De Arabische uitdaging

De wereld na de revoluties

Misschien leiden de opstanden in de Arabische wereld tot instabiliteit, inmenging van islamfundamentalisten en een hoge olieprijs. Het Westen moet zich afvragen hoe het zijn invloed kan behouden.

DE REVOLTE in de Arabische wereld wekt niet alleen allerwegen hoop en bewondering, getemperd door angst voor escalatie. Ze sticht ook grote verwarring onder politici, experts en beleidsmakers. Zij zien zich enerzijds geconfronteerd met onverwachte ontwikkelingen, anderzijds met het uitblijven van ontwikkelingen die zij van oudsher hebben leren vrezen als het gaat om het Midden-Oosten. Vertrouwde reflexen zijn opeens niet adequaat meer en bepaalde clichés over de ‘Arabische straat’ die sinds de negentiende eeuw een hardnekkig leven leidden, kunnen nu echt in de prullenmand.

In een artikel in Le Monde signaleerde de filosoof André Glucksmann zo'n opmerkelijk non-event: de demonstranten op de Arabische pleinen leken Israël te vergeten. Ze voerden geen antisemitische of antizionistische leuzen mee, verbrandden geen Israëlische vlaggen of poppen van Barack Obama en Benjamin Netanyahu en riepen niet 'dood aan Israël’. Glucksmann zag weliswaar een portret van Moebarak met davidster op het hoofd voorbijkomen, maar daar stond tegenover dat een groep gesluierde vrouwen op het Tahrirplein hardop 'democratie net als in Israël’ eiste. En hoewel een CBS-reporter in Egypte werd aangevallen onder uitroepen van 'jodin! jodin!’ werd de bestorming van een synagoge in Tunis door fundamentalisten tegengehouden door een vloed van democratisch gezinde demonstranten.

Een non-event van zo massale omvang is óók een gebeurtenis en die moet evengoed verklaard worden als de revolte, aldus de Fransman: 'Sinds het ontstaan van Israël is ons voorgehouden dat het lot van Jeruzalem, van de Palestijnse vluchtelingen en van de bezette gebieden het centrale probleem van het Midden-Oosten was, de Gordiaanse knoop die dictatuur en rechteloosheid in de Arabische landen in stand hield.’ Niet alleen in het Midden-Oosten, ook in Europa hebben politici ons menigmaal voorgehouden dat er zonder oplossing van het Palestijnse probleem geen vooruitgang en democratisering in de regio mogelijk was. 'En kijk nu eens’, aldus Glucksmann: 'Het vredesoverleg is op een dieptepunt en juist nu eist de “Arabische straat” zijn rechten en vrijheden op.’

Nu ze niet langer van hogerhand gedwongen worden hun problemen te wijten aan Israël of het Westen richten opstandige Arabieren het vizier op de gebreken in hun eigen politieke systemen. Voor de revolutionairen van het Tahrirplein in Caïro was Jeruzalem helemaal niet de navel van de wereld. Doorzagen ze dat het antizionisme al zo lang als afleidingsmanoeuvre wordt gebruikt? Dan zijn ze slimmer dan alle geostrategen en diplomaten wier hoogste wijsheid niet verder reikt dan Huntingtons 'botsing der beschavingen’, aldus Glucksmann.

De Amerikaanse politicoloog stelde in zijn boek met die titel (1996) dat de wereld is verdeeld in zeven cultuurkringen die zich niet met elkaar lieten verenigen of vermengen, waarbij hij de islamitische wereld afschilderde als de meest gesloten en minst verdraagzame van de zeven. Overal waar de islam in contact kwam met een van de andere beschavingen ontstond een 'bloedige rafelrand’, aldus Huntington. Vooral de Arabieren waren het zorgenkindje van de wereld: ze identificeerden zich eerder met hun geloof dan met de natie waarin ze leefden, zodat grensoverschrijdende conflicten in de Arabische wereld chronisch waren, en hun islamitische geloof maakte hen immuun voor verondersteld universele waarden als individualisme, godsdienstvrijheid, mensenrechten en democratie.

HUNTINGTON IS niet de enige wiens beperkte visie op de islamitische wereld nu door de feiten wordt weerlegd. Meer in het algemeen betekent de Arabische opstand een conceptuele uitdaging, te vergelijken met het onverwachte uiteenvallen van het Oostblok en de Sovjet-Unie rond 1990. Heel wat echte of zelfbenoemde experts staan in hun hemd. Dat geldt voor de populisten die islam en democratie onverenigbaar achtten, voor linkse activisten die de Arabisch-nationalistische propaganda nabauwden en voor postmoderne geesten die meenden dat een 'westers concept’ als democratie nimmer kans van slagen had in de Derde Wereld.

