De wereld op z’n kop

En zo trakteert Maria Barnas mij op verrassend beeld na verrassend beeld © Wendy Taylor

Maria Barnas opent haar nieuwe dichtbundel Nachtboot met de eerste drie regels van Hendrik Marsmans gedicht De overtocht: ‘De eenzame zwarte boot/ vaart in het holst van de nacht/ door een duisternis, woest en groot’. Het motto eindigt precies daar waar Marsmans gedicht een ontboezeming wordt: ‘de dood, de dood tegemoet.// Ik lig diep in het kreunende ruim,/ koud en beangst en alleen’. Wat een verstikking, vooral in de slotregels: ‘O! de tocht naar het eeuwige land/ door een duisternis somber en groot/ in de nooit aflatende angst/ dat de dood het einde niet is.’

In Nachtboot ligt het besef van sterfelijkheid vlak onder de zinnen. Niet voor niets keert het woordje ‘toekomst’ zeker vijftien keer terug. Wat is er nog allemaal mogelijk, wat staat min of meer vast? Leg ik mij neer bij dit leven, of is er een ander leven mogelijk, hoeveel tijd heb ik nog? ‘De toekomst ligt open als een greppel// maar waar is het huis’, lees ik in Laat staan.

De poëzie van Maria Barnas is persoonlijk en intiem, zonder dat ik me als lezer een voyeur voel. Een goed voorbeeld is De voorzichtigen, met de lekker achteloze openingsregel ‘Vanmorgen stond ik op met Anaïs Nin haar.’ Geweldige regel! Achter zo’n zin wil ik meteen een uitroepteken zetten. De mogelijkheden van een ander, parallel leven openen zich:

Wat moet ik hiermee dacht ik wat
willen deze krullen van mij zo wulps en
onbezonnen?
Een borstel trok de boel niet recht de krullen
sprongen van genot omhoog

en rilden
van een mij vreemd geluk.

Het gezin waarin de vrouw een plaats heeft, is een anoniem gezelschap met ‘een man’ en ‘iemand’ die iets zegt; vreemden, met zo’n zwart balkje voor de ogen, met als slotbeeld: ‘Wij blijven uiteenvallen aan tafel. Rechtop/ om wat beweegredenen moeten zijn.’ De medemens blijft in Nachtboot nadrukkelijk onkenbaar, of het nu gaat om een gezinslid, of gewoon om medereizigers, zoals in het tweeluik Station Sloterdijk:

Een stem gonst door de trein en voorspelt een eensluidende toekomst voor passagiers van wie ik de naam niet ken. Waar komen ze vandaan?

Soms is de ander een bedreigende sta-in-de-weg, zoals de man ‘voor de ingang/ van de dm (…) die iets weet over Jezus/ met alle gevolgen vandien’. Soms is de ander iemand als ‘de kleuterleidster’ die zich niet wast ‘en waarom ook/ ze stinkt al zo lang en haar haren plakken/ daar hoeft ze helemaal niets aan te doen.’ Beangstigender is dat ook het eigen lichaam vreemd blijkt, zoals in Midden: ‘Ik luister naar mijn lichaam/ maar versta het niet.’

Is Nachtboot dus een zwaarmoedige bundel? Allerminst, de gedichten zijn een genot om te lezen. Scherpe observaties, een fijnzinnige humor en vreemde, transparante regels. Er zit veel lucht in deze gedichten, al het overtollige is eruit. Neem het slot van het tweede deel van Station Sloterdijk, waarin de ‘ik’ richting de roltrap wordt geleid, als deel van het ‘veelkoppig beest’ dat een mensenmassa kan zijn:

De tanden stromen van de trap.

In mij stroomt: de dood komt in gedaantes.
In gedaantes komt de dood.

Barnas schroeft haar zinnen zó in elkaar dat ze als vanzelf lyrisch en meerduidig worden, zoals in de openingsreeks Nachtboot: ‘Altijd/ eerder dan ik dacht en later vaart/ de boot die niets vervoert dan nacht.’ Of neem de eerste strofe van do not paint: ‘Ik zie twee bossen hangen./ Stokken! roept een jongen vanuit de auto’. Waarom hangt dit bos op z’n kop? Wie is die jongen? Misschien komt hier de beeldend kunstenaar die Barnas óók is om de hoek kijken: de hoek van waaruit je de wereld bekijkt, bepaalt hoe die wereld eruitziet. Zo doet De zwemmer me denken aan de bekende serie van Co Westerik waarin we telkens een zwemmer bezig zien, maar wat een maf perspectief: van voren, deels in het water, zien we vooral de kruin van de man. Je moet vreemd in het water liggen om een zwemmer zo te kunnen zien.

De zwemmer

Er is iemand die naar huis wil zwemmen.
Hij zwemt in een rechte lijn

door zwembaden sloten een fontein
en spreekt met niemand over zee

of heimwee. Hij spreekt met niemand.
Er is een holte in hem als een ondiepe kelder

waarin hij een paard levend begraaft.
Hij schudt de aarde op.

Het past precies als het dier op de zij ligt
en de adem inhoudt. Adem in!

Er is een holte als een heelal waar je in kunt
vallen en vallen tot het niet meer uitmaakt

waar je vandaan komt. Er is het paard
dat de benen strekt de stank van mensen

van zich af schudt en naar zee golft.

En zo trakteert Maria Barnas mij op verrassend beeld na verrassend beeld, in een bundel waarin de mens op afstand blijft en toch verschrikkelijk nabij is, als pleister op de wonde tegen de ontheemding, de twijfel en de naderende duisternis, ‘woest en groot’:

Laat me met rust
zou ik wel tegen iemand willen zeggen

als er iemand was
om Laat me met rust tegen te zeggen.