‘de wereld is geen museum’

Hij nam deel aan Nederlands laatste ontdekkingsreis, naar het hart van Nieuw-Guinea. Maar ook nu de hele aardbol in kaart gebracht is, valt er nog veel te ontdekken. Herman Verstappen onderzoekt tegenwoordig de grenzen van het milieu, want ‘dit kleine blauwe bolletje heeft geen reserveonderdelen aan boord’.
Koninklijke Bibliotheek, Den Haag: Met kapmes en kompas: Vier eeuwen Nederlandse ontdekkingen en reisverslagen. Tot en met 25 oktober op maandag t/m vrijdag van 09.00 tot 17.00 uur, toegang gratis.
Inlichtingen over de overige tentoonstellingen en activiteiten in het kader van het Wereldcongres van de Geografische Wetenschappen zijn te verkrijgen bij het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap, 030-2532757.
EEN LANGE, BLONDE man met een zwarthoornen bril en met een brandende pijp in de mondhoek meet met kalme gebaren de schedelomtrek van een berg-Papoea. Deze schijnt zich wel te amuseren. Zijn stamgenoten hebben zich in een rij aangesloten om dezelfde behandeling te ondergaan, waarbij behalve de meting van schedel en andere lichaamsdelen ook een prik in de bil behoort, ten behoeve van het bloedgroeponderzoek. Collega’s van de blonde wetenschapper zijn elders bezig met hun bodemonderzoek, taalstudie of plantenontleding, behulpzaam bijgestaan door de Papoea’s, die op hun beurt studie maken van de lichaamsbeharing der blanke mannen.

Deze Nederlandse expeditie vond plaats in 1959 en voerde naar het toen nog onbekende Sterrengebergte in Nieuw-Guinea. Het verslag op film is te zien in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, op de tentoonstelling Met kapmes en kompas: Vier eeuwen Nederlandse ontdekkingen en reisverslagen. Verslagen, kaarten en wereldbollen tonen hoe het wereldbeeld, mede dank zij de Nederlandse ontdekkingsreizen, door de eeuwen heen steeds completer en realistischer werd. Waar het Terra Australis Incognita, het ‘onbekende Zuidland’, eerst nog de hele onderste helft van de wereldbol besloeg, werd dit na de reizen van Abel Tasman, Jacob Roggeveen en anderen bijgesteld tot de proporties van het huidige Australie.
In de jaren vijftig van deze eeuw viel er aan de wereldbol nauwelijks meer iets toe te voegen of in te kleuren. Slechts een witte vlek resteerde nog op de kaart: het moeilijk begaanbare Nieuwguinese Sterrengebergte. De expeditie van 1959, uitgezonden door het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG), markeert dan ook het einde van het tijdperk der ontdekkingsreizen.
ONDER DE wetenschappers die met hun onderzoeksgereedschap in de aanslag dit maagdelijk terrein betraden, bevond zich ook geograaf Herman Verstappen. Het was zijn taak de landschapsontwikkeling van het gebergte en de rivierterrassen vast te leggen, waarbij zijn speciale aandacht uitging naar de oude vergletschering op de Juliana top. Op de film in de Koninklijke Bibliotheek is te zien hoe hij samen met vier collega’s door de eeuwige sneeuw klautert om deze top te bereiken.
Prof. dr. Herman Th. Verstappen is nu 71 jaar. De Julianatop betekende voor hem het begin van een indrukwekkende internationale carriere. Als fysisch geograaf is hij gespecialiseerd in de geomorfologie (terreinvorming) en de daaraan verbonden natuurlijke hulpbronnen. Tot voor kort was hij president van de Internationale Geografische Unie (IGU), de organisatie achter het vorige week in Den Haag gehouden Wereldcongres van de Geografische Wetenschappen. Tijdens dit congres legde Verstappen het presidentschap van de IGU neer, maar hij blijft actief, onder meer als voorzitter van een internationale onderzoekscommissie die zich bezighoudt met de bestrijding van natuurrampen.
Tijdens het vierjaarlijkse Wereldcongres - dat te Den Haag zijn achtentwintigste editie beleefde - bogen geografen uit zo'n 85 landen zich in symposia en andere bijeenkomsten over kwesties betreffende 'Land, Sea and Human Effort’. De tentoonstelling over de ontdekkingsreizen in de Koninklijke Bibliotheek behoort tot de activiteiten die rondom het congres georganiseerd werden om een groter publiek te interesseren voor dit thema.
