Jeugdzorg Emotionele ravage na misbruik

‘De wereld van leed en verdriet is een markt’

Begin jaren tachtig zette psycholoog Wim Wolters seksueel misbruik van kinderen in zijn vakgebied op de kaart. Hij stuitte aanvankelijk op grote weerstand, ook bij collega’s. ‘Het blijft héél beladen.’

‘Seksueel misbruik van kinderen is een van de ergste dingen die er zijn. Als het basale gevoel van veiligheid en vertrouwen wordt aangetast ontneem je een kind een normale ontwikkeling tot volwassen mens. Ook de mogelijkheid om later normale seks te hebben’, zegt Wim Wolters, emeritus hoogleraar psychologie en psycho­therapeut. Hij zit achter zijn bureau in zijn werkkamer, thuis in Bilthoven, omringd door boeken en kunstwerken. In de hoek is een zitje, twee fauteuils en een tafeltje, waar hij psychotherapeutische gesprekken voert. Niet zo vaak meer als vroeger maar nog steeds drie dagen per week. Zijn beroep laat hem nooit los. Hij volgt de vakliteratuur en heeft het onlangs verschenen rapport-Samson gelezen. Dat betitelt hij als een ‘onderzoek van grote kwaliteit, uitstekend gedocumenteerd en helder geschreven’. Hij is er dan ook blij mee, ook al is de pijnlijke inhoud voor hem ‘helaas niks nieuws onder de zon’.

Tijdens zijn lange loopbaan als psycholoog en therapeut, gespecialiseerd in kinderen en adolescenten, werd hij veelvuldig geconfronteerd met de desastreuze gevolgen van seksueel misbruik. Ook kent hij de wereld van hulpverlening eromheen door en door uit de jaren dat hij naast zijn klinische werk actief was als consulent bij kindertehuizen, als getuigendeskundige voor justitie of als bestuurder. Hij deed ook de selectie en begeleiding van pleeggezinnen. Binnen al deze gelederen kwam hij heel wat tegen aan langs elkaar heen werkende hulpverleners, afstandelijke bestuurders, ontkennende leidinggevenden én dubieuze types. Hij zegt voorzichtig: ‘Laat ik het zo zeggen: er zijn mensen met een, soms onbewuste, erotische gerichtheid op kinderen die de wereld van kinderen opzoeken. Het is een bepaalde subgroep. Dat is totaal verwerpelijk en moet je er al aan de poort uit zeven. In sollicitatiegesprekken alert zijn, doorvragen naar de eigen achtergrond, naar seksuele opvattingen met betrekking tot kinderen. Scherp kijken of iemand niet een verkeerd pleegzusterbloedwijn-motief heeft. Dat heb ik altijd gedaan bij sollicitanten. En als iemand daar geen zin in had, ging er bij mij een lichtje branden.’

Een van de aanbevelingen in het rapport-Samson gaat hierover: kandidaten voor banen binnen de jeugdzorg beter screenen en in de opleidingen meer tijd besteden aan het vak seksualiteit. ‘Kennelijk is dat nog steeds niet vanzelfsprekend! Hulpverleners moeten beseffen dat ze te maken krijgen met kinderen en pubers waarbij ten aanzien van seks vaak geen normaalnorm bestaat. Een kleuter die is misbruikt begrijpt niet wat dat is, maar heeft er wel weet van gekregen: je genereert aandacht met je lichaam. Een tienermeisje doet bijvoorbeeld tegenover een hulpverlener haar bloesje open, want dan krijgt ze de ogen op zich gericht. Deze kinderen komen uit een thuissituatie waar ze dit patroon van lichamelijk zoeken naar affectie hebben ontwikkeld. Daar moeten hulpverleners op zijn voorbereid, zodat ze er niet vanuit een driftmatig verlangen maar met professionele verantwoordelijkheid op reageren. Ik ben verbijsterd dat uit het rapport blijkt dat sekswervend gedrag niet zou worden herkend. Daar geloof ik helemaal niks van.’

