Jonathan Coe

De wereld op een prikbord

Jonathan Coe, De Rotters Club

Vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema Uitg. Meulenhoff, 424 blz., ƒ49,50

Om de goedgebekte minnaar van zijn vrouw de mond te kunnen snoeren en haar van hem los te weken bestudeert de arbeider Sam Chase halverwege Jonathan Coe’s roman De Rotters Club een Amerikaanse paperback: Verander uw leven met de kracht van woorden. Taalbeheersing is machts uitoefening, suggereert het handboekje. Woorden zijn «dagelijks dynamiet, enorme energiebronnen, hulpvaardige vrienden» en bouwen zelfvertrouwen voor «mijn nieuwe ik». Maar als het erop aankomt, staat de arbeider, die zijn lectuur al te letterlijk neemt, met zijn mond vol tanden. Alleen met plotselinge lichaamstaal — een knetterende wind — weet hij zijn rivaal voorgoed af te schrikken.

Het is een relativerende scène in een roman die als geheel een serieuze sfeer ademt. Coe wilde in The Rotters Club de Britse jaren zeventig tot leven wekken, voor hem een periode van eerlijkheid en felle (vakbonds)strijd voor een beter bestaan waarin het virus van de ironie nog niet iedereen tot een vrijblijvende relativist had gemaakt. In De Rotters Club zelf wordt dat tijdperk door de verteller omschreven als «een van de schemerigste uithoeken van de geschiedenis». Het verhaal over de Werdegang van een vriendenclub op een Birminghamse eliteschool wordt opgedist in het Berlijn van 2003. Hoog in een ronddraaiend restaurant, met uitzicht op de glazen kolos van het nieuwe Rijksdaggebouw, vertelt de ene nazaat van die vriendenclub, Sophie, het verhaal van de Rottersclub aan een andere nazaat, Patrick, kleinzoon van Sam Chase. Dat doet zij met flair, met oog voor wisselende perspectieven en met groot gevoel voor uiteenlopende taalregisters. Alle mogelijke tonen en stijlen worden in stelling gebracht om de sluier die de jaren zeventig aan het gezicht onttrekt te kunnen wegrukken: dagboekfragmenten, vakbondsjargon, racistische pamfletten, interviews, schoolkrantopstellen, krantenadvertenties en flarden van popsongs krijgen allemaal een plaats.

De schoolkrant, waarin de eigenlijke hoofdpersoon van De Rotters Club — de beschroomde Benjamin Trotter, verblijvend in de coulissen van het leven — zijn eerste oprechte schrijfprobeersels publiceert, heet niet toevallig Het prikbord. Coe’s roman is dat ook. Het lijkt wel of Jonathan Coe de hele wereld van 1973 tot 1981 (vlak voordat Thatcher aan de macht kwam) wil vastnagelen op dat prikbord. De rigide Britse klassenmaatschappij van bevoorrechten en achtergestelden, het elitaire schoolsysteem, het gevecht om werkgelegenheid rond British Leyland, het verraderlijke racisme in een eens koloniaal wereldrijk, de Ira-bommenterreur — Jonathan Coe weet het allemaal te verweven in een verhaal dat ook over heel andere dingen gaat: kalverliefde en bedrog, overspel en chantage, toneel en dagelijks leven, seksuele initiaties, een Ira-bomaanslag die een «gat» in de roman slaat, de aarzelende «coming out» van de schrijver Benjamin Trotter, alter ego van Coe.

De onnozelheid over de wereld, de liefde en de literatuur weet deze Leyland-directeurszoon, popcomponist in de dop en letterknecht om te buigen tot een schrijverschap dat het leven woord voor woord omzet in een magistrale monoloog, die het esoterische genot van het inzicht verschaffende moment celebreert en daar alles uithaalt wat erin zit. Dat na zijn definitieve ontmaagding, waarop een literaire explosie vol leven volgt, het verraad weer op de loer ligt, is van later zorg. Deel twee, zou Jonathan Coe zeggen. De Rotters Club is een buitengewone roman, niet alleen geïnspireerd op A Portrait of the Artist as a Young Man van James Joyce, met een slotknipoog naar Ulysses, maar ook op de literair-arbeideristische traditie van Alan Sillitoe (Saturday Night and Sunday Morning), de slapstick-roman à la Lucky Jim van Kingsley Amis en het woedend-cynische engagement van John Osborne (Look Back in Anger heet zijn belangrijkste toneelstuk). Die ogenschijnlijk vreemde combinatie levert een roman in vele toonaarden op die wars is van een ironisch wereldbeeld. Romans moeten weer iets te betekenen hebben. Een van de opvallendste thema’s van De Rotters Club is dan ook de messcherpe kritiek, tussen de regels door, op nationalistische en racistische sentimenten.

De boze betrokkenheid van Jonathan Coe bij het lot van Groot-Brittannië zat al in zijn debuut, The Winshaw Legacy of What a Carve Up! (1994). Daarin wil de depressieve verteller/schrijver in een boekrecensie romans propageren die «begrip tonen voor de ideologische kaping in dit land, met alle menselijke gevolgen van dien». Die verteller schrijft de familiegeschiedenis van de Winshaws, een clan die overal zijn maatschappelijke tentakels heeft (media, voedselproductie, parlement). De Winshaws zijn de vleesgeworden corruptie en hebzucht van Engeland in de Thatcher-jaren tachtig. Sinds dat debuut is Coe’s gestileerde woede, doorschoten met ernstige humor, er niet minder om geworden.