Hoofdcommentaar

De wereld na Yassin

Tweeënhalf jaar nadat hij vanaf het gazon van het Witte Huis werd afgekondigd is de «oorlog tegen het terrorisme» verzand in een aaneenschakeling van tegenspraken, gemanipuleerde frontberichten en stommiteiten. Om met die laatste categorie te beginnen: de Israëlische moordaanslag op sjeik Yassin is weliswaar de jongste in de lange rij blunders die onder het mom van terreurbestrijding zijn begaan, maar de moeder van alle tactische fouten is en blijft de Amerikaans-Britse inval in Irak.

Er mogen nog zo veel goede gronden zijn geweest om Saddam Hoessein te verdrijven, maar uit het oogpunt van terreurbestrijding was de bezetting van Irak een onvergeeflijke fout. Ze geeft al-Qaeda en aanverwante bewegingen zowel de kans als het motief om zich te hergroeperen en een «Iraaks legioen» te vormen naar analogie van het «Afghaanse legioen» dat in de jaren tachtig ontstond in de strijd tegen de Sovjet-Unie.

Sommige Amerikaanse beleidsmakers schijnen werkelijk te geloven in de halfgare «vliegenstriptheorie», die zegt dat de aantrekkingskracht van Irak op potentiële terroristen hen ervan afhoudt zich naar alle uithoeken van de wereld te verspreiden en daar aanslagen te plegen. In werkelijkheid krijgen islamitische fundamentalisten uit alle hoeken van de wereld in Irak hun vuurdoop, waarna de strijders die zichzelf hebben bewezen, doorreizen naar andere landen om daar leiding te gaan geven aan nieuwe terreurcellen.

Hetzelfde effect is nog altijd waarneembaar in Afghanistan, waar de Taliban en andere fundamentalistische krachten allerminst verslagen blijken te zijn. De «geleide democratie» die de Amerikanen momenteel in Irak en Afghanistan trachten te introduceren, is niet opgewassen tegen de ontwrichtende gevolgen van de oorlogen die eraan voorafgingen, tegen het gebrek aan democratische instituties dat deze landen sinds jaar en dag kenmerkt en tegen het effect van fundamentalistische infiltraties, die niet zelden worden ondersteund met flinke sommen geld van islamitische «liefdadigheidsinstellingen» in de Golfstaten.

Dat de manipulatie van westerse inlichtingendiensten en hun rapportages rond de inval in Irak manische proporties aannam, is genoegzaam bekend geworden dankzij de verklaringen van gekwalificeerde betrokkenen, uiteenlopend van VN-wapeninspecteur Hans Blix tot George Bush’ eigen «terroris me-tsaar» Richard Clarke, die in zijn zojuist verschenen boek Against All Enemies een vernietigend oordeel velt over de recente beleidsvorming in het Witte Huis. De laatste maal dat de Amerikaanse inlichtingendiensten op een dergelijke schaal werden misbruikt was in 1964 toen president Johnson het fictieve «Tonkin-incident» aangreep om Noord-Vietnam aan te vallen. De conclusie dringt zich op dat de militaire optie in de strijd tegen het islamistische terrorisme zo langzamerhand uitgeput is, niet alleen in operatieve maar ook in morele zin. Nu de Amerikaanse presidents verkiezingen naderen, is het moment gekomen om de balans op te maken.

Sinds 11 september 2001 zijn we tienduizenden onschuldige doden verder en nog altijd is Bin Laden op vrije voeten, terwijl zijn navolgers in steeds hoger tempo toeslaan in een operatiegebied dat zich uitstrekt van Bali tot Madrid. Het failliet van de «militaire aanpak» en de bijbehorende denkwijze blijkt nergens duidelijker dan in Israël, waar de stafchef van het leger, Mosje Jaalon, in één adem de moord op Yassin «een dodelijke slag voor de radicaal-islamitische beweging» noemt en zijn land voorbereidt op een nieuwe golf van Palestijnse zelfmoordaanslagen die nu reeds de «Yassin-intifada» wordt genoemd. Yassins vermoedelijke opvolger Abdel Aziz Rantisi lijkt nog minder dan Yassin bereid tot onderhandelen met Tel Aviv. Als de Hamas-terreur in de komende tijd wordt «geïnternationaliseerd», zoals de beweging heeft aangekondigd, is dat niet alleen te danken aan Ariel Sharon en zijn coalitieregering, maar ook aan het Witte Huis, dat hem door dik en dun steunt.

Als Barbara Tuchman nog leefde zou ze aan haar beroemde boek over politieke dwaasheid, The March of Folly (1984), een volwaardig hoofdstuk over de «oorlog tegen het terrorisme» kunnen toevoegen. Het voornaamste kenmerk van zulke dwaasheid is dat de protagonisten zich ondanks luide en duidelijke waarschuwingen uit hun eigen kamp zozeer vastbijten in foute uitgangspunten dat ze niet meer terug kunnen en bij elke nieuwe mislukking alleen maar kunnen reageren met meer van hetzelfde. Haar meest omineuze hoofdstuk handelt over het arrogante Britse beleid ten aanzien van de Noord-Amerikaanse kolonie in de achttiende eeuw. De Britten wisten hun eigen kolonisten zozeer van zich te vervreemden dat ze de Amerikaanse onafhankelijkheidsbeweging als het ware zelf in het leven riepen.

De parallel met vandaag ligt voor de hand. De «war on terror» geeft Osama en zijn volgelingen een erkenning waarop ze geen recht hebben. Het islamitisch fundamentalisme is een zwakke kracht. Zijn politieke project is mislukt en de beweging is op zijn retour in bijna de hele islamitische wereld inclusief Iran, het land waar het in 1979 werd «uitgevonden». De grote verkiezingszege die de Maleisische premier Abdullah, een islamitische modernist, afgelopen zondag behaalde op zijn fundamentalistische tegenstanders bevestigt deze trend. Hopelijk kan een nieuwe Amerikaanse president hierbij aanknopen en ernst maken met de veelgeroemde «strijd om de harten en geesten» in plaats van de wereld te degraderen tot één grote Gazastrook.