Het decennium: Aflevering 1, Hans Keilson

'De wereld is niet te redden. In ieder geval niet door mij'

25 mei 2011 - Hans Keilson (1909-2011) is psychiater en schrijver, inmiddels met wereldfaam. Zijn professionele interesse in (jeugd)trauma’s is moeilijk los te zien van zijn eigen verleden.

Medium keilson

OP TAFEL liggen madeleines. En boeken, herdrukken, nieuwe vertalingen. Om zijn vinger heeft hij twee trouwringen die bij het bewegen van zijn hand heldere tikjes voortbrengen. Hans Keilson vraagt of we iets dichterbij kunnen komen: ‘Ik zie niet goed meer. Als u honderd-en-één bent staat u voor hetzelfde probleem. Ik heb een trombose in mijn rechteroog. Hoe mooier het licht, hoe slechter het oog. Maar mijn arts vertelde me laatst dat er volgend jaar een medicijn uitkomt dat me kan helpen. Het zou zomaar kunnen dat ik dan nog leef.’

Hans Keilson is geboren in 1909, in Freienwalde an der Oder. Zijn in 1933 verschenen debuut Het leven gaat verder was het laatste boek van een joodse auteur bij de prestigieuze Duitse uitgeverij S. Fischer. Op aandringen van zijn redacteur vluchtte Keilson in 1936 naar Nederland. Hij overleefde de oorlog, zijn ouders stierven in Auschwitz. Hij werd psychiater, of zoals op het houten bordje in zijn tuin staat: zenuwarts. Nog altijd aangevuld met de tekst: spreekuur donderdag 13-14, volgens afspraak. Keilson, naar eigen zeggen een medicus en geen literator, bleef ondertussen boeken schrijven. In augustus 2010 werd Keilson van een obscure naam een auteur van wereldfaam. The New York Times noemde zijn boeken In de ban van de tegenstander (1947) en Komedie in mineur (1959) meesterwerken en de auteur een genie.

In vrijwel al zijn boeken speelt de Tweede Wereldoorlog een grote rol, soms op de achtergrond, meestal niet. Nog zonder ernaar gevraagd te zijn, brengt Keilson zijn werk in verband met de oorlog: 'Mijn eerste boek kwam uit in hetzelfde jaar dat Hitler tot premier werd benoemd.’ Hij heeft pretogen. 'Drei und dreissig. Raar hè? En nu is hij dood en ik leef nog.’

Herinnert u zich nog het moment dat u hoorde van de zelfmoord van Hitler?
'Weet u dat er ook geruchten zijn dat hij helemaal niet dood is? Heeft u dat gehoord? Hij zou in Amerika zijn. Maar hij spreekt net zo slecht Englisch als ik. En hij zou natuurlijk ook wel opvallen.’

Zou het u iets uitmaken als hij nog leefde?
'Hitler was een psychopaat die zijn eigen land de vernietiging in heeft geleid. Ik heb hem ooit zien spreken. Midden in zijn toespraak begon hij te brullen. Die haat. Zijn haat is zelfvernietigend geweest. Een land met zo'n grote literaire en muzikale traditie, alles heeft hij verwoest. Door zijn toedoen heeft Duitsland zichzelf omgebracht. Door zijn toedoen kon ik mijn beroep als medicus niet langer uitvoeren. Door zijn toedoen heb ik met mijn eerste vrouw naar Nederland moeten vluchten. Ze was grafologe, en toen ze het handschrift van Hitler zag, zei ze: das ist ein Mann, der zündet die Welt an, die man zal de wereld in brand steken. Ik noemde haar gek, maar het was de beste psychiatrische diagnose die ik ooit over hem heb gehoord. In mijn leven is hij de vijand geweest. Maar ik ben niet van mening dat alle vijanden dood moeten.’ Keilson neemt de koffie van zijn tweede echtgenote aan. 'En toch, ja, het is beter als hij dood is.’

_ HEEFT HET lang geduurd voordat u hier goed kon wonen?_
'Voor “goed” komt nog “veilig”. Lange tijd had ik een slecht vervalst paspoort. En als ik in Nederland wilde blijven, zo was mij verteld, had ik een nieuwe pas nodig. Ik kwam in aanraking met de Vrije Groepen (een verzetsvereniging in Amsterdam - red.). Het resultaat was een uitstekend vervalst paspoort. Ik heb het altijd typerend gevonden voor Nederland: dat iets zo goed vervalst kan zijn dat het je leven kan redden. De Nederlander is toch een koopman, die weet wat het leven kost. Mijn leven hier is goed. Van Duitsland is weinig over naast herinneringen aan landschappen, geluiden en lichtval. Het is een mooi land. Mijn boosheid op Duitsland is wel bekoeld.’

