Zomerserie: Aantekeningen uit het ondergrondse

De wereld van de kelderman

‘Woede, krenking, haat en wraak zijn ook drijfveren.’ In 1864 beschreef Dostojevski al hoe rationele ideologieën voorbijschieten aan de werkelijkheid van de ‘overbodige’ mens. De fictie van maakbaarheid creëert rancune – toen evengoed als nu.

In 1862 keerde Fjodor Dostojevski terug van een reis door West-Europa. Tijdens zijn verblijf in Londen, waar de Wereldtentoonstelling plaatsvond, besefte hij dat wat hij daar zag van wereldhistorisch belang was. ‘Je wordt je bewust van een enorm idee’, schreef hij na zijn bezoek aan de tentoonstelling, die een uitbundige materiële cultuur toonde. ‘Je voelt dat er grote, eeuwige ontkenning en geluk voor nodig is om je niet over te geven, niet te capituleren voor wat je ziet, niet te buigen voor wat is, en Baal niet te verafgoden – dat wil zeggen, de materiële wereld niet te aanvaarden als je ideaal.’

Dostojevski en zijn reis naar Londen figureren ook in Tijd van woede, het vlammende essay in boekvorm dat de Brits-Indiase denker Pankaj Mishra begin dit jaar publiceerde. Dat gaat, de titel zegt het al, over de uiterst moderne kwelling van de wrok, die je niet alleen overal in het Westen ziet maar een wereldwijd fenomeen is: de jihadisten van IS spreiden net zozeer woede ten toon als de treitertrollen op Twitter. Mishra staat stil bij de burgers die zich genegeerd voelen door hun parlement, bij regeringen die zich geen raad weten met de radicale islam en bij het geglobaliseerde turbokapitalisme waar overheden geen greep op krijgen. En hij wijst er dus op dat wrok, die intense cocktail van jaloezie, vernedering en machteloosheid, een nevenproduct is van de opkomst van de seculiere en meritocratische maatschappij in de achttiende eeuw.

Volgens Mishra hadden Russische schrijvers sinds Poesjkin al oog voor de psychologie van de ‘overbodige’ mens. Maar het was Dostojevski, schrijft hij, ‘die het scherpst zag hoe individuen, getraind om te geloven in een verheven notie van persoonlijke vrijheid en soevereiniteit, en vervolgens geconfronteerd met een werkelijkheid die dit soort verlangens meedogenloos afstrafte, uit de verlammende ambivalentie konden breken door zich over te geven aan gratuite moordpartijen en paranoïde opstandigheid’.

Het welvarende Londen was de voorbeeldstad van de moderniteit. De keerzijde van zoveel pracht en praal was in de ogen van Dostojevski een meedogenloze samenleving waarin de meeste mensen zijn veroordeeld tot de status van verliezers. In Parijs, dat hij ook aandeed, zag hij dat de vrijheid er vooral voor miljonairs was. Gelijkheid voor de wet was een prachtige uitvinding, maar een ‘persoonlijke belediging’ voor de armen. En ook de broederschap vond hij een mooi klinkend doekje voor het bloeden in een samenleving die werd gedreven door ‘individualistische, isolationistische instincten’ en de hang naar persoonlijke rijkdom.

Small gettyimages 464426915
‘Ik ben een zieke man… Ik ben een boze man. Een onsympathieke man’ – zo begint de monoloog © Fine Art Images / Heritage Images / Getty Images

De roman waarin Dostojevski de ziel van de wrokkige buitenstaander messcherp ontleedde, schreef hij na zijn Europese reis. De hoofdpersoon van Aantekeningen uit het ondergrondse (1864) is een veertigjarige, van zelfhaat vervulde ex-ambtenaar, die in het eerste deel van het boek vanuit een bedompte kelderruimte een lange, koortsige monoloog afsteekt tegen ‘zekere Heren’, waarin hij zich afzet tegen de theorieën van Verlichtingsfilosofen en utilitaire denkers. Bovenal verzet hij zich fel tegen de denkbeelden van de utopische socialist Nikolaj Tsjernysjevski (1828-1889), die een jaar eerder de roman Wat te doen? had gepubliceerd, later een inspiratiebron van Lenin. Tsjernysjevski stelde dat de mens, als hij maar verstandig en rationeel handelde, vanzelf het geluk zou bereiken. In de Aantekeningen duikt ook het Kristallen Paleis op, een verwijzing naar het adembenemende Crystal Palace op de Londense Wereldtentoonstelling dat Dostojevski met eigen ogen zag, en dat voor Tsjernysjevski het symbool was van een utopische socialistische staat waarin mensen leven in ‘een paleis van ijzeren kristallen’.

‘Ik ben een zieke man… Ik ben een boze man. Een onsympathieke man’, begint de monoloog. Hij neemt niet alleen de ruimte om te betogen dat hij iedereen haat en tegelijkertijd benijdt, hij portretteert ook zichzelf als een buitengewoon onaangenaam mens. Als hij zich ergens tegen keert, dan tegen de fictie van de ‘maakbare mens’; in Dostojevski’s woorden de ‘retortenmens’, wij zouden nu allicht zeggen: de homo economicus. Hij is het tegendeel van de mens die leeft volgens de logica van het eigenbelang, hij is juist een dwarsligger van nature, iemand die zijn eigenbelang voortdurend ondergraaft. Hij haat redelijkheid en het verlichte geloof in vooruitgang. Er zullen vast mensen zijn die proberen te leven volgens de regels van het gezond verstand en de wetenschap, op zoek naar geprefabriceerd welbehagen, maar hij is iemand die zichzelf het slechtste toewenst en niet het voordelige. Die ervan geniet dingen kapot te maken en zich realiseert dat het genot voortkomt ‘uit een al te sterk besef van eigen vernedering’.

