reconstructie van de geschiedenis

De wereld van 10 september

Een studie van de PvdA concludeerde in de zomer van 2001: ‘Vrijwel geen onrust of opschudding.’ Met de aanslagen van 11 september 2001 werd een tijdperk afgesloten met andere prioriteiten, andere zorgen en vooral een andere kijk op de toekomst dan nu. Wat vooral stierf was de hoop op betere internationale samenwerking en een opener wereld.

AMSTERDAM – De grootste valkuil bij het beschrijven van geschiedenis is dat men het verleden slechts ziet in het licht van wat erna kwam. De tijd voor een grote oorlog is voor ons vaak slechts een opmaat voor wat erna gebeurde, al vertelt de komende oorlog ons niets over mensen die toen leefden. Historici hebben het reusachtige voordeel dat zij gebeurtenissen moeten verklaren waarvan ze de uitkomst weten, en ze produceren daarbij vaak verhalen die onvermijdelijk naar de toekomst lijken te lopen. Daarbij sneeuwt regelmatig onder hoe overrompelend en onverwacht sommige gebeurtenissen waren voor wie ze meemaakte. Zoiets geldt ook voor de aanslagen van 11 september 2001, die wellicht door historici over enkele decennia als logische uitkomst van lange trends zullen worden beschreven. Maar hoe verpletterend de verrassing die dag ook was, met de wereld van 10 september 2001 – de wereld voor de aanslagen en de reactie daarop in de jaren daarna – is iets merkwaardigs aan de hand. Het is alsof tijdgenoten proefden dat er iets in de lucht hing.

Zo lijkt het althans bij het lezen van teksten die iets kunnen zeggen over de toen heersende tijdgeest. Een goede graadmeter daarvoor is te kijken naar toekomstvoorspellingen uit die tijd: mensen doen die door in hun ogen beslissende ontwikkelingen door te trekken naar de toekomst. In toekomstvoorspellingen wordt duidelijk welke trends tijdgenoten belangrijk achtten, niet welke dat uiteindelijk zouden worden.

Een goudmijntje in dat opzicht is een bundeling essays die het tijdschrift Foreign Policy afdrukte in de zomer van 2000, van bekende analisten uit allerlei disciplines en werelddelen. De selectie van ‘enkele van ’s werelds meest provocatieve denkers’ omvatte onder anderen de Braziliaanse president/socioloog Henrique Cardoso, einde-der-geschiedenis-heraut Francis Fukuyama en muziekpionier Brian Eno. In de essays, geschaard onder de titel Het benoemen van een nieuw tijdperk, beschreven zij wat volgens hen het centrale aspect was van het tijdvak na de Koude Oorlog, op welk spoor de wereld sinds de jaren negentig terecht was gekomen. Een terugkerende overtuiging, in de helft van de essays, was dat de jaren negentig een tussenfase waren, een gelukkig en voorspoedig intermezzo, en dat de wereld een donkerder toekomst wachtte.

In de zomer van 2000 stapelden de aanwijzingen zich op dat de economische wonderjaren voorbij waren, maar het geloof in de gouden bergen was nog groot. Ook onder de essayisten van Foreign Policy tuinde een enkeling nog in de val die zo veel beleggers opbrak rond dezelfde tijd: het in de jaren negentig gegroeide geloof dat nieuwe communicatie en nieuwe technologie een nieuwe tijd hadden voortgebracht, het internettijdperk, waarin de economie almaar zou groeien. Dat was een mooi vooruitzicht, zeker als je het plakte aan het door Fukuyama voorspelde einde van de ideologische worstelingen van de twintigste eeuw.

Maar de meeste auteurs beschreven iets heel anders: dat de geschiedenis altijd onaangename verrassingen in petto heeft voor wie zich er veilig voor waant. Christoph Bertram, directeur van de Duitse Stichting voor Wetenschap en Politiek, vermoedde al dat de jaren negentig een gelukkige en voorspoedige ‘tussenperiode’ zouden blijken te zijn: ‘Mensen over de hele wereld voelen het.’ Ook ongemakkelijk accuraat bij wat zich de volgende nazomer voltrok passen de woorden van de Libanese Midden-Oosten-expert Fouad Ajami. ‘We hebben ons niet een weg geklikt uit de geschiedenis’, schrijft Ajami, die de wereld gevaarlijk instabiel achtte. Hij eindigt: ‘Haar vrede zal moeten rusten, zoals een Arabisch gezegde het uitdrukt, op de handpalm van een duivel.’

Toch waren de meeste essays niet somber maar juist vol hoop, en dat geeft slechts een paar jaar later al bijna een nostalgisch gevoel bij het lezen ervan. Ondanks de gevreesde terugkeer van de geschiedenis leek de toekomst er voor de aanslagen van 11 september 2001 rooskleurig uit te zien. Ze zou in het teken staan van strijd tegen armoede, onverdraagzaamheid, milieuvervuiling, uitholling van democratie en burgerschap. Confrontatie tussen culturen of met schurkenstaten stond niet op de agenda en het woord ‘terrorisme’ komt in twaalf essays slechts één keer voor, in een tekst waarin de topman van een internationaal bedrijf waarschuwt voor mogelijke gevaren voor de economische vooruitgang. Zelfs de Israëlische militair-historicus Martin van Creveld leek het niet nodig er woorden aan vuil te maken.