Verstappen omschrijft de expeditie van 1959 als 'een half jaar in het stenen tijdperk’. Zo'n twintig onderzoekers, een groep mariniers en een groot aantal dragers uit de heuvels van Nieuw-Guinea namen eraan deel. Van het basiskamp naar de Julianatop was het een moeizame tocht. Paden waren er nauwelijks; die moesten opengehakt wor den. Om de vier kilometer werd een helikopterplatform gemaakt, zodat voorraden konden worden ingevlogen. Op sommige dagen vorderden de mannen slechts vijfhonderd meter.
De berg-Papoea’s die de Nederlanders tegenkwamen, waren verstoken van elk modern gereedschap en leefden op een zeer eenzijdig dieet. Ze waren erg vriendelijk en buitengewoon nieuwsgierig.
Verstappen: 'Voor deze mensen waren wij mannetjes van de maan. Hun ontmoeting met ons zette een kettingreactie in beweging. Ze zagen onze stalen messen en bijlen, en die wilden ze natuurlijk wel hebben. Dus gingen ze voor ons werken, grind uit de rivier dragen en daar in het basiskamp paden van maken. Dat was nodig, want het was een geweldige modderpoel. Ze werden stratenmakers en hun beloning bestond uit messen, bijlen en lucifers. Die gingen ze dan weer verhandelen in de dorpen verderop. In hun eigen streek werd de landbouw dus ineens verwaarloosd. Het hele padenstelsel, dat van dorp tot dorp ging, veranderde: het werd helemaal gecentreerd op ons basiskamp.
Maar het belangrijkste was misschien wel dat deze mensen, die zich ondanks hun materiele armoede toch de grands seigneurs van hun gebied voelden, van de ene dag op de andere dag inzagen dat ze eigenlijk maar in een armetierige troep leefden. En door in onze dienst te gaan werken, bevonden ze zich ineens onderaan de maatschappelijke ladder. Al hun waarden werden door elkaar geschud. Het was een onomkeerbaar proces, dat heb ik destijds ook erg goed gevoeld.’
De cultureel antropologen die zich in het gezelschap bevonden om de normen, waarden en gewoonten van de berg-Papoea’s in kaart te brengen, brachten dus tegelijkertijd enkel door hun aanwezigheid een aardbeving teweeg die het wereldbeeld van de Papoea’s op zijn grondvesten deed schudden. Deze paradox zagen de onderzoekers volgens Verstappen wel in: 'Wat ze vastlegden, was de situatie voordat de Papoea’s in contact kwamen met ons. Daarna, door dat contact, vielen veel van hun oude waarden weg. Dan heb je het risico dat ze een beetje verloren raken. Maar het is een onontkoombare ontwikkeling. De wereld is geen museum. De realiteit is dat die contacten met de buitenwereld er komen. Als wij het niet geweest waren, zou de bevolking van de heuvels daar misschien zijn gaan domineren. Ontwikkeling is niet per definitie positief, maar het is net als met ouder worden: onvermijdelijk. Wij waren ons wel bewust van onze verantwoordelijkheid. Hun hele denkraam verandert, en je probeert dat een beetje in goede banen te leiden.’
De Nederlanders zetten hun beste beentje voor door de Papoea’s waar nodig medische hulp te bieden en door bijvoorbeeld - voor de broodnodige afwisseling in het dieet - kippen en nieuwe gewassen te introduceren. In de geschiedenis van de ontdekkingsreizen is wel slechter met de inheemse bevolking omgegaan, zoveel is zeker.
VERSTAPPEN IS ER de man niet naar om lang bij het verleden stil te staan. 'Dat is mosterd na de maaltijd. De ontzettende narigheid die over, noem maar op, de aboriginals of de Indianen is heen gekomen, daar kan ik me niet verantwoordelijk voor voelen. Daar kunnen we niets meer aan veranderen. Waar ik mij verantwoordelijk voor voel, is de toekomst van de volgende generaties.’
En voor die toekomst is de geografische wetenschap volgens Verstappen van groot belang. 'In mijn openingsrede voor het Wereldcongres in Den Haag noemde ik het “de renaissance van het geografische denken”. De geografie houdt zich specifiek bezig met de relatie tussen de mens en zijn omgeving. Wij hebben altijd gedacht dat we de natuur konden beheersen. Nu zijn we op een punt in de geschiedenis beland waarop de natuur moet gaan bepalen hoe wij ons verder gaan gedragen, als we willen overleven. Want als we op de huidige manier verder gaan, gaat het goed fout.’
