Canon van de boekverfilming

De wereld is mooi, de mens lelijk

In het film- en boekenprogramma De canon van de boekverfilming – maandelijks in het OBA Theater te Amsterdam – debatteren critici van De Groene Amsterdammer over de eeuwige vraag: wat is beter, het boek of de film? Op 20 december: Barry Lyndon van Stanley Kubrick en William Makepeace Thackeray.

Medium schermafbeelding 202016 12 15 20om 2013.53.34
© Trailer Barry Lyndon (Youtube)

De kaartspelers in een beroemde scène uit Barry Lyndon (1975) van Stanley Kubrick zijn niet gekleed in ‘kostuums’, ze dragen echte kleding uit de achttiende eeuw. En in plaats van ‘schmink’ hebben ze op hun gezichten precies hetzelfde soort witte smeersel van vloeibaar lood dat men in die tijd gebruikte om viezigheid en zweren, het gevolg van allerlei ziekten, te verbergen. Om duidelijk te zijn: deze informatie is slechts beschikbaar voor wie zich verdiept in de historiografie van Kubricks film. Maar de ‘verborgen authenticiteit’ werkt wel degelijk door in de impact van de film – het is alsof de meester het verleden tot leven wekt.

Kubricks bron is The Luck of Barry Lyndon (1844) van William Makepeace Thackeray, een roman over een Ierse vagebond van lage komaf die koste wat het kost deel wil uitmaken van de aristocratie. Met allerlei listen wurmt hij zich een weg naar de top, eerst als soldaat in de Zevenjarige Oorlog (1756-1763), later als een charmante poseur die door leugens en bedrog rijkdom en faam verwerft.

Thackeray, meer bekend vanwege zijn magnum opus Vanity Fair waarin hij de mores van de hogere klassen op de hak neemt, zag zichzelf niet echt als een hekeldichter, maar meer als een realist. Dat zien we terug in zijn held, Redmond Barry, die weinig geeft om liefde en praatjes en ‘all that nonsense’. In zijn poging voor zichzelf een hogere plaats in de samenleving te verwerven is alles geoorloofd. In de woorden van Thackeray’s verteller, Barry: ‘Dare, and the world always yields; or, if it beat you sometimes, dare again, and it will succumb.’

Thackeray biedt de lezer direct toegang tot de psychologie van het hoofdpersonage door een onbetrouwbare ik-verteller. Kubricks cinematografische transplantatie van deze stijl neemt de vorm aan van een verteller die alwetend is, maar die eveneens een loopje met de waarheid neemt. Zo bezien kan het verhaal in beide vormen onmogelijk worden gezien als ‘authentiek’. In het geval van Kubrick is dat ironisch, wat de kern van deze mysterieuze film raakt: waarom heeft de regisseur dan zoveel energie gestoken in het creëren van een tijdsbeeld dat vooral ‘echt’ moest zijn, terwijl het hele verhaal juist draait om illusie en schijnbeelden?

Weinig emotie is er te bespeuren bij Kubricks Barry. Wat dit betreft is het verleidelijk te gissen dat juist deze eigenschap Kubrick aansprak. In zijn films is ‘mens’ of ‘menselijkheid’ iets relatiefs. Denk maar aan de kille, rationele astronauten in 2001 A Space Odyssee of aan de psychopaten Alex en Jack in respectievelijk A Clockwork Orange en The Shining. Zelfs kolonel Dax in Paths of Glory zit gevangen in een keurslijf van regels en conventies, óók in zijn pogingen drie militairen vrij te krijgen die ten onrechte ter dood veroordeeld zijn wegens desertie. Hoe Dax ook oreert over ‘menselijkheid’, hij staat machteloos tegenover de machinerie van oorlogvoeren.

Wat Kubricks Barry interessanter dan deze personages maakt is zijn tragiek. De vagebond-humor van Thackeray gaat in de film over in wrangheid en melancholie die zelfs in de visuele stijl te zien zijn. Kubrick gebruikte speciale lenzen, oorspronkelijk ontworpen voor gebruik in de ruimtevaart, om belichting met slechts kaarslicht mogelijk te maken. Hij was op zoek naar hetzelfde soort licht en textuur als in de schilderijen van kunstenaars als Gainsborough en Hogarth.