Hij heeft wraakfantasieën ‘naar boven’ en wreekt zich ‘naar beneden’ – op zijn bediende en het hoertje Liza

De ex-ambtenaar vergelijkt zichzelf met een muis die smadelijk in haar holletje schiet. ‘Daar in haar smerige, stinkende kruipruimte geeft onze beledigde, verslagen en weggehoonde muis zich onmiddellijk over aan haar kille, venijnige en, vooral, eeuwigdurende woede.’ Daar laat zij de haar aangedane beledigingen telkens weer de revue passeren, en fantaseert ze over wraak. De ex-ambtenaar is niet alleen gefrustreerd, maar wentelt zich ook in de frustratie, is geobsedeerd door de eigen vernedering, vergroot die uit, maakt er haast een karikatuur van. Zo ziet hij zichzelf niet alleen als een miezerige muis, maar, in het tweede deel van het boek, ook als een vlieg, zo’n irritant insect dat je van je afslaat zonder ernaar te kijken.

Dat tweede deel maakt een sprong terug in de tijd, als de ambtenaar 24 jaar oud is, en is meer verhalend van vorm. Er worden herinneringen opgehaald aan vernederingen die veelzeggend zijn voor het karakter van de wrokkige hoofdpersoon. Opvallend is bijvoorbeeld dat hij de vernedering zelf lijkt te zoeken en koestert. Pijnlijk, en ook wel hilarisch, is de passage over een officier die hij in een taveerne ontmoet. De ambtenaar staat bij het biljart en de officier pakt hem zwijgend bij de schouders en verplaatst hem. ‘Zelfs een pak slaag had ik hem vergeven, maar dat hij me opzij zette zonder ook maar enige notie van me te nemen, dat kon ik niet verkroppen.’ Hij voelt zich behandeld als een vlieg.

Deze non-gebeurtenis groeit uit tot een obsessie die jaren aanhoudt. De ambtenaar gaat op zijn vrije dagen naar de drukke Petersburgse Nevski Prospekt om de officier tegen het lijf te lopen en wraak te nemen. Maar elke keer als hij hem tegenkomt, en de officier recht op mensen van lagere stand af loopt alsof hij een lege ruimte voor zich heeft, alsof die mensen niet bestaan, doet ook de ambtenaar gedienstig een stap opzij en merkt de officier niet eens dat hij voor hem uit de weg gaat. ‘Hoe ik me er ook op voorbereidde, hoe vast ik het ook van plan was – als het leek of we zo meteen in botsing zouden komen, keek ik op en… was alweer uit de weg gegaan, en hij was gepasseerd zonder me op te merken.’

Zijn haat geldt niet alleen de in rang boven hem gestelden, hij ervaart de vernedering bij iederéén. De ambtenaar mag dan onbeduidend werk hebben en slechts een schamel loon verdienen, hij kan zich wel een bediende veroorloven, ene Apollon. Die betaalt hij echter zo weinig, dat hij niet moet verwachten dat deze ook wat voor zijn loon doet. ‘Voor zeven roebel in de maand is hij bereid om in mijn dienst “niets te doen”.’ En ook hier zie je weer de paranoïde projectie van de ambtenaar: Apollon is een ‘pedante kwast in optima forma’, die zich gedraagt als een ‘ware despoot’ en die als hij hem al aankijkt dat doet ‘met een vaste, plechtstatig zelfverzekerde blik’ die hem razend maakt.

Ziedaar de uitkomsten van Dostojevski’s karakterstudie van de kelderman. Hij haat de wereld, maar meest van al haat hij zichzelf. Hij zit vol paradoxen en projecties, maar heeft tegelijk wel degelijk kennis en zelfinzicht. Hij heeft wraakfantasieën ‘naar boven’ die hij nooit ten volle ten uitvoer brengt en wreekt zich daadwerkelijk ‘naar beneden’ – op zijn bediende en op het hoertje Liza dat hij heeft leren kennen. Maar die wraak jaagt slechts zijn zelfhaat aan.

De wrok van de kelderman is een in zichzelf verstrikte kluwen irrationaliteit. Maar je kunt ook zeggen dat de rationaliteit van Dostojevski’s raaskallende ik-figuur juist uit zijn irrationaliteit bestaat. Hij beseft dat rationele keuzen hem niet uit zijn minderwaardige positie zullen brengen, ze zullen van hem niet opeens een maatschappelijke winnaar maken. Dostojevski legt hem het intellectuele verzet in de mond tegen de misleidende zekerheden van de rationele ideologieën, of die nu van socialistische of kapitalistische snit zijn. Hij laat zien, hoe negatief ook, dat mensen door meer gedreven worden dan door gezond eigenbelang, competitie en het najagen van bezit. Woede, krenking, haat en wraak zijn ook drijfveren.

Pankaj Mishra stelt in Tijd van woede dat Dostojevski in Aantekeningen uit het ondergrondse een denkwijze laat zien die later werd uitgewerkt door onder meer Nietzsche, Freud en Max Weber. Zij staan voor een intellectuele revolutie die vandaag de dag vrijwel vergeten lijkt, maar die uitbarstte op een moment in de geschiedenis, eind negentiende eeuw, toen er net als nu sprake was van ontwrichtende economische groei, wantrouwen tegenover politici, angst voor verandering, en achterdocht tegen losgeslagen elites en vreemdelingen. Tegenover de nobele, verlichte held die het in z’n eentje opneemt tegen grote krachten staat de kelderman. Hij is ook een typische held van de moderniteit, een antiheld, een loser.