Volgens Verstappen kan het nieuwe elan van de geografie worden gezien in het licht van de oude ontdekkingsreizen: 'In de geschiedenis van de ontdekkingsreizen zijn twee perioden te onderscheiden: eerst de ontdekkingsreizen ter zee, met Willem Barentsz, Abel Tasman, in de zeventiende en achttiende eeuw. Daarna kwamen de ontdekkingsreizen ter land, in de negentiende en twintigste eeuw. En dat valt eigenlijk samen met het begin van de moderne geografie. De eerste geografische genootschappen dateren van rond 1840; de Internationale Geografische Unie werd opgericht in 1871 en de Nederlandse afdeling, het KNAG, volgde twee jaar later. Deze periode is geeindigd door het feit dat de wereld is volgebouwd; er zijn geen echte witte vlekken meer, afgezien van Antarctica en de oceaanbodem. Dat betekent natuurlijk niet dat er niets meer te onderzoeken viel. Na de fase van exploratie volgde de fase van monodisciplinaire verdieping: het onderzoek ging als het ware de diepte in.
Maar op dit moment is een derde fase van de ontdekkingsreizen aangebroken, en dat heeft alles te maken met de milieuproblematiek. Grote onderzoeksprogramma’s als Global Change (over de klimaatsveranderingen op aarde - pk) en daarmee samenhangend de Human Dimension of Global Change, kennen weer een multidisciplinair karakter.’
MET HET UITKAMMEN en in kaart brengen van zelfs de verste uithoek van de aarde is ook het besef gedaagd dat er grenzen zijn aan de rekbaarheid van het milieu. Natuurlijke hulpbronnen raken op en het klimaat raakt in de war door alle menselijke activiteiten, met alle gevolgen van dien. 'Grenzen aan de groei’ en 'duurzaamheid’ zijn enkele kreten die sinds dat besef opgeld doen, en de geografie is boodschapper in dit bewustwordingsproces. Verstappen: >f11<'Er is op dit moment praktisch geen plekje op de wereld waar werkelijk duurzaam met het milieu wordt omgegaan. Gelukkig raken ook de autoriteiten over de hele wereld langzamerhand doordrongen van deze problematiek.’
Natuurlijk is de geografie niet de enige wetenschap die in het zoeken naar oplossingen geconsulteerd moet worden. Verstappen: 'De geografie speelt de rol van intermediair tussen de mens- en de natuurwetenschappen. We zitten als geografen in het oog van de cycloon, omdat juist de geografie de brug slaat tussen mens en natuur. Aan het concept van een duurzame samenleving zitten drie kanten: een efficient economisch systeem, een sociaal evenwicht, en - het belangrijkste - het uitgebalanceerd omgaan met het natuurlijke milieu, dus niet meer opmaken dan er aangemaakt wordt.’
Dit drievoudige concept vereist een andere manier van denken bij bijvoorbeeld economen, die gewend zijn welvaart af te meten aan het inkomen per hoofd van de bevolking. Aan de andere kant wijkt het ook af van het gezichtspunt van bepaalde ecologen, die het liefst alleen de natuur zien en de menselijke invloed zouden willen wegvlakken. De geografie moet dit samen zien te brengen in een overkoepelende aanpak, waarbij de wisselwerking tussen mens en milieu centraal staat.
Verstappen: 'De wereld is nu vol. We zitten met z'n allen op dat kleine blauwe bolletje dat door het heelal vliegt, en we zijn tot de ontdekking gekomen dat er geen reserveonderdelen aan boord zijn en dat er geen benzinestation in zicht is. We gaan nu kijken hoe dat verder moet. Het is een ontdekkingsreis naar een duurzame wereld, en dat is eigenlijk net zo spannend als de reis naar die laatste witte vlek.’
EERST WERD de wereld opengelegd, vervolgens werd ze (bijna) opgemaakt, en de man die in de heuvels van het Sterrengebergte het stenen tijdperk betrad, mag nu nog meemaken hoe we gaan proberen dat weer recht te trekken. Verstappen: 'Ik voel mij een geluksvogel. Wat begon met de ontmoeting met die onthutste berg-Papoea, die met een technologisch superieure cultuur werd geconfronteerd, wordt nu in een heel nieuw kader gezet. Ik ben blij dat ik nog steeds kan deelnemen aan deze ontdekkingsreis in de huidige wereld.’