Mariken is een jaar of acht. Ze leeft in een tijd die op de Middeleeuwen lijkt en haar geschiedenis is geïnspireerd op het mirakelspel Mariken van Nieumeghen. Ze is als vondeling opgevoed door een oude zonderling, die haar naast de wetten van de natuur ook lezen heeft geleerd. Al haar kennis over de wereld komt uit het volksboek De mensheid is een klucht, maar wanneer Mariken die wereld intrekt op zoek naar een nieuwe geit, blijkt er heel wat meer te koop. Alles is nieuw: brood, muziek, sterke drank, ratten, lange rokken, de pest, zoenen en de maagd Maria. De duivel kent ze wél uit haar boek: geboren uit een wind als een klaroenstoot die God ooit liet. Bij Van Gestel is er alleen sprake van een duivelspak, waar een onhandige man in schuilgaat die prachtige verhalen kan vertellen.
Het meisje trekt mee met deze ‘duivel’ en zijn troep rondreizende toneelspelers. Ze beleeft adembenemende avonturen en ervaart vooral ook de geborgenheid van het ruwe acteurszootje dat een soort familie voor haar wordt. Hier dient zich Van Gestels geliefde thema aan: het belang van de relatie tussen ouders en kinderen. Mariken vraagt zich af wie haar moeder is, een ijzige gravin gaat gebukt onder haar kinderloosheid en ook het raadselachtige moederschap van Maria is aan de orde.
Mariken is een rijk boek. Het geeft een kleurig, min of meer historisch beeld van overvolle herbergen en marktpleinen, van bijgelovige, door angst voor de pest, de duivel en hekserij bepaalde mensen. De toen bloeiende mondelinge traditie bewijst Van Gestel eer door bizarre geschiedenissen breed en met gevoel voor drama uit te meten. ‘Zonder verhalen zou ik niets van de wereld en de mensen begrijpen’, zegt Joachim. Hoogtepunt is het moment waarop hij ter plekke het wagenspel Mariken van Nieumeghen verzint. Liefdevol tekent de auteur het onbevangen kind Mariken, archetypisch voor de onschuld, dat haar weg zoekt door de wereld, met haar scherpe reukvermogen als belangrijkste houvast.
Als altijd schrijft hij springlevende dialogen. En de lezer kan genieten van glanzende, haast aforistische zinnetjes, vooral op de momenten dat Mariken haar omgeving bevraagt over God, de liefde of de ziel. De ziel bijvoorbeeld is ‘wat je bent, wat je voelt en denkt en waar niemand iets van weet’, waarna de liefdeloze gravin later zal opmerken: ‘Mijn ziel is een meisje met koude voeten.’ Het grote vangen in kleine woorden, dat vraagt een auteur van formaat.