Dit werk, stelt hij met nadruk, vereist een intrinsieke motivatie, vanuit een bepaald ideaal: ‘Het is niet een baantje, zoals elk ander werk. Hulpverleners hebben een zware taak, zij zien concrete mensen met concrete problemen. Je moet dus altijd aandacht besteden aan de schaduwkanten van dit werk. Vergeet niet wat ze allemaal aan problematiek en leed meemaken. Ook zij zitten wel eens stuk en verdienen intensieve begeleiding en een uitlaatklep.’

Wolters geldt in Nederland als dé autoriteit op het gebied van seksueel misbruik van minderjarigen. Jaar in, jaar uit verscheen hij voor de camera als er calamiteiten met kinderen in het nieuws waren. Het ‘meisje van Nulde’, de Oostenrijkse Natascha Kampusch, vaders die hun kroost uitmoordden – Wolters gaf er duiding aan. ‘Extreme gevallen halen het nieuws, maar het zijn geen incidenten’, zegt hij. De diepe ellende die hij in zijn eigen werk tegenkwam noemt hij onbeschrijflijk. ‘Seksueel misbruik komt veel voor, maar er blijft een taboesfeer omheen hangen. Bij een vermoeden in de directe omgeving wordt er liever weggekeken.’

Hij rolde in dit vakgebied als jong afgestudeerd psycholoog toen hij een periode werkte in Maison de la Miséricorde, een behandeltehuis voor ‘ontspoorde meisjes’ in Maastricht dat werd gerund door nonnen. ‘Daar kwam ik voor het eerst in aanraking met ernstige verwaarlozing, mishandeling, incest en andere vormen van seksueel misbruik. Meisjes van twaalf, dertien jaar die zwanger waren en begeleiding kregen tot en met het afstaan van hun baby. Die nonnen waren heel goed in hun werk. Wat ik schokkend vond, was dat meisjes na de bevalling vaak wéér zwanger werden. De ellende ging gewoon door. Die periode heeft invloed gehad op mijn hele loopbaan.’

Begin jaren tachtig legde hij de basis voor het landelijk psychotraumacentrum, waar seksueel misbruik onder valt, in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht. Met publicaties en lezingen creëerde hij bij zijn vakbroeders aandacht hiervoor. ‘Na de Tweede Wereldoorlog begon dit onderwerp mondjesmaat los te komen, als gevolg van de joodse onderduikkinderen en jeugdige overlevenden van de holocaust. Onder anderen kinderpsychiater Hans Keilson publiceerde hierover degelijk wetenschappelijk onderzoek. In de literatuur verschenen de eerste boeken over de oorlog vanuit kinderperspectief, zoals in 1978 Kinderjaren van Jona Oberski en in 1985 Strepen aan de hemel van Gerard Durlacher. Voor seksueel misbruik heeft het veel langer geduurd voordat het serieuze erkenning kreeg in de wetenschap en de hulpverlening. Er was geen kennis over de signalen. Nu zijn er indicatielijsten, maar het is nog steeds moeilijk om symptomen goed te herkennen.’

In het ziekenhuis kwam ‘de maatschappij’ binnen. ‘Dan was er bijvoorbeeld een heel jong meisje met blaasontsteking. Als er medisch niks met de urinewegen aan de hand bleek, gingen we verder zoeken naar een oorzaak. Het kreeg een psychologische duiding: het bleek incest. Het begon langzaam op te komen om kinderen te zien als mensen met een eigen psyche en ook met eigen psychotraumatische ervaringen.’

Als hij begint te vertellen wat hij allemaal heeft gezien en gehoord wordt hij overvallen door emoties. Alsof de beelden van al die gekwetste zielen als dia’s weer op zijn netvlies verschijnen. ‘Slachtoffers voelen zich immens eenzaam, verraden en in de steek gelaten. Tot ver in de jaren zestig kregen misbruikte kinderen nul op het rekest – het waren vieze praatjes. De kinderbescherming waakte vooral over de goede zeden en richtte zich op het tegengaan van zogeheten ontaard en onmaatschappelijk gedrag bij de kinderen. In de jaren zestig, zeventig – de periode van de seksuele revolutie – botsten zij op een andere manier tegen een muur. Vanuit de vrije seksuele moraal ontstond er binnen de hulpverlening een voedingsbodem voor “seksueel contact met kinderen moet kunnen”. En er rees binnen de hulpverlening weerstand tegen een overheid die ingreep in het leven van gezinnen. De Raad voor de Kinderbescherming leek eerder een vijand.’