Interessant genoeg diende Hogarth ook als inspiratie voor Thackeray, vooral de reeks schilderijen getiteld Marriage à _-la-mode_ waarin kunstenaar de dubieuze moraliteit van de hogere klassen becommentarieert. Het werk The T_ ê te à T ê_te (1743) beeldt een tafereel uit dat direct aansluit bij de thematiek van Barry Lyndon, film en boek: het mislukte leven van een echtpaar, een man en een vrouw die evident weinig interesse in elkaar hebben, zij koket kijkend, maar niet naar hem, hij vermoeid in zijn stoel, een dameskledingstuk als suggestie van ontrouw hangend uit zijn zak.

Met zijn aandacht voor de schilderkunst – ook in de wijze waarop hij langzaam in- of uitzoomt op en vanuit scènes zoals die in The T _ê__ te à T ê te_ – wekt Kubrick het ‘dode’ verleden tot leven. Toch voelt wat we in zijn ‘geschilderde film’ zien onverminderd relevant aan.

Maar dát is eveneens een verdienste van Thackeray, wiens verhaal universele waarde heeft. Want zie onze Redmond. In de roman heeft hij, als verteller, prachtig door dat wij lezers zijn vieze spelletjes zullen veroordelen, sterker, dat we dat moeten doen willen we iets van onze eigen menselijkheid in stand houden. Redmond ziet de bui hangen, en maakt ons lezers uit voor ‘rigid moralists’. Probeer je mijn situatie in te denken, beste lezer, zegt hij. Mensen die zo arm zijn als ik kunnen zich niet veroorloven preuts te zijn, dus wat willen jullie. En: ‘The great and the rich are welcomed, smiling, up the grand staircase of the world; the poor but aspiring must clamber up the wall (…) or crawl through the conduits of the house (…) that lead to the top.’

Dan nu Kubrick: zijn Redmond wordt schitterend gespeeld door Ryan O’Neal, een acteur die we bij uitstek associëren met ‘laag’, niet alleen in het soort films waarin hij voor het grootste deel van zijn carrière heeft gespeeld, maar ook in zijn echte leven waarin hij geplaagd werd door laag-bij-de-grondse roddelverhalen gekoppeld aan zijn huwelijk met seksbom Farrah Fawcett. Juist deze acteur in de rol van Redmond werkt zo schitterend: de acteur die we kennen van de soap Peyton Place en het melodrama Love Story bevindt zich hier in de statige wereld van de achttiende-eeuwse aristocratie. Wat betreft casting is het een meesterzet: bimbo O’Neal is de perfecte Redmond Barry.

Critica Pauline Kael bestempelde Kubricks film als een ‘eervolle mislukking’. Volgens haar is Kubricks boodschap simpel: ‘Mensen zijn misselijk makend, maar de dingen in de wereld zijn prachtig.’ Andere critici, met name Andrew Sarris en Norman Kagan (in zijn boek The Cinema of Stanley Kubrick, 1997), zoekt de betekenis van het werk in een bredere, cultuurkritische context. Net zoals 2001, schrijft Kagan, schetst Barry Lyndon een beeld van verstarring en verwording in de westerse maatschappij. De artefacten van deze wereld blijven onverminderd beeldschoon terwijl alles wat menselijk is toenemend destructieve en zelfdestructieve neigingen toont.

Dat is inderdaad de blijvende indruk: hoe is het mogelijk dat de wereld zo mooi is terwijl de mens zo lelijk blijft? Deze vraag overheerst onverminderd in Kubricks film. Natuurlijk, een antwoord is er nauwelijks. Tenminste hebben we datgene wat de meester zelf te zeggen had: ‘Ik streefde ernaar zo economisch mogelijk te draaien, en met zoveel mogelijk schoonheid en gratie. Wat je dan rest zijn vragen stellen en integere observaties over menselijk gedrag maken. De enige moraliteit is eerlijkheid.’


De vertoning van Barry Lyndon op dinsdag 20 december in de Openbare Bibliotheek Amsterdam wordt voorafgegaan door een discussie tussen filmcriticus Gawie Keyser en Groene-recensent Kees ’t Hart. Meer informatie vindt u hier.