Het geldt ook voor de neoconservatieven die meenden dat democratie in het Midden-Oosten door westerse machtspolitiek moest worden afgedwongen. Zij lijken zich nu in twee kampen te splitsen. Enerzijds de 'realisten’ (zoals voormalig vice-president Dick Cheney) die spontane Arabische opstanden slechts als voorbodes van nieuwe totalitaire regimes en regionale instabiliteit beschouwen, anderzijds de 'idealisten’ (zoals Irving Kristol, Elliott Abrams en andere ideologen van de beweging) die het Westen oproepen om de Arabische democratiseringsbeweging openlijk te steunen.

De realisten kregen onlangs versterking vanuit het Kremlin. President Dmitri Medvedev presenteerde op een veiligheidsconferentie in Noord-Ossetië een kil-realistische analyse van de val van de Tunesische president Ben Ali en zijn Egyptische collega Moebarak. Hij waarschuwde dat de onlusten 'fanatici’ aan de macht kunnen brengen en kunnen resulteren in het uiteenvallen van Arabische landen, toenemend extremisme en langdurige 'branden’ in de regio. De idealisten hebben beslist een punt dat door de recente algehele verkettering van de 'neocons’ verloren dreigt te gaan, maar dat zeker nader onderzoek rechtvaardigt: de democratiseringsbeweging is het sterkst in landen als Tunesië, Egypte en Libanon die al decennia westers georiënteerd zijn. In die zin heeft de westerse machtspolitiek waarschijnlijk toch vruchten afgeworpen.

Misschien is de prijs die we voor de doorbraak van de democratie in de Arabische wereld zullen moeten betalen inderdaad een lange periode van instabiliteit, inmenging van fundamentalisten uit Iran en Saoedi-Arabië in de nieuwe democratieën, burgeroorlogen en een sterk gestegen olieprijs. Voor de Russische machthebbers speelt nog een andere overweging mee. Medvedev stelde dat de opstandelingen een 'vergelijkbaar scenario voor Rusland’ in gedachten hadden, maar dat het even weinig kans van slagen heeft als de bijna twintig jaar oude islamistische opstand in de Russische deelrepubliek Tsjetsjenië: 'Degenen die bloed willen vergieten, zullen in hun eigen bloed verdrinken.’ Het is een gigantisch cliché, gevoed door angst voor islamistische bomaanslagen in eigen land maar bovenal door het onvermogen van de Russen om een fatsoenlijke oplossing te vinden voor conflicten in de landen van de voormalige Sovjet-Unie waarin ze verwikkeld zijn.

De Arabische revolte onttrekt zich aan zulke clichés. In Tunesië was bijvoorbeeld geen sprake van een georganiseerde revolte van fundamentalisten. Het was geen 'hongeropstand’ en geen 'Twitter-revolutie’. Het was van oorsprong een proletarische opstand, schrijft de Frans-Tunesische schrijver en essayist Mehdi Belhaj Kacem. Deze begon zes jaar geleden als een pacifistische verzetsbeweging in de door corruptie geteisterde mijnstreek in het westen, rond de steden Gafza en Kasserine, en werd allengs overgenomen door de middenklasse. De nationale opstand tegen Ben Ali was een uitvergrote versie van deze regionale revolte tegen corrupte ambtenaren en bestuurders, politie en grootgrondbezitters.

De overheersende drijfveer van de Tunesische opstand was ontegenzeggelijk van politieke aard. Hier demonstreerden en streden jonge Arabieren voor hun persoonlijke vrijheid en voor zeggenschap over hun eigen lot en dat van hun land. Maar waarom juist daar en waarom nu? Tunesië leek zo stabiel, schrijft de voormalige Amerikaanse ambassadeur Robert Pelletreau in Foreign Affairs: 'Het pakte veel dingen goed aan: algemeen onderwijs voor mannen en vrouwen, een laag defensiebudget, economische groei, een grote middenklasse en veel Europees toerisme. De regering was autoritair, maar ook seculier en pro-westers. President Ben Ali was echter zieker dan hij had willen laten blijken, zijn greep op leger en politie waren verzwakt en de corruptie binnen zijn familie werd almaar brutaler.’ Pikant en tegelijk belangwekkend is dat Pelletreau de opstand in Tunesië onder meer toeschrijft aan de WikiLeaks-onthulling van Amerikaanse diplomatieke documenten, waarin de corruptie rond president Ben Ali precies uit de doeken werd gedaan: 'Vanaf dat moment werden geruchten tot vaststaande feiten die de volkswoede aanjoegen.’

Voor volkswoede is echter een voedingsbodem nodig. Bij wijze van verklaring komt Pelletreau niet verder dan de vaststelling dat de Tunesische jeugd relatief goed opgeleid is en derhalve gefrustreerd was door de corruptie en de achterlijke politieke instituties van het land. Is het mogelijk dat een autoritair regime louter door het stijgende opleidings- en ambitieniveau van zijn eigen bevolking wordt weggevaagd? Dat zou een novum in de politieke geschiedenis zijn. En waarom eigenlijk niet? Deze Arabische opstand dwingt ons toch al om allerlei ideeën omtrent de islam en de Arabische wereld opnieuw te bezien.