In lezingen sprak hij over de emotionele ravage die door misbruik wordt aangericht en dat die zich vaak pas manifesteert in het volwassen leven. Zijn betogen brachten een enorme schok teweeg, ook onder collega’s. ‘In 1981 was hierover het eerste grote symposium. In die tijd ontstond er ook vanuit de wetenschap enig begrip ten aanzien van pedofilie. Dat moest mogelijk zijn, kinderen kunnen baat hebben bij zo’n ervaring en dan werd er bijvoorbeeld verwezen naar bepaalde stammen in Afrika. Of het was goed voor de zelfontplooiing. Dat idee leefde zelfs binnen de kinderbescherming, in het maatschappelijk klimaat van toen lag dat modieus. Maar ik stelde daar het grote lijden tegenover. Ik hoorde verhalen van moeders die gewoon meewerkten, de benen van het kind uiteen hielden als hun man zijn gang wilde gaan.’

Hij pakt uit zijn boekenkast een bundeling van zijn artikelen in het maandblad voor geestelijke gezondheid Hete hangijzers uit die periode om de bizarre discussies in herinnering te roepen. Wolters schrijft over de schadelijkheid van pedofilie en incest, over ‘hoe er innerlijke chaos en angst bij een kind ontstaat’ en dat ‘het pseudo-pastorale toedekken van dit soort verschijnselen veel meer schaadt dan het bespreekbaar maken’. De felle reacties die hij opriep bij collega’s komen erop neer dat kinderen een keuzevrijheid hebben, zo van: ‘Kinderen vinden seks met volwassenen lekker en fijn, en nemen hiertoe vaak het initiatief.’ Sommige collega’s noemden hem ‘regentesk en ouderwets’ en een ‘paniekzaaier’.

‘Tja, onvoorstelbaar’, zegt hij. ‘Godzijdank veranderde dat klimaat in de loop van de jaren tachtig. Het inzicht in de negatieve impact van seksueel misbruik op het leven van een kind was zó evident. Uit die periode stamt de term “seksueel misbruik”, seks tussen kinderen en volwassenen werd geformuleerd als een ongelijke relatie. Binnen de hulpverlening werd seks tussen pupillen en leiding strikt afgekeurd. Maar als je het rapport-Samson leest, kun je alleen maar concluderen dat er nog een lange weg te gaan is.’

Wolters doet vanaf de zijlijn haast een oproep: dit rapport mag niet in de la verdwijnen, niet bij jeugdzorg en niet bij de toezichthoudende overheid: ‘Dat zou hypocriet zijn. Behalve individueel leed creëer je ook een maatschappelijk probleem. Je ziet deze groep terug in de criminaliteit, kinderen worden zelf soms misbruikers, of ze komen niet tot een normaal maatschappelijk leven.’ Toch kan hij, vanuit zijn lange ervaring, ook iets positiefs melden: ‘Lange tijd gold een absoluut doemdenken over trauma’s – daar kom je nooit meer overheen. Maar het hangt af van de persoonlijkheid en de emotionele reserves die iemand heeft of het lukt om er bovenop te komen. Er is veel stuk, maar je kunt ze wel weer de lol van het leven leren. Kinderen hebben enorme veerkracht, en kunnen er met hulp van een goede omgeving uitkomen.’

En dan komt hij uit op een van zijn stokpaardjes, waar hij nu weer veel kritiek op krijgt: de hulpverlening die te veel het slachtofferschap bevordert: ‘Seksueel misbruik en pedofilie zijn nu een hype. Te veel media-aandacht is ook niet goed. De wereld van leed en verdriet is een markt geworden met marktdragers, en bepaalde slachtoffergroepen kunnen met hun drama een maatschappelijke status krijgen. Traumatherapie is nodig, ik ben de laatste die dat ontkent. Maar je moet slachtoffers niet op het trauma fixeren, dan wordt iemand zélf het trauma. Dat blokkeert verdere ontplooiing. Er is dan geen ruimte voor het vinden van nieuwe ankerpunten: vriendschap, een fijne relatie, een gezin, een baan. Alles wat een normaal mens ook wenst.’