De wereld vergaat

Als kind had ik het al. Bijvoorbeeld tijdens de kerstochtendmis. Om half zes uit bed gehaald, om zes uur in de kerk, nuchter omdat je ter communie moest, en anderhalf uur later thuis aan de kerstkroketten.

Of het nu door de lege maag kwam, ik weet het niet. Maar het kwam onvermijdelijk. Het hallucineren. Zo rond de consecratie. Ritueel gedoe met drie heren en een stel misdienaars, begeleid door trage orgelmuziek. Ik kijk naar de bewegingen van de priesters. Ineens begin ik andere dingen te zien dan er gebeuren. De juf staat ook op het altaar en kijkt me boos aan, ik kruip met een vriendje over het verboden akkertje, ik roetsj over de blauw geglazuurde steentjes bij het viaduct naar beneden, ik zit in een kamer vol chagrijnige verjaarsvisite.
Mijn broertje naast me stoot me aan. Ik moet op m'n knieën. Of staan. Iets doen. Gelukkig, ik ben er weer bij. Goede katholieke gewoonte, die misgymnastiek.
Ruim een week geleden had ik het weer. Een grote fabriekshal in Hallein, vlakbij Salzburg. Allemaal mensen in zeer zondagse kleren, want zo hoort dat op de Salzburger Festspiele, of je nu op ruwe houten bankjes in een hal moet zitten of op het rode pluche van het theater. Vóór in de hal een tien meter hoge glazen wand, die uit draaibare panelen blijkt te bestaan. Rond die panelen voeren drie mannen en drie vrouwen een strak ritueel uit, begeleid door trage elektronische muziek. Door zendmicrofoons op stalen stokken spreken ze op afgemeten toon sacrale teksten uit. ‘De wereld zal spoedig vergaan.’ 'Hoe weet je dat?’ 'Het staat in de bijbel.’ 'Het is dus waar.’ 'Lees de profeten.’
Tekst, muziek en regie zijn van Hal Hartley, maker van intelligente, ironische films als Flirt, Simple Men en Amateur. Zijn theaterdebuut in Salzburg heet Soon en gaat over een religieuze sekte, zo een als die in Waco, Texas, die zichzelf uitmoordde toen ze door politie werd belegerd. De pers noemde Soon een mislukking. Een mooie mislukking, vind ik.
Ik ben moe en heb weinig gegeten. Ik kijk toe hoe de acteurs hun plechtige passen doen, elkaar de microfoons voorhouden, met bijna toonloze stemmen hun teksten spreken. Teksten over het naderende wereldeinde en de rechtsprekende God. En dan gebeurt het weer. Ik begin dingen te zien die er niet zijn. Mijn voormalige Oostenrijkse echtgenote staat op het podium en kijkt me boos aan. Ik sluip door de Salzburgse Judengasse, waar achter elke deur een bordeel blijkt te zitten. Ik suis in vliegende vaart op een slee van een smal bospad af. Ik bevind me bij een Heuriger waar ik word lastiggevallen door een meute dronken Linzerinnen.
Ik schrik op omdat het publiek, althans dat deel dat niet tijdens de voorstelling is weggelopen, luid fluit en boe-roept. Ik schaar me onder de weinige bravo-roepers. Ik heb heilige kunst gezien. Want is niet die kunst heilig die ons transcendente ervaringen schenkt?