Wij spraken met een Duitse vriend van u, die zei dat we, wilden we Hans Keilson begrijpen, moesten beginnen bij muziek. In menig interview heeft u uw diepe liefde voor muziek benadrukt. U heeft zelfs ooit gezegd: 'Als ik speel, word ik Hans Keilson.’
'Die zin kan ik me niet meer herinneren, ik zeg zo veel onzin. Mijn talent om te spelen was niet groots. Maar ik heb het graag gedaan, viool en trompet. Met een instrument in mijn handen voelde ik me niet zo gespleten, in muziek bestaat geen doodslag, een paukenslag heeft nog nooit iemand ter dood gebracht. Ik heb Mozart gespeeld, maar ook jazz, in grote concerthallen.’ Een voorzichtige poging tot zingen: 'I can’t give you anything but love.’

'Zelfs toen ik ondergedoken zat, speelde ik, bij de buurvrouw, mevrouw Van der Lek. Vertrouwde muziek, geluiden van vroeger. Al drie jaar nu heb ik dagelijks het voornemen weer te beginnen met spelen. Een tremor in mijn handen weerhoudt me ervan.’ Hij houdt zijn hand omhoog, die licht trilt. 'Dat hebben oude mensen. Maar het luisteren naar muziek is nooit opgehouden. Nog altijd hoor ik sommige muziek als voor de eerste keer. Mijn eerste muzikale herinnering zijn de Leierkasten, de draaiorgels uit mijn jeugd. Daarna kwamen al snel de militaire liederen. Luisteren heb ik altijd belangrijk gevonden, ook voor mijn patiënten, in mijn tijd als psychiater. Ze moesten weten: daar zit iemand die luistert. Het uitoefenen van mijn vak was ook een soort muzikale bezigheid. Dat zie ik nu, toen niet.’

En het schrijven? Waarom schrijft u eigenlijk?
'Dat heb ik mezelf ook vaak afgevraagd. Ik heb altijd gezegd: de literaire wereld is niet mijn wereld. Ik ben een medicus. Sinds dat artikel in The New York Times ben ik een wereldauteur, voorheen was ik maar een klein literair mannetje. Mijn Duitse uitgever belde me toen op en noemde het een wonder. Ik zei: geen wonder, maar geluk. Het is bijzonder dat ik mijn roem nog mag meemaken. Of, zoals Nederlanders zeggen: leuk. Ik ben nooit begonnen met schrijven om een lintje te krijgen of zoiets. En ik heb nooit de wereld willen redden. De wereld is niet te redden. In ieder geval niet door mij.’

_ VEEL VAN uw boeken lijken te gaan om het begrijpen. Het begrijpen van een ander die net zo goed uzelf had kunnen zijn._
'Volledig juist. Het zijn geen grote verhalen of constructies, het gaat over mensen die ik wil begrijpen, naar wie ik luister. Maar veel begrip is ook moeilijk. Mijn Duitse uitgever S. Fischer wilde mijn boek Der Tod des Widersachers (in het Nederlands vertaald als In de ban van de tegenstander, waarin Keilson de wederzijdse afhankelijkheid tussen oorlogsslachtoffer en -dader centraal stelt - red.) niet uitgeven, men vond dat de tijd er niet rijp voor was. En ook de ontvangst in de pers was niet positief. Niet in Duitsland, niet in Israël. Het zou te mild zijn, met te veel begrip voor iets wat niet begrepen mocht worden. Het boek kwam uiteindelijk wel op bestsellerlijsten terecht, maar dat interesseerde me niet. Ik was toen bezig met mijn psychiatrische werk: trauma’s en traumatiseringen proberen te doorgronden. Dat was mijn eigenlijke, mijn echte werk.’

Waarom interesseert u zich zo voor jeugdtrauma’s?
'Tijdens mijn onderduik in Delft werd mij door de Vrije Groepen gevraagd langs te gaan bij families met onderduikkinderen. De verhouding met mijn ouders was zeer goed geweest, en ik wist hoe belangrijk die band was, en hoe zwaar een verstoring ervan. Meer zat er niet achter. Ik was nog erg jong.’

Ziet u uzelf als een getraumatiseerd mens?
(Keilson pauzeert. Voor het eerst horen we geluiden van buiten.) 'Heeft u lang over die vraag nagedacht?’