Het meest naïef komt nu de toekomstvoorspelling over van superspeculant en -weldoener George Soros. Na de val van het communisme is een fase in de wereldgeschiedenis aangebroken die historici het Tijdperk van de Open Samenleving zullen noemen, dacht hij. De grote politieke uitdaging was in Soros’ ogen te zorgen dat de open samenlevingen van de wereld een alliantie zouden vormen om de vrijheid voor burgers zo groot mogelijk te maken. De internationale grenzen zouden er steeds minder toe doen en de onderlinge afhankelijkheid van landen, burgers en bedrijven zou steeds maar toenemen.

Soros had achteraf gezien ongelijk. In plaats van het Tijdperk van de Open Samenleving is de mondiale trend: minder vrijheid voor burgers, in de eerste plaats in de VS, minder onderlinge afhankelijkheid, minder samenwerking. Maar dat Soros’ wereld er niet gekomen is, betekent niet dat hij niet wist waarover hij het had. Het onderstreept eerder hoe de wereld er nu uit had kunnen zien. Soros’ wereld is onmogelijk gemaakt door het moorddadige complot van twintig mannen, dat doorkruist had kunnen worden als wat kleine toevalligheden net anders waren gelopen. Soros’ voorspelling is niet dom, een paar jaar later is ze vooral pijnlijk.

Het was zeker niet alleen George Soros die voor 11 september geloofde in het bouwen aan een opener wereld met meer gelijkheid en harmonie. Alles leek erop te wijzen dat het Westen zijn zaakjes op orde had en zijn energie kon steken in constructieve dingen. In de wijdere wereld was Frankrijk in die septembermaand in de ban van de fabrieksbezetting van Moulinex als nieuwste front tegen mondialisering, werd Israël geteisterd door een reeks zelfmoordaanslagen en weigerde Slobodan Milosevic de advocaten die het Joegoslavië Tribunaal in Den Haag hem aanbood. Buitenlandredacteuren van Nederlandse kranten zullen hebben getwijfeld tussen reportages over illegale ivoorhandel of over de Burmese oppositie. Totdat iemand cnn aanzette.

De internationale conferenties van die tijd gingen niet over oorlogen of opdrogende energievoorraden. De internationale conferentie die in september 2001, voor de aanslagen, de krantenkoppen haalde, was die tegen racisme in het Zuid-Afrikaanse Durban. Moest in de nieuwe, rechtvaardiger wereld het Westen zijn historische schuld niet onder ogen zien? Ook op andere internationale conferenties speelden problemen in Afrika, zoals aids en oorlogvoering, een veel grotere rol dan nu. Het continent kreeg überhaupt onvergelijkbaar meer aandacht voor de aanslagen op het wtc dan daarna. Correspondenten reisden de conflicten af om ze te verslaan, bemiddelaars om ze te beëindigen. Misstanden als de jacht op uitstervende diersoorten, illegale houtkap, kindsoldaten en moderne slavernij hadden een internationale urgentie die nu veel lager is.

De VN-millenniumtop van 2000 toonde ook de prioriteiten van die tijd: er werden nieuwe afspraken gemaakt over een ambitieuze strijd tegen armoede en ondervoeding en de meeste landen schaarden zich achter een nieuw fenomeen: universele humanitaire interventie onder VN-vlag in landen waar burgers werden geteisterd of onvoldoende bijgestaan door hun eigen overheid. Geen genocides, onverschillige dictators en onderdrukte burgers meer in de wereld van 10 september. De wereldgemeenschap zou voortaan collectief ingrijpen.

Het was destijds een prangende vraag of de Verenigde Staten in die rechtvaardiger wereld het voortouw zouden nemen. Het Amerika van Bush jr. was ongeïnteresseerd in het buitenland en publicisten grepen naar vergezochte metaforen om Washington ertoe te bewegen zijn manifest destiny te accepteren. Zo schreef de Britse buitenlandexpert Martin Walker in het World Policy Journal van zomer 2001 dat de VS een modern, open en democratisch Athene moesten zijn, niet een modern Sparta dat ‘introspectief en defensief zou zijn, (…) vastbesloten om militaire superioriteit tegen elke prijs te behouden, (…) unilateralistisch en gekant tegen elke erosie van nationale soevereiniteit die zou kunnen voortvloeien uit samenwerking met andere staten.’ Natuurlijk zou geen enkele Amerikaanse regering onder de huidige omstandigheden aan dat sombere beeld voldoen, suste Walker. Maar binnen enkele weken zouden de omstandigheden drastisch anders zijn en leek de beschrijving van Walkers ‘Sparta’ ineens ongemakkelijk veel op de gewonde VS.

