Ergens in het veld vol uitgebloeid knoopkruid schiet een verenbolletje weg. Nog voordat ik naar mijn verrekijker kan grijpen heeft Helen Macdonald het geluid al herkend: ‘a wren’. Pas wanneer ik het opstaande staartje van het kleine bruine vogeltje in het vizier krijg, zie ik wat ze bedoelt: een winterkoninkje. Macdonald is geïntrigeerd door de Nederlandse naam: ‘King of winter… dat is interessant. Ik weet wel dat er in Groot-Brittannië en Ierland een winterritueel was waarbij dorpelingen op dit vogeltje jaagden om er vervolgens op een versierde paal door de straten mee te paraderen. Zou het daar iets mee te maken hebben?’

Terug van de wandeling klapt Macdonald meteen haar laptop open. ‘Aha! Kijk, this is really cool!’ Ze heeft een webpagina geopend met informatie over Wren Day, een Ierse feestdag die op 26 december in verschillende Europese landen wordt gevierd. De ‘wrenboy’s’, uitgedost in kostuums van stro, gingen zingend van deur tot deur om geld op te halen voor een goed doel. Een van de liederen bevat de strofe ‘the wren, the wren, the King of All Birds’. In de Keltische mythologie staat het winterkoninkje symbool voor het jaar dat ten einde loopt en werd het daarom kort voor de jaarwisseling geofferd. ‘Dat klinkt vrij duister allemaal’, lacht Macdonald. ‘Gelukkig gebruiken ze tegenwoordig een nepvogeltje voor de optocht.’

Cultuur, geschiedenis, vogels: hier komen alle ingrediënten samen die zo kenmerkend zijn voor Macdonalds veelgeprezen boeken over de natuur. Of eigenlijk schiet een label als ‘natuurboek’ schromelijk tekort voor H is for Hawk, de memoir waarmee het grote publiek in 2014 kennismaakte met Macdonald. Boekhandelaren hadden geen idee op welke plank ze deze vreemde mengvorm van genres moesten zetten: hoorde dit bij de vogelboeken? Ging dit over rouw? Of was het een verkapte studie naar T.H. White, de Britse schrijver (1906-1964) die vooral bekendheid vergaarde met zijn verhalen over Koning Arthur, maar ook een literair verslag schreef van zijn eigen poging een havik af te richten (The Goshawk)?

Ja, op al het bovenstaande, is waarschijnlijk het enige juiste antwoord en dat is precies wat H is for Hawk zo bijzonder maakt. Macdonald beschrijft de periode na de plotse dood van haar vader, een persfotograaf die wereldberoemde foto’s maakte van The Beatles en het koninklijke huwelijk tussen prins Charles en prinses Diana. Het is een periode van afzondering, de enige compagnon die niet van haar zijde wijkt is Mabel, een jonge havik die ze voor achthonderd pond heeft aangeschaft en nu wil ‘treinen’, zoals het africhten van jachtvogels in valkeniersjargon heet. Het is niet alsof Macdonald niet weet waaraan ze begint; van jongs af aan is ze in de ban van roofvogels. Naast haar werk als wetenschapshistoricus aan de universiteit van Cambridge schreef ze een boek over de valkerij. In Falcon (2006) noteert ze al dat iemand die de voorkeur geeft aan een havik boven een valk van oudsher werd beschouwd als een zonderling.

Haviken zijn notoir lastige vogels, maar misschien was dat nu net het punt: ze wilde de ontberingen ondergaan om haar verdriet te ontvluchten. Ze wilde worden zoals de havik: wild, onbeheersbaar en levend in het moment. Al besefte ze dat niet op het moment zelf. ‘Dat is een beetje gênant, want mijn academische werk ging over hoe mensen de natuur, en roofvogels in het bijzonder, als een spiegel gebruiken’, zegt Macdonald. ‘T.H. White had het over het verschil tussen kennis en begrip. Je kunt iets weten zonder het te begrijpen. Misschien had ik wel een vage intuïtie van wat er gebeurde op psychologisch niveau – dat ik een havik, in tegenstelling tot mijn rouw, wél onder controle kon krijgen – maar het duurde heel lang voordat ik het echt begreep.’

