatieve denktank in Washington DC. Een gesprek na Black Tuesday. «Als je preventief kunt optreden, dan moet je dat doen. En als je het alleen moet doen, dan moet je het alleen doen.»

Wie de afgelopen dagen een bezoek bracht aan de websites van Amerikaanse denktanks constateerde onmiddellijk een opvallend verschil in toon tussen enerzijds conservatieve clubs als het American Enterprise Institute (AEI) en de Heritage Foundation en anderzijds een liberal denktank als Brookings. Op de conservatieve websites overheerst één woord: war! Bovendien wordt aangedrongen op preventieve aanvallen op mogelijke haarden van terrorisme, ook als het verband met de aanslagen van dinsdag niet is aangetoond. Bij het aan de Democraten gelieerde Brookings domineert de opvatting dat vergelding onvermijdelijk is, maar dat de regering wel moet oppassen voor te emotionele en irrationele reacties.

Kees Heesters, een Nederlander die sinds 1999 werkzaam is voor het AEI, een van de grootste denktanks in Washington, ziet hierin een kenmerkend mentaliteitsverschil tussen conservatieve en liberal Amerikanen. Heesters: «Op de conservatieve websites zal niet gezegd zijn dat de regering rationeel moet blijven. Het idee van preventieve aanvallen is natuurlijk helemaal geen idiote gedachte. Als er mensen zijn die je willen vermoorden louter vanwege het feit dat je een Amerikaan bent, dan ga je niet een rationele discussie met die mensen voeren. Natuurlijk moet je rekening houden met de gevolgen die een oorlog op lange termijn kan hebben, maar op de korte termijn zijn er mensen die mijn vrouw willen vermoorden, omdat ze Amerikaanse is. Als er iemand met een revolver op ons afkomt, en ik heb ook een revolver, dan zal ik hem proberen neer te schieten. Dat lijkt mij niet volslagen irrationeel of idioot. En inderdaad, het is een meer conservatieve opvatting om te denken dat de wereld een gevaarlijke plek is.»

In 1992 vertrok Heesters na het voltooien van zijn studie politieke wetenschappen naar Canada. Na daar twee jaar gewerkt te hebben bij een stichting die zich op zeer praktische wijze inzette voor de integratie van gehandicapten in de samenleving vertrok hij met zijn Amerikaanse vrouw naar de Verenigde Staten. Daar werkte hij onder meer bij de Wereldbank en studeerde onderwijl rechten. Negen jaar na het vertrek uit Nederland draagt niet alleen Heesters’ uitspraak van zijn moedertaal de sporen van Amerika, ook in zijn ideeën lijkt de afstand toe te nemen.

Zichtbaar geïrriteerd is hij over de opstelling van Nederlandse politici. «Amerikanen die ik heb gesproken waren zeer tevreden over de reacties van Tony Blair. Zijn verhaal was heel duidelijk: dit is het kwaad, dit bedreigt het leven, hier moet iets aan worden gedaan. Dat is wel even wat anders dan Wim Kok: we moeten rustig en rationeel blijven, we moeten waardig reageren, en vooral menselijk. Denken ze hier nu werkelijk dat Bush onmiddellijk op de kaart aan het zoeken was naar moslimenclaves, om daar zijn kruisraketten op af te vuren? Of dat wordt opgeroepen om alle Arabieren aan te pakken? Kom nou toch, zo dom zijn ze ook weer niet! Nou ja, wat Kok zegt doet er natuurlijk niet zo gek veel toe, maar dat paternalistische ondertoontje is wel behoorlijk irritant.»

Ook de Europese bezorgdheid voor een eventueel geïsoleerd Amerikaans optreden is volgens Heesters vrij hypocriet. «Er is helemaal geen sprake van dat de Amerikanen nu op eigen houtje willen optreden. Powell is druk bezig met allerlei overleg. Maar tegelijkertijd is er wel degelijk het besef dat door de geschiedenis heen, wanneer de Amerikanen werkelijk iets moesten doen, het niet echt verstandig was om op de Europeanen te rekenen. Kijk maar naar de Nederlandse politici! Neem nou zo'n Van Aartsen, die roept eerst heel stoer: we staan naast Amerika! Er wordt geschermd met artikel 5 van het Navo-verdrag. Maar daarna komt zijn verhaal neer op: we staan een beetje naast Amerika, misschien moeten we er eens een krachtige nota over schrijven!»

Onder Bush varen de Verenigde Staten niet zozeer een bewust unilaterale koers, maar zijn ze zich volgens Heesters meer bewust van het feit dat als puntje bij paaltje komt, Amerika er alleen voor staat. En daarom is een krachtiger, zelfbewuster opstelling noodzakelijk. «Clinton was een buitengewoon begaafd politicus, maar zijn politiek bestond voor een heel groot deel uit blijven praten, blijven analyseren, maar van concrete oplossingen kwam meestal niets terecht. Dat zag je in Kyoto: we blijven praten, maar we weten ondertussen dat we het nooit zullen aannemen. Dat is sham politics, en waarom zouden we daarmee blijven doorgaan? Als er nu dit soort dreigingen zijn, dan moet je er iets aan doen. Als je preventief op kunt treden, dan moet je dat doen. En als je het alleen moet doen, dan moet je het alleen doen.