Hoe onvoorstelbaar de naderende omslag leek tot aan de aanslagen van september 2001 blijkt wel uit het onwaarschijnlijk slecht getimede en getitelde boek Does America Need a Foreign Policy? van de Amerikaanse historicus en ex-minister Henry Kissinger, dat in de zomer van 2001 uitkwam. ‘Machtsrealist’ Kissinger zou bij uitstek iemand zijn om de nakende bedreigingen van Amerika’s veiligheid uit te vergroten, maar ook hij voorzag een compleet andere wereld. In zijn brede schets van het internationale landschap anno zomer 2001 komt terrorisme praktisch niet voor, en zijn lange lijst van internationale prioriteiten is precies dat helaas gedateerde rijtje dat boven al langskwam.

Veelzeggend en verrassend gedateerd is ook Kissingers schets van het buitenlanddebat in de VS. Links, schrijft Kissinger, beschouwt de VS als vanzelfsprekende arbiter bij allerlei binnenlandse ontwikkelingen in andere landen, en ziet in democratie de oplossing voor de problemen van elke samenleving, zonder enig oog voor culturele en historische omstandigheden. Rechts, stelt de oud-minister, beschouwt Amerikaanse hegemonie op alle terreinen als instant oplossing voor elk internationaal vraagstuk en mengt zich bij voorkeur in buitenlandse problemen met een onbeschaamde bekrachtiging van Amerikaanse superioriteit. ‘De werkelijke uitdaging is de twee visies te mengen’, schrijft Kissinger, zich onbewust van hoe snel, en op welke in Kissingers ogen ongewenste manier, George W. Bush precies die twee ingrediënten in het nieuwe buitenlandbeleid van de machtigste staat ter wereld zou mengen.

Het Nederland van 10 september maakte zich zorgen over omschakelproblemen met de aanstaande euro, de populariteit van mixdrankjes onder jongeren, de zich ontrollende feiten over het meisje van Nulde, de bij-effecten van erectiepil Viagra en acties van boze boeren tegen minister Brinkhorst. Wat de belangrijkste bijzaak van het leven betreft werden in september 2001 de wonden gelikt van de bijna onbevattelijke uitschakeling van Oranje voor het WK 2002 door Ierland en verprutste de onvergetelijke Ajax-spits Machlas op innovatieve manieren zijn kansen.

Fortuyns bestorming van het politieke landschap was zojuist begonnen, toen hij eind augustus aankondigde dat hij het parlement in wilde. Hij opende ook direct zijn aanval op de politieke correctheid omtrent immigratie en integratie met een interview in het Rotterdams Dagblad. ‘Ik ben ook voor een koude oorlog met de islam. De islam zie ik als een buitengewone bedreiging, als een ons vijandige samenleving’, meldde Fortuyn. Het leidde tot bijzonder weinig opschudding. Ook elders was nog geen rimpeltje te zien van de vloedgolf die de dijken van de polderpolitiek een half jaar later zou overspoelen. Eind 2000, een jaar voordat er over ‘puinhopen’ gesproken zou worden, gaf nog meer dan driekwart van de Nederlanders aan tevreden te zijn met de regering. Een interne studie van de pvda naar de politieke situatie concludeerde in de zomer van 2001: ‘Vrijwel geen onrust of opschudding.’ Volgens peilingen eind augustus zou de pvda bij de verkiezingen van het volgend voorjaar twee van de 45 zetels verliezen en daarmee de grootste partij blijven. Het cda zou zelfs één van de 29 toenmalige zetels verliezen. Al die politieke zekerheden van de wereld van 10 september zouden rap wegvallen.

De Fortuyn-revolte was het gevolg van binnenlandse politiek, niet van de aanslagen van 11 september 2001, maar het is wel frappant hoezeer deze in de tijd samenvallende nationale en internationale klimaatverandering bij elkaar lijken aan te sluiten. Verdwenen waren het oude vertrouwen, het gevoel van voorspoed en veiligheid, het streven naar grensoverschrijdende samenwerking en consensus dat zowel Paars als de nieuwe wereld met zijn gewenste humanitaire interventies kenmerkte. Het was tekenend dat het tweede kabinet-Kok, dat zo in het nauw was gebracht over zijn integratiebeleid, uiteindelijk viel vanwege het falen bij een humanitaire interventie in voormalig Joegoslavië, waar Nederland het voorbeeld wilde geven door met militaire middelen de veiligheid van de nieuwe wereld na de Koude Oorlog te exporteren naar plaatsen waar de openheid en rechtvaardigheid nog niet waren neergestreken. Nederlandse militairen zouden opnieuw ingezet worden, maar dan in een smalle coalitie in naam van de internationale veiligheid en de strijd tegen terrorisme. Toen Paars-II viel, was de wereld van de Joegoslavië-missie al definitief voorbij.