Pas vijf jaar na de dood van haar vader was ze op het punt dat ze erover kon schrijven. Eerst moest er genoeg tijd verstrijken om zichzelf als een personage te kunnen beschouwen. Een personage dat de weg kwijt is, door een diep dal gaat en een vogel in huis neemt die het ene moment op een leren handschoen zit te knikkebollen voor de televisie en het volgende moment haar dodelijke klauwen in een fazant zet. ‘Toen mensen me ontmoetten tijdens de promotietour van H is for Hawk, waren ze verrast. Ze hadden iemand verwacht die depressief en ellendig was. Terwijl ik eigenlijk best vrolijk ben.’

Helen Macdonald, volledig in het zwart gehuld, is inderdaad goedgemutst als ik haar half oktober opzoek op het platteland van Suffolk. Aan de keukentafel vertelt ze over haar liefde voor vogels, de verscholen betekenissen in onze natuurbeleving en de nieuwe projecten waaraan ze werkt. Af en toe loopt ze even de tuin in om een sigaretje te roken en ze slaakt een vreugdekreet wanneer ze het nieuws leest dat Kwasi Kwarteng aftreedt als minister van Financiën. ‘Het kan niet lang meer duren voordat Liz Truss volgt’, voorspelt ze correct. ‘God, wat een puinhoop is dit land soms.’

Het plaatsje waar ze sinds een paar jaar woont heet Hawkedon en ‘Nee!’ dat was geen bewuste keuze, had Macdonald eerder die dag lachend benadrukt terwijl ze me met haar gebutste Mini Cooper kwam ophalen van het dichtstbijzijnde treinstation. ‘Iedereen denkt dat natuurlijk, maar ik zweer het: toen ik een afspraak maakte om dit huis te bezichtigen wist ik de plaatsnaam niet eens. En om het toeval compleet te maken was de man van het stel dat dit huis verkocht ook nog eens testpiloot bij de Royal British Air Force.’ Haar vader Alisdair Macdonald, zo weten lezers van H is for Hawk, was bezeten van vliegtuigen.

Macdonald voelt zich hier thuis, in dit dorpje tussen de weilanden op zo’n veertig minuten rijden van Cambridge. Vanuit haar achtertuin heeft ze een weids uitzicht en ze boft met haar dorpsgenoten: ‘Het is hier niet heel divers qua cultuur en etniciteit, maar het zijn heel vriendelijke mensen en voor zo’n gehucht is men verrassend progressief.’ Sowieso wil ze niets weten van de karikaturale tegenstelling tussen de ruimdenkende stadselite en de bekrompen boeren. Toen Macdonald een tijdje terug uit de kast kwam als non-binair kreeg ze (het vrouwelijke voornaamwoord vindt ze prima) prettige en ondersteunende reacties, ook van rurale vogelvrienden in tweedjasjes. ‘Hoogstens hadden sommigen zoiets van “och, de jeugd van tegenwoordig”, en dan zei ik “hoezo jeugd? Ik ben vijftig!”’

Ze was altijd al een buitenbeentje in de mannenwereld van vogelaars, het meisje dat rondhing met grijze valkeniers die haar snuiftabak aanboden en inwijdden in de ornithologie. ‘Ik dacht dat ik een van hen was’, zegt Macdonald. ‘Maar zij vonden me een grappige freak. Als tiener dacht ik dat ik me maar gewoon als vrouw moest identificeren, omdat ik geen andere categorie tot mijn beschikking had. Nu besef ik dat ik er altijd een beetje tussenin zat. En dat is best een coole plek.’