In Amerika leeft veel meer het besef dat politiek, internationaal of binnenlands, altijd een belangenstrijd is. In de Amerikaanse wetgeving is dat duidelijk terug te vinden. Het is niet een zaak van louter goedwillende mensen die allemaal samen streven naar het brengen van vrede en voorspoed op deze aarde. Toen John Adams, een van de founding fathers van de Verenigde Staten, naar Europa kwam als Amerikaans afgezant, was hij vol hooggestemde verwachtingen over samenwerking. Al heel snel realiseerde hij zich welk een wespennest van ambities en tegenstrijdige belangen Europa was. Zijn reactie was dat Amerika zeer voorzichtig moest zijn wat betreft samenwerking met Europa. George Washington waarschuwde tegen excessive foreign entanglements. Dat is het idee erachter: je moet niet zodanig verstrikt raken met het buitenland dat je eigen belangen eraan ondergeschikt worden gemaakt. Of dat het je onmogelijk wordt gemaakt om voor je belangen op te komen. Het is een misconceptie in Europa om te denken dat het weinig scheelt of Amerika trekt zich volledig in zijn isolement terug. De VS zullen zoveel mogelijk coalities smeden, en mochten er Navo-leden zijn die meedoen, mocht Engeland parachutisten beschikbaar stellen, dan zullen ze het zeker overwegen. Het praten over coalities is niet alleen retoriek. Sterker nog, het is vooral Europa dat de neiging heeft in retoriek te blijven steken.»

Aanvankelijk was er in Nederland nogal wat scepsis over het optreden van Bush na de aanslagen. Is hij werkelijk de juiste man op de juiste plaats? Heesters: «Waarom niet? Wat wijst erop dat hij niet daadkrachtig zou kunnen optreden? Ten eerste: Bush is wel de president, maar hij heeft een heel sterk team om zich heen. Dick Cheney — wat je ook van hem kunt zeggen, daadkracht ontbreekt hem niet. Powell — wat je ook van hem kunt zeggen, daadkracht ontbreekt hem niet. En voor de anderen geldt dat evenzeer. Het team om Bush heen heeft ervaring met oorlogen in dit gebied, als uiteindelijk zou blijken dat het iets te maken heeft met Afghanistan en/of Irak. En bovendien denk ik dat Bush in Europa enigszins wordt onderschat. Clinton heeft gezegd dat hij in Bush net zo'n politiek dier heeft herkend als hij zelf was. Bush is zeker niet de meest eloquente spreker. Maar hij is wel degelijk president geworden en dat word je echt niet als je zo slap bent. Bovendien vertellen tal van gelouterde lobbyisten en politici, die hem in één-op-één-situaties hebben ontmoet, dat ze zeer onder de indruk van hem zijn.»

Een ander punt van zorg is volgens sommige commentatoren de neiging om de macht van de president te vergroten. De vraag rijst immers of de democratie geen gevaar loopt. In de ogen van Heesters is voor deze bezorgdheid geen enkele aanleiding: «Het congres heeft inderdaad een voorstel aangenomen dat de president alle bevoegdheden geeft die hij nodig heeft. De vraag is nu bijvoorbeeld of de geldende executive order, waarin staat dat het niet is toegestaan om buitenlandse staatslieden te vermoorden, nu herroepen wordt. Het lijkt me erg logisch en juist om deze bepaling voorlopig maar te schrappen. Volgens mij is de stemming nu zodanig dat iedereen ervan overtuigd is dat de president zoveel mogelijk bevoegdheden moet hebben om krachtig te kunnen handelen. De democratie wordt niet bedreigd als de president meer bevoegdheden krijgt om de democratie te beschermen.»

Bush heeft zijn verkiezingscampagne gevoerd met de leuze dat ook de Republikeinen compassionate kunnen zijn, dat het mededogen niet een Democratisch monopolie is. Ook wat dit betreft is er de afgelopen week nogal sceptisch op Bush gereageerd. Volgens Heesters is dat niet terecht. «Het gaat erom met wie je hem vergelijkt. Met Clinton? Veel mensen hebben het nog steeds over diens optreden bij de bomaanslag in Oklahoma, over hoe geweldig hij daar was. Nu is dat zeker waar, maar Bush en Clinton drukken verschillende modellen van leiderschap uit. Clinton is de belichaming van de moderne, Oprah Winfrey-achtige president. Hij begrijpt niet alleen de gevoelens van de mensen, hij vertelt ze ook wat ze moeten voelen en denken, he feels their pain. Bush komt naar buiten en zegt niet precies wat mensen moeten voelen, zegt niet dat hij hun pijn voelt. Maar het is wel duidelijk dat het hem raakt, dat dit het Kwaad is. Hij ziet het echter als zijn taak als president om uit te vinden wie het gedaan heeft en wat eraan gedaan kan worden. Het is een meer ouderwetse, stoïcijnse houding. En misschien was er in het begin inderdaad die scepsis, maar ik denk dat zijn optreden op dit moment niet slecht valt. Dat merk ik als ik met vrienden praat, die trouwens overwegend Democraat zijn.»

