Albert Camus Zijn literaire werk

De wereld is een vloek en een zegen tegelijk

De ‘tedere onverschilligheid’ van de wereld, daarover gaan de romans van Albert Camus. Over de existentiële ervaringen van de mens die volkomen vrij is, en ten diepste eenzaam. Maar juist dat verbindt hem met de anderen.

Waardevolle denkers zijn niet noodzakelijk grote schrijvers en sommige waardevolle denkers zijn eerder begaafde psychologen dan filosofen in eigenlijke zin. Het intellectuele duel tussen Albert Camus en Jean-Paul Sartre stond geheel in het teken van deze paradoxen. Denk alleen al aan de merkwaardige tussenkomst van het Noorse Nobelcomité dat in 1957 aan Camus de literatuurprijs toekende, niet voor zijn pas verschenen roman La chute maar voor zijn eerdere essay tegen de doodstraf, Réflexions sur la guillotine. Zijn beroemdste roman La peste was toen al weer tien jaar oud.
Camus was de moedigste van de twee mannen, de origineelste denker wiens filosofische werk nog altijd overeind staat, de journalistieke straatvechter die keer op keer gelijk had (al kreeg hij het niet meteen) in zijn strijd met de kliek van Les Temps Modernes, het modieuze tijdschrift waarin afgezien van Raymond Aron doorgaans geestverwanten van Sartre schreven. Maar was die Nobelprijs verdiend? Wie zowel Camus als de literatuur serieus neemt, moet niet alleen toegeven dat er betere kandidaten waren (André Malraux, W.H. Auden) maar zelfs dat Sartre de betere schrijver van de twee was.
Sartre was een groot psycholoog omdat hij zo lelijk was. Een mooi maar waarschijnlijk apocrief verhaal wil dat Camus eens aan Sartre vroeg waarom hij altijd urenlang aan cafétafeltjes op vrouwen inpraatte, waarop de laatste antwoordde: ‘Avez-vous vu ma gueule?’ (‘Heb je mijn kop wel eens bekeken?’). Zien en gezien worden waren de operatieve begrippen in zijn filosofie en in zijn persoonlijk leven. De passages over het oog in Sartre’s filosofische hoofdwerk L'être et le néant behoren tot de mooiste in de wereldliteratuur en zijn jeugdherinnering Les mots (1964) is een autobiografisch juweel.

Camus’ beschrijvingen zijn zelden intiem, al putten ze wel degelijk uit zijn intiemste ervaringen, zoals reeds bleek uit de korte verhalen (gebundeld als L'envers et l'endroit) waarmee hij in 1938 enige naam verwierf. Hoofdpersoon Meursault uit De vreemdeling (1942) ervaart op beslissende momenten in zijn leven eigenlijk niets. Hij vermeldt de feiten zoals hij ze ziet, in de onuitgesproken hoop dat de lezer er enig verband in zal zien. Dat is een eerlijke weergave van menig menselijk lotgeval, maar ook een ernstig vergrijp tegen de literaire conventie waarmee een generatie lezers heeft geworsteld.
Zijn romans hebben ook iets theatraals; je kunt je nooit met de schrijver alleen wanen, maar hebt steeds het gevoel verantwoording voor je lectuur te moeten afleggen aan een groter publiek. Camus was dan ook een goed toneelschrijver. Hij hechtte veel waarde aan de ontvangst van zijn grote stukken zoals Caligula (1944) en Les justes (1950) en was vereerd dat vooraanstaande acteurs bereid waren ze uit te voeren.

Toch had het Nobelcomité gelijk toen het in de laudatio stelde dat het werk van Albert Camus ‘met nietsontziende eerlijkheid de problemen van het menselijk geweten in onze tijd belicht’. Zijn romans en verhalen geven altijd nauwgezet de kern van existentiële ervaringen weer. Die kern is juist niet gelegen in het persoonlijke, maar in het algemeen menselijke aspect. De universaliteit geeft de ervaring zijn existentiële dimensie, maakt hem tot een gedeelde ervaring waarover je bij wijze van spreken van gedachten kunt wisselen met mensen die je nooit eerder hebt ontmoet.
Gewoon, omdat ze mensen zijn en dus de elementaire ervaringen van het mens-zijn kennen: het besef van eenzaamheid, de ontoereikendheid van elk menselijk streven, het schandaal van een stervend kind, de zon die ons zonder reden of doel tot in het hart kan verwarmen, heel die ‘tedere onverschilligheid’ van de wereld die tegelijk een vloek en een zegen is omdat hij de mens volkomen vrij laat.
Camus ontdekte dat dit besef mensen verbindt. Hij exploreerde dat gegeven het mooist in La peste, waarin tegengestelde karakters de zin van hun leven opnieuw ontdekken in het aangezicht van een schijnbaar zinloze epidemie. Het is een genadeloos boek; het schuwt geen enkel detail van de nederlaag die leven heet en is juist daardoor een ode aan de menselijke volharding. Wie zo Camus’ boeken leest, ontdekt dat ze de volheid van het leven niet buitensluiten maar omvatten en benoemen zoals weinig auteurs voor of na hem hebben gedaan.