Wanneer Macdonald schrijft over de natuur gaat het op een subtiele manier ook over zaken als identiteit, klasse en macht. Dat is zeker het geval bij het in 2020 verschenen Vesper Flights, een essaybundel die een politiekere ondertoon heeft, zonder dat het pamflettistische of polemische trekjes krijgt. ‘Ik ben niet goed in betogend schrijven’, zegt Macdonald. ‘Misschien komt dat doordat ik er een hekel aan heb als mensen mij vertellen wat ik moet doen of vinden. Mijn taak is eerder om naar dingen te wijzen en te zeggen “kijk hier eens naar, kijk hoe mooi en magisch dit is!” Maar ik denk wel dat het een politieke daad is om de mens niet langer centraal te stellen. De wereld is hier niet voor ons, dat is een van de belangrijkste lessen uit de natuur.’

Macdonald groeide op in een theosofische gemeenschap, omringd door excentrieke figuren die in aliens geloofden en spirituele bijeenkomsten hielden. Haar ouders, allebei nuchtere journalisten, waren niet esoterisch aangelegd en wisten niets van theosofie toen ze de woning kochten op het landgoed. Het was de groene omgeving die hen aantrok. De jonge Macdonald vond de eigenaardigheden van haar buren vooral fascinerend, zelf was ze eerder een rationeel en nieuwsgierig kind dat niets liever deed dan met haar verrekijker de hort op gaan. Haar vader had een grote verzameling natuurgidsen en na een boswandeling stalden ze de buit – veren, schedels, dennenappels – uit op de eettafel om alles te classificeren. ‘Dat schiep een band.’

‘De hele notie dat we “de natuur” leren kennen door de wildernis in te gaan, is problematisch. Alsof het iets externs is aan de mensenwereld’

Pas recentelijk begon het Macdonald te dagen dat die religieuze omgeving op een onbewust niveau misschien toch sporen heeft achtergelaten. Bij het schrijven van Vesper Flights zocht ze naar woorden die haar ontzag voor de natuur konden vangen. Aanvankelijk ging ze te rade bij achttiende- en negentiende-eeuwse filosofen met hun theorieën over het sublieme. Dat kwam in de buurt, maar het was niet genoeg. De termen die ze nodig had om recht te doen aan haar natuurervaringen vond ze eerder in de theologie dan in de filosofie. Ook in ons gesprek heeft Macdonald het regelmatig over ‘verlossing’ en ‘genade’. Ze zegt: ‘Ik ben niet gelovig, maar ik kan wel een soort religieuze ervaringen hebben. Als ik een cumulonimbus, een onweerswolk, zie ontstaan in de strakblauwe zomerlucht, voel ik me dicht bij het goddelijke. Er is niets en opeens begint daar iets te groeien en te groeien en dat wordt zo’n enorme elementaire kracht. Natuurkundig weet ik precies hoe zo’n wolk ontstaat en hoe onweer werkt, maar toch is het iets magisch en transcendents.’

Macdonald is niet het soort natuurschrijver dat de lezer eens fijntjes uitlegt hoe de wereld in elkaar steekt. Liever deelt ze haar verwondering en overpeinzingen. Meer dan in het biologische proces is ze geïnteresseerd in de betekenissen die wij toekennen aan de wildernis en wat dat over ons verraadt. We projecteren namelijk van alles op dieren. Een zwaan is nooit zomaar een zwaan, maar de verzinnebeelding van nobelheid en de aristocratie. Wanneer we een hert zien, denken we automatisch aan Bambi. En de verhitte discussie over de terugkeer van de wolf valt niet te begrijpen zonder alle mythes en sprookjes over het roofdier.

‘Ik gaf eens een praatje over H is for Hawk in een boekwinkel in Washington D.C.’, vertelt Macdonald. ‘Na afloop kwam een jongeman in pak op me af die meende te weten waar mijn boek écht over ging. “O”, zei ik. “Waarover dan?” “Internationale diplomatie”, antwoordde hij vol overtuiging. Het onderhandelen met de havik zag hij als een metafoor voor geopolitiek. Ik vroeg of hij toevallig in de internationale diplomatie werkte en dat was inderdaad het geval. Een mooie interpretatie vond ik dat. Ik heb ook veel jonge moeders gesproken die het boek lazen als een verhaal over moederschap; opgesloten zitten in een huis met een vreemd wezen dat niet kan praten en geen idee hebben of je het goed doet. Om maar te zeggen: we projecteren continu.’