Heesters is onder meer in Nederland om te spreken op een conferentie van de begin dit jaar opgerichte Edmund Burke Stichting, over het thema compassionate conservatism. Het is de officiële ideologie van de regering-Bush, die ontstond nadat in de jaren tachtig duidelijk werd dat de Republikeinen kampten met een enorm pr-probleem. De Republikeinen bleken namelijk niet in staat een duidelijke visie op the public good te formuleren. Ze gingen gebukt onder het imago dat ze alleen oog hadden voor de welgestelde Amerikanen, en dat ze de armen aan hun lot overlieten. De Democraten waren degenen die zich om de zwakkeren in de samenleving bekommerden, de Republikeinen waren materialistische, harteloze types die alleen maar zeurden over defensie, winst, lagere belastingen en een kleinere overheid.

Publicisten als Marvin Olasky en Myron Magnet, wiens bestseller The Dream and the Nightmare inmiddels bekend staat als «de tweede bijbel van Bush», hameren erop dat conservatieven het wel degelijk goed voor hebben met hun medemens. Ze benadrukken dat de conservatieve aanpak, waarbij liefdadigheid het uitgangspunt vormt, veel praktischer en effectiever is dan overheidshulp. Zodoende zijn de armen, de zwakkeren en de meest kwetsbaren in de samenleving veel beter af met een Republikeinse regering dan met een Democratische.

Heesters: «Deze ideeën spelen al veel langer, maar zijn vooral tijdens de regering van Clinton verder uitgewerkt. Het is waar dat de compassie onder Reagan niet erg uit de verf kwam, maar Reagan had in elk geval één goed idee, en dat was dat politici niet alles tegelijk konden doen. Voor hem hadden de economie en de bestrijding van ‹the empire of evil› absolute prioriteit. Maar na een tijd kregen mensen er genoeg van om de Republikeinen alleen maar over economie en defensie te horen. Compassionate conservatism is daar een reactie op. Die reactie is niet simpel: meer overheid en meer geld voor sociale voorzieningen. Nee, men gaat eerst kijken naar wat mensen werkelijk helpt. Dan blijkt dat al die overheidsprogramma’s geen, of alleen negatieve, effecten hebben.»

Volgens conservatieven als Heesters is er voor de problemen van de Amerikaanse onderklasse geen «moreel neutrale» oplossing. «Veel van die mensen moeten gewoon heropgevoed worden. Ik woon in Baltimore, een stad met enorme problemen. Driehonderd moorden per jaar, veel drugscriminaliteit, veel armoede. Ik heb vrouwen ontmoet die aan de crack zijn, negen kinderen hebben van diverse lieden, nooit het onderwijs hebben afgemaakt, geen werk hebben. Hun kinderen zitten in een uitzichtloze situatie. Wat die kinderen nodig hebben, zijn ouders, mensen die hun vertellen: je moet naar school gaan want de kans dat je een basketbalster wordt, is één op de zoveel miljoen; aan drugs ga je kapot; je moet niet de hele dag naar belachelijke muziek luisteren; je moet ’s ochtends op tijd je bed uit! En ze moeten leren fatsoenlijk te spreken. Iemand moet ze vertellen: als jij op een sollicitatie gesprek komt in je rare kleren en met tatoe ages, dan zullen er weinig mensen zijn die verder kijken, ze zullen denken dat je een gangster bent, so the hell with you!»

Met een dergelijke paternalistische opstelling is «niets mis», volgens Heesters. En met liefdadigheid ook niet: «Het idee dat het de taak van de overheid is om alle problemen op te lossen, is niet goed. Het is voor de armen slecht omdat ze passief en lui worden, en voor de andere burgers is het ook slecht. Die krijgen zoiets van: als ik veertig of vijftig procent belasting betaal, dan heb ik wel genoeg gedaan voor mijn medemens, dan zoekt de overheid het verder maar uit. Maar misschien is het voor mij wel beter dat ik op zaterdagochtend naar de gaarkeuken ga om eten uit te delen en wat te kletsen met daklozen. Of dat ik gehandicapten één keer in de week meeneem naar het zwembad waar ze een beetje kunnen bewegen. Het is gewoon goed voor mij om dit te doen, om dingen te doen waar ik financieel niet beter van word. En dat is geen aalmoes om een plaats in de hemel te verdienen, maar het is eenvoudig het meest menselijke wat er is. Ik leef samen met andere mensen, en ik moet hen ook dienen. Niet omdat ik zelf beter ben, maar omdat het mij als mens verrijkt.»