Commentaar: Amerika

De wereld subsidieert Amerika

Voor Amerika heeft de bewapeningswedloop nooit opgehouden. Niemand loopt nog mee, maar dat kan de eenzame langeafstandsloper niet afremmen. Samen met zijn nauwste bondgenoten neemt Washington nu meer dan tachtig procent van ’s werelds bewapening voor zijn rekening. Met elk nieuw conflict bewijst het geen rivalen meer te hebben: de tegenstander wordt verpletterd, eigen verliezen zijn er nauwelijks. Oorlogvoeren, zo zei een Amerikaanse generaal, is voor ons iets geworden als schieten op vissen in een ton. Je zou denken dat een dergelijke suprematie de kolos zou toelaten op zijn lauweren te rusten, maar de Amerikaanse regering heeft integendeel de grootste militaire escalatie sinds twintig jaar aangekondigd. De 48 miljard dollar die het Pentagon dit jaar extra krijgt, is overigens slechts een begin: in de komende vijf jaar wil Washington ruim tweeduizend miljard dollar besteden aan zijn militaire machine. De «oorlog tegen het terrorisme» heeft het Oostblok vervangen als excuus, al is het een raadsel hoe bijvoorbeeld drieduizend nieuwe gevechtsvliegtuigen — kostprijs: driehonderd miljard dollar — die oorlog zullen helpen winnen. Tenzij de volgende zet van al-Qaeda een offensief is met enkele honderden tankdivisies. Er is de «as van het kwaad», maar zelfs samen met de andere drie zogeheten schelmenlanden besteedt die minder dan een eenentwintigste van het Pentagonbudget aan bewapening.

De nieuwe bewapeningsescalatie is natuurlijk goed nieuws voor de wapenindustrie, maar de rest van de economie moet wel de rekening betalen. Je zou dus verwachten dat de Democraten in het Congres dwars gaan liggen, maar integendeel: hun leiders hebben duidelijk gemaakt dat Bush voor het Pentagon elke cent krijgt die hij heeft gevraagd. Zelfs de massale belastingverlaging die Bush vorig jaar doorvoerde, durven ze niet te betwijfelen. Met die belastingverlaging voor de meest bedeelden en de nieuwe bewapeningsescalatie — die samen resulteren in een oceaan van rode inkt — lijkt Amerika per tijdmachine terug te reizen naar de tijd van Ronald Reagan. Dat was een lucratieve periode voor het Amerikaanse kapitaal. Toen kwam een mechanisme tot stand dat nog steeds de wereldeconomie doet draaien. Dat gaat zo. Amerika spaart weinig en consumeert heel veel, meer dan het verdient. Zo stimuleert het de groei, niet alleen intern maar ook in de rest van de wereld. Want Amerika importeert elk jaar voor honderd tot tweehonderd miljard dollar méér dan het uitvoert. Het betaalt met zijn eigen munt, die de andere landen gebruiken als reservemunt en om te investeren in de VS, wat de Amerikanen toelaat om nog meer te consumeren. Enzovoort.

Het cruciale ingrediënt in deze cyclus is de sterke dollar. Die verantwoordt het gebruik van de Amerikaanse munt als internationaal betaalmiddel; die spoort buitenlanders aan om te beleggen in Amerikaanse aandelen, obligaties en schatkistcertificaten. Zakt de dollar, dan dreigt het hele mechanisme in te zakken. En als Amerika het niet meer kan, wie zal dan het handelsoverschot van de rest van de wereld opkopen?

Het belang van de sterke dollar wordt nog groter door de deflatietrend die de wereldeconomie teistert. Die is het gevolg van de globale overcapaciteit die prijzen en winsten aantast en dwingt tot devaluaties. Voor Amerika heeft dat voorlopig vooral goede kanten. Hoe meer de deflatie andere munten ontwaardt, hoe aantrekkelijker het wordt om in veilige dollarwaarden te beleggen. Hoe meer andere munten verzwakken tegenover de dollar, hoe goedkoper het voor Amerika wordt om te importeren en op te kopen. En hoe harder de concurrentie wordt om, tegen welke prijs dan ook, op de dollarmarkt aanwezig te zijn. Zo helpen hongerlonen in Indonesië betalen voor Amerikaanse belastingverlagingen.

De dollar is, zoals alles, onder hevig aan de wet van vraag en aanbod. Zakt de vraag, dan daalt de koers. De problemen van andere landen en de daaruit volgende vlucht naar dollarwaarden helpen die vraag in stand houden, maar dat is niet genoeg. In de jaren tachtig werd de vraag gestuwd door de razendsnel groeiende staatsschuld; de overheid leende duizenden miljarden op de internationale kapitaalmarkt. In de jaren negentig werd de fakkel overgenomen door de duizelingwekkende stijging van de beurswaarden, aangedreven door de globalisering en de zogeheten nieuwe economie. Maar nu stagneren de Amerikaanse beurzen. Dat is normaal in een recessie. Het is eerder verwonderlijk dat ze geen zwaardere klappen kregen. Alan Greenspan en andere goeroes beloven dat de winsten en aandelen spoedig weer zullen klimmen en de meeste beleggers lijken hen te geloven.

Als die verwachting echter niet uitkomt — en die kans lijkt groot, want zelfs de meest trendy sectoren kampen met overcapaciteit —, dan kan de teleurstelling de beurzen een opdoffer geven die de vraag naar dollars doet zinken.

Maar geen nood, Washington springt in de bres. Door terug te keren naar massale deficitbestedingen — waarvoor Bush dankzij de evenwichtige begrotingen van zijn voorganger weer wat meer armslag heeft — wordt een bestendige hoge vraag naar dollars gegarandeerd. De staat gaat er weer massaal lenen op de kapitaalmarkt. De belastingverlaging zal de consumptie en dus ook de beurs stimuleren. En de militaire expansie zal onderstrepen dat niemand Amerika naar de kroon kan steken en dat de dollar dus altijd de veiligste belegging zal blijven.

De dreiging van een dalende dollar is, in elk geval voorlopig, afgewend. We kunnen voortgaan met exporteren naar Amerika. De wereld, die meer dan ooit op en neer gaat met de Amerikaanse economie, haalt opgelucht adem. Zo opgelucht dat de absurditeit van het hele mechanisme — waardoor het rijkste land ter wereld door de rest van de wereld wordt gesubsidieerd om boven zijn stand te leven — bijna niemand opvalt.