Toch zijn er soms ervaringen waarbij wilde dieren dwars door onze projecties heen breken. We zouden de natuur tekort doen als we haar reduceren tot een spiegel. Macdonald vertelt over die keer dat ze in Nieuw-Zeeland was en op zoek ging naar albatrossen, de zeevogel die symbool staat voor vrijheid en hoop, bezongen is door vele dichters en in sommige culturen helende krachten wordt toegedicht. ‘Ik ben geobsedeerd door die vogel en wilde er zo graag een zien. Alleen was het een windstille dag en er was me verteld dat de albatrossen alleen aan land komen als de wind goed staat. Dus ik keek uit over het strand en dacht aan wat albatrossen voor mij betekenen, terwijl ik mijn teleurstelling verwerkte. Maar op een gegeven moment stak de wind op en kwam er een albatros aanvliegen. Het leek wel of er een hond in de lucht zweefde, zo groot was-ie. Hij had prachtige puntige vleugels en ongelooflijke madonna-achtige ogen die met houtskool leken aangezet. Terwijl hij passeerde keek hij me recht aan en het klinkt misschien een beetje cliché, maar op dat moment keek hij dwars door alle albatrosverhalen in mijn hoofd heen. Het was verbluffend, een moment van radicale vernieuwing.’

Inmiddels heeft Macdonald vele duizenden albatrossen van dichtbij gezien. Voordat de coronapandemie uitbrak was ze bezig met een boek over Midway, een atol in het midden van de Stille Oceaan en de broedplaats van de grootste albatroskolonie ter wereld. Het is een plek waar je alleen kunt komen als onderzoeker of vrijwilliger bij een natuurproject. In 2018 bezocht Macdonald het eiland om mee te helpen met de telling van albatrossen. Weken achtereen liep ze over het strand met een klikker, langs rijen en rijen met broedende zeevogels. Wanneer ze ’s nachts in slaap viel droomde ze over albatrossen. ‘In de Hawaïaanse cultuur zijn deze eilanden de plek waar zielen geboren worden en terugkeren na de dood. Toen ik daar aankwam begreep ik direct waarom.’

Het boekproject heeft even stilgelegen. Haar laatste bezoek moest Macdonald vervroegd afbreken vanwege een ontsteking aan de schildklier, een kwaal die steeds vaker voorkomt door de plastic vervuiling waar ook de zeevogels last van hebben. Daarna ging de wereld op slot. ‘Maar zodra ik de kans krijg ga ik terug naar Midway.’ De insteek van het boek is wel veranderd, vertelt Macdonald. Wat begon als een verhaal over het einde van de wereld, wordt nu waarschijnlijk ook een ‘meditatie over lockdown’. ‘Wat betekent het om vast te zitten op een klein en afgezonderd eilandje en wat betekent het om naar een plek te willen die je niet kunt bereiken?’

Helen Macdonald thuis in Hawkedon, Bury St. Edmunds. 2020 © Sophia Evans / Guardian / Eyevine / ANP

Een van de adviezen tijdens de lockdown was om lekker de natuur in te trekken, waar we troost en afleiding konden vinden. Een boswandeling zou heilzaam zijn voor lichaam en geest. Macdonald kan zich er nog over opwinden: ‘Ik vind dat zo’n middenklassengedachte. Wat als je midden in de stad woont en je hebt geen financiële middelen voor een uitstapje? De hele notie dat we “de natuur” leren kennen door de wildernis in te gaan, als een nietzscheaanse wandelaar, is op een dieper niveau problematisch. Alsof het iets externs is aan de mensenwereld. Tijdens de pandemie begon ik na te denken over een andere omgang met de natuur. Ik ging helemaal op in het idee van radicale empathie met de wezens die overal om ons heen zijn.