WAAR TE BEGINNEN met een nieuwe analyse van het Midden-Oosten? De ontwikkelingen zijn immers nog in volle gang. Het Egyptische leger kan alsnog op eigen houtje een nieuwe 'sterke man’ installeren, de revolte in Libië kan uitdraaien op een burgeroorlog en in Jemen en Bahrein kunnen fundamentalistische groeperingen de onlusten gebruiken om hun eigen ondemocratische agenda op te leggen. Anderzijds onttrekken veel voorlopige analyses zich aan evaluatie. Is het mogelijk dat, zoals Pelletreau stelt, het snelle besluit van de regering-Obama om partij te kiezen voor de Tunesische opstandelingen en tegen Ben Ali hun succes verklaart? Slechts een grondig onderzoek achteraf kan mogelijk het antwoord opleveren.

Toch is haast geboden. De opstandelingen in diverse Arabische landen vragen om westerse steun en die moeten we hun bieden, maar niet op grond van achterhaalde gezichtspunten. Moeten westerse leiders hun oren laten hangen naar oproepen om gewapenderhand te interveniëren in Libië? De introductie van no fly-zones in het Libische luchtruim of van Amerikaanse mariniers in de straten van Tripoli - een verouderd script uit de tijd van de Irakoorlog - kan uitdraaien op een nachtmerrie voor de hele regio. Anderzijds mogen we niet volharden in een afwachtende houding, zoals de Britse ex-premier en VN-vredesgezant Tony Blair, die het 'onverstandig’ vindt als Egypte nu vrije verkiezingen zou houden. Misschien moet dat wel juist nu, voordat de Egyptische kolonels het met de Moslimbroederschap op een akkoordje kunnen gooien.

Blair is niet de enige die vreest dat de Moslimbroederschap - naar analogie van Hamas in de Palestijnse gebieden - van de politieke chaos gebruik zal maken om de macht te grijpen. Voormalig VN-secretaris-generaal Boutros-Ghali zei in een interview hetzelfde: een tot partij omgevormde Broederschap 'zou hetzelfde zijn als een nieuwe fascistische partij in Italië of een nieuwe nazipartij in Duitsland’. Maar Boutros-Ghali heeft hoe dan ook geen vertrouwen in verkiezingen in grote delen van de wereld: 'Afrikanen hebben meer vertrouwen in hun stammen dan in hun overheden. Datzelfde gaat in zekere zin op voor Arabieren en Aziaten. In deze landen werkt democratie niet via verkiezingen. Hier werkt het beter via het implementeren van afgevaardigden in de nationale regering. Verkiezingen stellen in sommige delen van de wereld niets voor. Kijk naar Rwanda voor de genocide. Zulke landen hebben instituten nodig die voor hun bevolking zorgen.’ Wie die 'afgevaardigden’ moet aanwijzen en hoe die welwillende instituties moeten worden behoed voor corruptie en machtsmisbruik, dat zegt Boutros-Ghali er niet bij. Het is een schrale troost dat zelfs doorgewinterde Arabische politici als hij de weg kwijt zijn.

OOK ALS de democratisering van een aantal Arabische landen definitief doorzet, zal het Westen een zware dobber aan ze hebben, schrijft Abbas Barzegar, een hoogleraar gespecialiseerd in de politieke islam, op de website van Al-Jazeera. We hebben het verlangen van Arabieren naar zelfbeschikking te lang genegeerd en intussen zaken gedaan met hun leiders die dat ook deden, aanvankelijk met de koloniale zetbazen die we tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw in de Arabische wereld installeerden, nadien met nationalistische leiders die ontvankelijk bleken voor onze financiële steun en wapenleveranties.

Als de jonge, democratisch gezinde Arabieren die we nu zien demonstreren de macht veroveren, zullen ook zij beslist ontvankelijk zijn voor onze steun, samenwerking en handel, aldus Barzegar, al is het maar omdat de Amerikaanse economie nog steeds de grootste ter wereld is: 'Ongeacht wie er in Tunesië, Egypte en elders als overwinnaars uit de bus komen en ongeacht of ze nationalistisch dan wel islamistisch gezind zijn, ze zullen de laatsten zijn om de vele voordelen van hun relaties met het Westen op te geven.’ Daarentegen zullen ze net als hun 'grote voorbeeld’ Turkije een onafhankelijke koers willen varen. Een complete herschikking van de machtsverhoudingen in de regio en zelfs een diplomatieke rehabilitatie van Iran is dan niet ondenkbaar.

Het Westen zal steeds minder cliëntstaten in het Midden-Oosten overhouden. Om zijn invloed te behouden, zal het moeten leren samenwerken met Arabische regeringen die het niet kan omkopen of militair onder druk zetten.