D.B.C. Pierre, Vernon God Little

De wereld is een gymschoen

D.B.C. Pierre

Vernon God Little

Uitg. Faber, 277 blz., £ 12,99

Hij is vijftien jaar oud, Vernon Gregory Little, en de wereld heeft het op hem gemunt. Het voelt alsof zijn moeder een mes in zijn rug stak op de dag dat hij geboren werd. Dat mes wordt telkens weer wat verder rondgedraaid. Bijvoorbeeld als zijn moeder gênante opmerkingen maakt, zoals: «Zie je die auto? Dat is dezelfde kleur blauw als dat jack waar je op de kerstshow overheen kotste, weet je nog?» Dat is het leven, volgens Vernon: ieder heeft een mes in zijn rug en telkens wordt dat ietsje dieper geduwd. Terloops vertelt hij zijn verhaal.

Vandaag heeft hij last van zijn probleempje gehad, niemand mag het weten: hij heeft zich ondergescheten. Hij zit op het politiebureau en nu zit er een of andere dikke deputy tegenover hem te eten, ondertussen stelt ze vragen over wat er vandaag is gebeurd. Want o ja, zijn beste vriend Jesus is gaan schieten op school. Jesus heeft zestien klasgenoten plus zichzelf doodgeschoten, een bloedbad gelijk het Columbine High School-drama. Vernon heeft niks, want Vernon zat in de bosjes vanwege zijn probleempje. Nu heeft hij nog een probleem: in deze zwart-wit-wereld vormt een groot deel van de inhoud van zijn tienerkamer keihard bewijs tegen hem. Zo liggen daar «een waas van sokken en ondergoed doortrokken van geheime dromen», zijn moeders lingeriecatalogus — met de pagina’s 67 en 68 aan elkaar geplakt — plus nog twee joints en twee LSD-trips die hij voor de mooie en door hem verafgode Taylor Figueroa bewaart, en staan er seksfoto’s van geamputeerden op zijn computer.

Vernon doet zich voor als een simpele jongen met een logische redeneertrant, als een echte puber kortom, die droog constateert dat iedereen gek is. Hij woont in het Amerika van de white trash, in de staat Texas, van Jerry Springer en grenzeloos consumeren — die dingen. Wat een saai en overbodig boek, denk je daarom al snel. Niet wéér. Sinds de jaren tachtig zijn al honderden boeken geschreven die aantoonden hoe nikserig het leven in de westerse suburbia’s kan zijn. Waarom nog eens? De overbodigheid van weer zo’n verhaal en de lamlendigheid van Vernon wekken irritatie op. Ja, het is heus belachelijk dat iedereen de nieuwste Nikes en de nieuwste Calvin Kleins wil. Ja, ja, ja! De consumptiemaatschappij is fout en onschuldige kinderen zijn goed. Je zou schrijver D.B.C. Pierre alleen willen toeroepen: wees blij dat je niet in Irak woont, man! De afgelopen maanden stond de wereldorde op zijn kop, chaos dreigt nog steeds in de Arabische wereld, een dictator in Noord-Korea vertoont nucleaire bokkensprongen, in Europa en Amerika blijft de dreiging van terrorisme actueel. Misschien eens een ander onderwerp, D.B.C.?

Waarom toch doorgelezen? Omdat Vernon gedurende het verhaal meer indruk weet te maken. Zijn relaas betreft dan wel het zoveelste verhaal van een onder de moderniteit lijdende puber, Vernon is ook in een groteske beland, de onnozele gedachte dat hij bij de schietpartij betrokken was wordt tot zijn uiterste consequentie doorgetrokken. Steeds duidelijker wordt dat hij als Barbertje moet hangen voor het bloedbad.

Als kind van het informatietijdperk is Vernon zich hyperbewust van de platheid van het verhaal. Maar hij kan er niet anders over praten dan gebruikmakend van bekende beelden en verhaal stijlen. Hij heeft niet de beschikking over ander materiaal dan dat wat de populaire cultuur hem aanreikt. Als hij over Jesus vertelt, is het: «Toen wij nog koningen van het heelal waren, toen het vuil op onze gymp er meer toe deed dan de gymp zelf. We raasden door de wildernis buiten de stad met het pistool van zijn vader, terroriseerden oude bierblikjes, watermeloenen en afval. Het is alsof we mannen waren voor we jongens werden, voordat we werden what the fuck we are now.» Hoewel hij uit alle macht stoere en laconieke taal probeert uit te slaan, is Vernon kinderlijk sentimenteel.

Velen zijn hem voorgegaan. Wat vertelstijl betreft is zijn beroemdste stemgenoot Holden Caulfield. Vernon spreekt in puberjargon tegen gelijkgestemden. Hij zegt: «Ik weet niet hoe het is met jouw stad, maar hier…» De nostalgie wordt naar het einde schrijnender. Vernons toon wordt vaster, kaler en vooral eigener door wat hij meemaakt. Plotseling komt de ondertitel van het boek in beeld: A 21st Century Comedy in the Presence of Death. In de laatste, ijzersterke scène heeft zijn toon een levendig karakter opgewekt. Vernon is mens geworden. Een aandoenlijk mens.