Kijk daar, bijvoorbeeld.’ Ze wijst naar de tuindeur en mijn blik gaat automatisch door het glas richting het weiland achter haar huis. ‘Nee, daar in de hoek van het kozijn. Zie je dat zwarte hoopje? Dat zijn harlekijnlieveheersbeestjes. Wij delen een huis. Je kunt hier gewoon aan de keukentafel zitten en bedenken hoe het is om zo’n insect te zijn. Dat is een boeiende intellectuele en emotionele oefening. En die is toegankelijk voor iedereen. Daarvoor hoef je niet naar een nationaal park.’

Even valt Macdonald stil. ‘Zal ik heel eerlijk zijn? De afgelopen tijd had ik helemaal geen zin om veel naar buiten te gaan.’ De lockdown bracht ze vooral door op haar bank, kijkend naar actiefilms. In plaats van troost te zoeken in de natuur, begon ze aan een heel ander project: samen met Sin Blaché schreef Macdonald een sciencefictionroman over een geheim militair project dat nostalgie wil inzetten als een dodelijk wapen. Het is ook een ‘queer liefdesverhaal’ en er komen voor de verandering geen vogels in voor. De laatste correcties van de uitgever zijn net binnen en nog voordat Prophet, zoals het boek zal heten, naar de drukker is zijn de filmrechten al verkocht.

Macdonald kijkt ernaar uit om het resultaat aan de wereld te tonen. ‘We hebben zoveel plezier gehad in het schrijven. Naast literatuur en natuur is er nog een ander deel van me, dat ik tot nu toe verborgen heb gehouden voor de buitenwereld. Van kinds af aan verslind ik sciencefiction. Als ik naar een boekhandel ging, keek ik eerst bij de natuurboeken en sloop vervolgens naar de sciencefictionafdeling. Het voelde altijd een beetje ondeugend, ik denk dat ik intuïtief aanvoelde dat het cultureel als minderwaardig werd gezien, wat schandalig is, want scifi biedt vaak het beste commentaar op de menselijke toestand.’

‘Het is een feit dat de biodiversiteit tijdens mijn leven compleet in elkaar is gestort’

Het uitstapje naar sciencefiction heeft haar goed gedaan, ook haar nieuwsgierigheid naar de natuur is weer helemaal terug. Maar hoe komt het, vraag ik, dat ze daar zo op was afgeknapt? ‘Daar heb ik lang over nagedacht’, zegt Macdonald. ‘Volgens mij heeft het iets te maken met een reis naar Costa Rica die ik kort voor de pandemie maakte. Samen met een groepje vogelaars trok ik in een minibusje door het land om bijzondere vogels te bekijken. We hadden een fantastische gids en deden prachtige waarnemingen, maar ik vond het een vervelende ervaring. Het was alsof we een lijstje afwerkten. We namen niet de tijd om een plek te leren kennen. Ik raakte helemaal gestrest en somber. En mijn reisgezelschap bestond ook nog eens uit fanatieke brexiteers. Onderweg ging het veel over immigratie en hoe de EU ons controleert, ik was een eenzame stem die er iets tegenin probeerde te brengen. Het voelde als een vervloekte reis.’

Migratie en xenofobie zijn impliciete thema’s in Vesper Flights, bijvoorbeeld wanneer Macdonald schrijft over invasieve exoten. Hoe gaan we om met dieren en planten die, al dan niet bewust, ergens zijn beland door toedoen van de mens, en een bedreiging kunnen vormen voor inheemse ecosystemen? Een bekend Nederlands voorbeeld zijn de halsbandparkieten, die ooit ontsnapten uit volières en tegenwoordig veelvuldig te vinden zijn in stadsparken in West-Nederland. De felgroene en luidruchtige vogels zijn sommigen een doorn in het oog. Ze horen thuis in India of Centraal-Afrika, niet in Nederland, vinden zij, de boomholten waarin zij broeden zijn bedoeld voor lokale soorten als de boomklever. Enkele fruittelers hebben valkeniers ingeschakeld om de plaagparkieten met behulp van roofvogels van hun boomgaard te verjagen.