Hoezo?
'Omdat u de eerste bent die mij dat ooit heeft gevraagd. Die me dat durft te vragen, zonder te weten hoe ik zal reageren. Een heel heldere, maar moeilijke vraag.’ Keilson denkt lang na, legt zijn handen over elkaar. Zijn stem is zachter geworden, nog breekbaarder. 'Ja’, zegt hij, het klink als een besluit. 'Ja, ik ben getraumatiseerd. De dood van mijn ouders heb ik nog niet overwonnen. Verschrikkelijk. En mijn zus die me zei dat zij hen, als ze in Nederland was geweest, wel zou hebben gered. Heeft zij dan niet gezien hoe ik daaronder lijd? Echt leed, iedere dag nog, hoe heeft zij dat niet kunnen zien?’ Hij zegt even niets. 'Ja, in dat opzicht ben ik getraumatiseerd. En ik heb het haar nooit vergeven.’

Heeft uw werk, het luisteren naar andere trauma’s, u geholpen bij het omgaan met het uwe?
'Ik heb een psychoanalytische opleiding gehad in Amsterdam. Daarbij hoorde dat ik zelf in analyse ging. Dat ik alles zei waarover ik niet wilde spreken. Toen de therapie afgelopen was, nodigde mijn analyticus me uit om samen met hem in een strijkkwartet te spelen. Dat zou hij niet gedaan hebben als hij niet dacht: die man is gezond. Als je op het punt staat zelf psychiater te worden, moet je daar helemaal klaar voor zijn. Weten wie je bent, je krachten en zwakten goed kennen. Als ik van die oorlogsverhalen buikschmerzen zou krijgen, dan kreeg ik maar buikschmerzen. Ze moesten iemand tegenover zich hebben die kon luisteren. Daarom vind ik de teloorgang van de psychoanalyse naast pijnlijk ook zo kortzichtig: het onderbewuste wordt nooit afgeschaft. Er moet geluisterd worden.’ Hij leunt weer wat naar achteren. Stilte neemt het gesprek over. 'Dit is geen dagelijks gebeuren, wat ik u vertel. Begrijpt u dat wel? Hoe oud bent u eigenlijk?’

We zijn allebei 25.
'Leuk. Samen vijftig. Dat vind ik nou leuk.’

BIJ ONZE tweede afspraak in Bussum, enkele dagen later, blijven we even voor het raam staan. We zien hem zitten, zijn rug. Hij luistert naar muziek. We staan naast de glijbaan in zijn tuin. Voor zijn kleinkinderen, zo zal hij vertellen wanneer we binnen zijn.

Terwijl de fotograaf klikt, tast Keilson met zijn handen naar de bank. Hij moet oppassen, zegt hij. Net een nieuwe heup. Hij verontschuldigt zich: 'Vroeger was ik staatlich geprüfte Turn-, Sport- und Schwimmlehrer.’ De fotograaf pakt zijn spullen in, wij gaan weer tegenover hem zitten. Wel koffie, maar geen madeleines deze keer.

De vorige keer spraken we over de trauma’s van de generaties van tijdens en net na de Tweede Wereldoorlog. Wat zijn naar uw mening de trauma’s van de huidige tijd?
'Het is geen probleemloze tijd. Bedenk wel: wanneer ouders niet luisteren naar hun kinderen zorgt dat altijd voor beschadigingen. Waar kinderen opgroeien, zijn trauma’s. Maar dit soort trauma’s, dit soort traumatiseringen, komt niet voort uit een politiek-maatschappelijke catastrofe. Dat is een groot verschil. De sociaal-economische druk waaronder ouders in de jaren dertig hun kinderen moesten opvoeden was groot, en moeilijk mee om te gaan. Tegelijk kan men zich afvragen of er überhaupt wel een leven bestaat zonder traumatisering. Mens zijn is niet altijd makkelijk. Ik heb natuurlijk een hele eeuw achter me liggen. Het was erg soms, maar er zaten ook schitterende dingen bij.’

Aan welke gebeurtenissen denkt u wanneer u het afgelopen decennium in gedachten neemt?
'Ik zal u iets zeggen. Ik weet het niet meer. Op mijn 96ste ben ik gestopt met mijn praktijk, dat weet ik nog. Oud zijn is de tijd van reparatoren aanvaarden, zaken als politiek worden minder belangrijk. Ik zou erom kunnen huilen, maar dat lijkt me onzinnig.’