En dan zijn er nog de soorten die doelbewust worden uitgezet in een poging de wildernis te herstellen. Macdonald heeft dubbele gevoelens over rewilding, vertelt ze. ‘Het is een van de weinige hoopvolle ontwikkelingen als het gaat over biodiversiteitsherstel. Het is een narratief van verlossing: dat we kunnen herstellen wat we zelf kapot hebben gemaakt. Op een emotioneel niveau spreekt me dat zeer aan.’

Waar het wringt is dat rewilding uitgaat van een scheiding tussen mens en natuur; in plaats van in te grijpen moeten we ons terugtrekken en de wildernis haar gang laten gaan. Hooguit kunnen we de ecologische processen op gang helpen door sleutelsoorten te introduceren. ‘Het raakt allemaal aan de vraag: wat voor soort natuur willen we? Wat is de oerstaat die we nastreven? Die kwestie is enorm politiek geladen, kijk maar naar de problemen bij het grote rewilding-project in Nederland.’

Kennelijk heeft Macdonald gehoord over de hoogoplopende gemoederen rond de Oostvaardersplassen. Geheel in lijn met de rewilding-gedachte was het de bedoeling om de poldernatuur in Flevoland zo veel mogelijk met rust te laten, maar toen boze demonstranten zagen hoe konikpaarden crepeerden begonnen ze medewerkers van Staatsbosbeheer met de dood te bedreigen. Hier botsten twee wereldbeelden: dat van de ecoloog die aandacht heeft voor het geheel en begrijpt dat de natuur wreed kan zijn, en het perspectief van de dierenliefhebber voor wie het zichtbare lijden van de paarden onverteerbaar is. ‘Klasse speelt daarbij ook een rol’, zegt Macdonald. ‘In Groot-Brittannië kijkt de middenklasse neer op de sentimentele natuurbeleving van de arbeidersklasse. Sentimentaliteit wordt dan beschouwd als een zonde, omdat het onwetenschappelijk en irrationeel is.’

Die klassenverschillen komen bijvoorbeeld tot uiting in iets ogenschijnlijk onschuldigs als de keuze voor een vogelhuisje. Waar natuurpuristen de voorkeur geven aan de sobere nestkasten van hout, zijn bij de ‘gewone’ tuincentra de kleurrijke huisjes populair. Hoewel er goede redenen zijn om sommige materialen te mijden, komt het voor een groot deel ook neer op een kwestie van smaak, schrijft Macdonald in Vesper Flights. ‘In de utilitaire lelijkheid van onopgesmukte nestkasten ligt een soort doelmatig altruïsme besloten, terwijl de decoratieve exemplaren daarnaast ook mensen willen plezieren. De vogels maakt het allemaal niets uit, natuurlijk.’

Nog duidelijker zijn de spanningen tussen vogelkijkers en vogelhouders. Het is makkelijk om mensen te veroordelen die zangvogeltjes opsluiten in kooitjes, maar het zijn vaak vogelliefhebbers, met een bijzondere kennis en liefde voor de natuur, weet Macdonald. ‘Mijn ex-vriend was helemaal thuis in die wereld, hij had ook windhonden om te jagen – al die zaken waarop wordt neergekeken. Een van de redenen waarom ik zo dol op hem was, was zijn diepgevoelde kennis over de natuur. Alleen wordt de manier waarop hij met de natuur omging niet als correct beschouwd. Niet dat ik stroperij wil goedpraten. Het is natuurlijk problematisch dat in de tropen zeldzame vogels worden gevangen die in Europese kooitjes belanden. Maar wat mij interesseert is de vraag wie het recht heeft om te bepalen hoe we moeten omgaan met de natuur. Hoe we “natuur” definiëren, welke vragen we stellen, dat is altijd al doortrokken van culturele en politieke macht.’

In Macdonald lijken beide zielen, die van de natuurliefhebber en die van de dierenvriend, zich te verenigen. Terwijl ze vertelt over haar magische ontmoetingen met wilde dieren in hun natuurlijke habitat vliegen er twee tamme papegaaien door de keuken, die tijdens de lunch aan de overgebleven pizzakorsten knabbelen. ‘Dit is eigenlijk hartstikke slecht voor ze’, zegt Macdonald.

Misschien komt de symbiose nog wel het best tot uiting in het treinen van roofvogels. Een havik is geen huisdier, het blijft een ontembaar beest, waarmee je met veel inspanning een relatie kunt opbouwen. ‘De beste beschrijving die ik ken komt van de Amerikaanse auteur Stephen Bodio. Valkerij, schreef hij, is de kunst om beleefd te zijn tegen een vogel.’

Mabel, de havik uit H is for Hawk, overleed kort na het schrijven van het boek aan een bacteriële infectie. Macdonald kan haar nog steeds missen. Ze loopt naar haar kantoor en komt terug met een Tupperware-bakje vol veren. ‘Ik heb Mabels geruide borstveren bewaard’, zegt ze. ‘Ze zijn zo mooi.’ Ze plukt twee donsveertjes met een wit en bruin strepenpatroon uit het bakje. ‘Alsjeblieft, een aandenken.’

Iedere schrijver heeft één onderwerp dat ten grondslag ligt aan al hun werk, schrijft Macdonald in het voorwoord van Vesper Flights: ‘Ik heb de indruk dat mijn onderwerp de liefde is, en dan in het bijzonder de liefde voor de schitterende wereld van het niet-menselijke leven om ons heen.’

Ik vertel haar dat ik de indruk heb dat er nog een ander grondthema te ontwaren valt. Net als H is for Hawk gaat Vesper Flights over verlies, zij het in een wat abstractere vorm. Macdonald knikt. ‘Liefde en dood liggen dicht bij elkaar. Het is hartverscheurend om te zien hoe de levende planeet aftakelt. Vroeger moest ik een beetje lachen als mijn ouders klaagden over al het moois dat verdwenen is, maar het is een feit dat de biodiversiteit tijdens mijn leven compleet in elkaar is gestort. Dat is moeilijk te bevatten en nog moeilijker te verwerken. Ik wil daarvan getuigenis afleggen. Ik wil laten zien wat er verloren is gegaan en wat we nog steeds verliezen.’

In een van de essays beschrijft Macdonald een veld uit haar jeugd. Ze ligt op haar buik, tuurt door de grassprieten en verwondert zich over al het minuscule leven dat daar schuilgaat. Dan draait ze zich op haar rug en ziet ganzen overvliegen en wolken overdrijven in het oneindige blauw. Wanneer ze vele jaren later langs de weide rijdt is het plat gemaaid tot een levenloos biljartlaken. Wat haar nog het meest steekt is de gedachte dat degene die de grasmaaier hanteerde zich waarschijnlijk van geen kwaad bewust was. Hij vormde het landschap simpelweg naar hoe hij dacht dat een weiland eruit hoort te zien. ‘Bij die aanblik barstte ik in huilen uit’, schrijft ze. ‘Een vrouw die niet zozeer huilde om haar jeugd, maar om alles wat op die plek was uitgewist.’

Macdonald veegt de pizzakruimels van tafel en doet de papegaaien terug in de kooi. ‘Terugkijkend zie ik dat mijn verhouding tot de natuur vanaf het begin verbonden is met verlies’, zegt ze. ‘Mijn tweelingbroer is niet lang na zijn geboorte gestorven. Pas op mijn achttiende hoorde ik dat van mijn moeder en mijn eerste reactie was “o ja, natuurlijk”. Ik heb altijd het gevoel gehad dat een deel van me ontbrak. Misschien dat daar de drang vandaan kwam om constant op zoek te gaan naar levende wezens. Vogels kijken, slangen vangen, babydassen houden… ik vermoed dat er iets psychologisch in schuilt: dat ik op zoek ging naar een missend deel van mezelf. Maar wat ik vond was de natuur en sindsdien is dat onderdeel van wie ik ben.’