Volgt u het nieuws nog wel?
'Ja. Kranten lees ik niet meer, maar ik luister naar de radio. Wilt u iets specifieks weten?’
Wel, er moeten u enkele zaken opvallen, zoals de opkomst van een politicus als Wilders, die vaak en tot vermoeiens toe wordt vergeleken met…
(Keilson onderbreekt.) 'Met Hitler, ja. De vergelijking is ook wel logisch. De aversie van Wilders tegen de moslims vertoont trekken van die van Hitler tegen de joden. Aan de andere kant zijn het volstrekt andere dingen. Die Grausamkeit van Hitler, die heeft die Wilders niet. Ik heb bovendien geen idee wat zijn politieke vermogen is, wat zin is en wat onzin. En dat het maatschappelijke klimaat op dat van toen zou lijken: zeer overdreven.’

Hebben mensen, zoals u in In de ban van de tegenstander schrijft, niet per definitie een vijand nodig? In uw boek geeft u het voorbeeld van de eland, die uitsterft zonder de aanwezigheid van de wolf, zijn natuurlijke vijand.
'Dat is waar. Mensen hebben vijanden nodig net zoals ze geliefden nodig hebben. Maar Wilders als vijand, het lijkt me geen uitstekende bezetting van die rol. Er moet toch wel een beter iemand te vinden zijn? Wat interessanter? Hij is zo saai.’ Keilson lacht hardop, het maakt zijn ogen kleiner.

Het beschrijven van een intieme relatie tussen dader en slachtoffer, is dat iets waar u in persoonlijke kring veel kritiek op heeft gekregen?
'Nee. Mijn vrienden kennen mij als therapeut of als violist. Misschien dachten ze wel: laat die ouwe maar kletsen.’

Maar is het niet zo dat u met die symbiose van dader en slachtoffer eigenlijk ook de schuld verdeelt?
Keilson overdenkt zijn woorden, nog zorgvuldiger dan gewoonlijk. 'Inderdaad. Dat doe ik. Er bestaat geen eenduidige schuld. Het is een psychologisch gegeven dat ruzies of echtscheidingen nooit aan één partij liggen. En zoals ik al zei: vijandschap volgt soortgelijke wetten als de liefde: er is sprake van eenzelfde diepe wederzijdse afhankelijkheid. Voor het antisemitisme geldt hetzelfde. Twee weken geleden werd mij voor de radio gevraagd of de christelijke kerken schuldig waren aan antisemitisme. Ik antwoordde volmondig ja. Mijn eerste vrouw was katholiek. Na de oorlog is ze joods geworden. Zij was ongemeen teleurgesteld in de paus, dat hij niet één woord aan Hitler had gewijd.’

U begint over de rol van de katholieken. En de joden zelf, hebben zij dan ook schuld gehad?
'Zij, wij, de Duitse joden, hebben ons lot onvoldoende in eigen hand weten te houden. We hebben iemand toegelaten tot de macht, en die macht laten verworden tot almacht. Schuld bestaat slechts in delen. Joden denken dat ze na zo veel vervolgingen en naamsbesmetting bijzondere rechten hebben. Slachtofferschap is een deel van de joodse identiteit geworden. Dat heb ik altijd gevaarlijk gevonden. Schuldproblemen zullen blijven, maar zijn niet zo eenzijdig als wij willen denken.’

In In de ban van de tegenstander schrijft u: 'Het uur van de dood is niet het uur van de afrekening.’ Heeft u het gevoel dat er voor u nog een afrekening volgt?
Gedecideerd: 'Ja. Ik heb mijn ouders niet kunnen redden. (Een lange pauze.) Wat mij het meest na aan het hart ligt van mijn literaire werk zijn mijn gedichten. Wanneer ik die teruglees, dan ben ik soms wel verrast. Poëzie komt denk ik het dichtst bij muziek.’ Keilson reciteert lange Duitse verzen, van hemzelf en van anderen. Hij blijft Duits spreken. Dat doet hij wanneer hij vermoeid raakt. Dan: 'De gedichten voor mijn vader, die zijn mij het dierbaarst. Ja. Er hat nicht viel erzählt, und ich habe ihn zu wenig gefragt.’


Het decennium
Tien gesprekken, met tien deelnemers, elk geboren in een ander decennium. Te beginnen bij de jaren nul van de vorige eeuw. Voor De Groene Amsterdammer gaan Daan Heerma van Voss en Daniël van der Meer de komende periode in op belangrijke gebeurtenissen, het afgelopen decennium en het werk van de geïnterviewden.


Lees de dagboekfragmenten van Hans Keilson in De Groene van deze week, uiteraard ook via Blendle beschikbaar.