De wereld volgens stone

Overal ontwaart hij samenzweringen en in zijn films buitelen de duivelse komplotten over elkaar heen. Maar als Oliver Stones ‘Nixon’ een misser is, dan is het niet om die reden.
HET LEEK EEN gedroomde combinatie: Amerika’s meest controversiele regisseur die een film maakt over Amerika’s meest controversiele president. Maar het meer dan drie uur durende epos over Richard Nixon is ondanks het onmiskenbare talent van Oliver Stone, ondanks de voortreffelijke acteurs en ondanks het rijke materiaal dat Nixons carriere biedt, geen aangrijpend en samenhangend verhaal geworden.

In een van de filmscenes staart Nixon (vertolkt door Anthony Hopkins) naar een portret van Kennedy en zegt: ‘Ze kijken naar jou en zien wat ze willen zien… ze kijken naar mij en zien wat ze zijn.’ In het pantheon van naoorlogse presidenten is Kennedy God-de-Zoon, Reagan God-de-Vader en Nixon de mens onder de goden - het onhandige, overmoedige mensenkind dat van de Olympus werd gestoten. Het is die val in het tranendal die blijft fascineren.
Voor Watergate was Nixon net als de anderen een keurig verpakt imago. Maar Watergate gaf de wereld zicht op de bange, eenzame man die erachter schuilging. Geen wonder dat Nixon tot zo veel boeken, documentaires en films inspireerde. De bekendste van die films, All the President’s Men, vertelde het verhaal vanuit het standpunt van de journalisten die Nixon ten val brachten. Wat echter nog ontbrak was een film die de opkomst en val van Nixon beschreef vanuit het standpunt van de man zelf. Dat uitgerekend Stone die uitdaging aannam, beloofde vuurwerk. In al zijn films heeft hij op zere tenen getrapt. Wie een eerlijke film over Nixon wil maken, mag niet bang zijn voor negatieve reacties en dat is Stone dus niet.
HET WAS DAN OOK voorspelbaar dat de Nixon-getrouwen een koorzang van protest aanhieven nog voor de film de bioscoopzalen bereikte. Nixons dochters stelden dat de film een poging was om hun vader te belasteren, de Nixon-bibliotheek plaatste paginagrote advertenties in de kranten om Stones 'geschiedenisvervalsing’ aan te klagen, in de New York Times beschuldigde Nixons Watergate-trawant Charles Colson Stone ervan Nixon te 'demoniseren’ en in de Los Angeles Times schreef de voorzitter van het Nixon Center for Peace and Freedom dat Nixon zo vals is dat niemand de film ernstig kan nemen. Veel filmcritici waren het daarmee eens. 'Stones 'Nixon’ is een groteske karikatuur’, kopte een Newyorkse krant. Een tv-criticus vergeleek Stone met Leni Riefenstahl.
Stone antwoordde dat hij begreep dat Nixons dochters het moeilijk hadden met een film die het leven van hun vader onder de loep nam, maar dat zijn werk kwaadaardig noch lasterlijk was. Zijn doel, zo schreef hij, was Nixon begrijpen, diens goede kanten zowel als diens slechte. Newsweek was het daarmee eens. 'De Stone die “Nixon” maakte is geen demagoog’, schreef het blad. 'De propagandist heeft plaatsgemaakt voor een stoutmoedige portrettist.’ Nixons complexe menselijkheid tot leven brengen is moeilijker maar veel boeiender dan hem af te schilderen als een eendimensionale schurk. En Stones prestatie bestaat volgens Newsweek uit het schilderen van zo'n complex portret. Het blad noemt de film 'shakespeariaans’ en ook Stone zelf beschrijft Nixon als 'een tragische figuur in de klassiek-Griekse en shakespeariaanse traditie’.
En dat was Nixon ook. Zijn verhaal is een verhaal over overmoed, een geliefkoosd thema van Shakespeare en de Griekse dramaturgen. Die overmoed bleek het duidelijkst uit de beslissing, tijdens de presidentsverkiezingen van 1972, om een inbraak te organiseren in het Watergate- hotel waar Nixons tegenkandidaat, de Democraat McGovern, zijn hoofdkwartier had. Een volstrekt overbodige actie; opiniepeilingen voorspelden Nixon al een ruime zege. Maar de president en zijn omgeving wilden die zege nog verpletterender maken. Daarom zochten ze naar documenten om McGovern te ondermijnen. Hun overmoed maakte hen ongevoelig voor het gevaar dat de operatie inhield.
Zoals in elk klassiek drama speelde het noodlot een grote rol. Je vraagt je af wat er zou zijn gebeurd als de Watergate-inbrekers niet zo slordig waren geweest of als Nixon niet zo stom was geweest om al zijn gesprekken op band op te nemen. Hoe dan ook, toen de Watergate-inbrekers werden betrapt, was Nixons lot bezegeld. Zijn gespartel om uit de strop te ontsnappen zou Shakespeare hebben doen likkebaarden.
Een mooi verhaal dus. Maar Stone heeft het niet verteld. Zijn Nixon bevat alle greatest hits - de melodramatische 'Checkers- speech’ waarmee Nixon zijn carriere redde, zijn afgang in het eerste presidentiele tv-debat dat Kennedy aan een nipte zege hielp, zijn uitval tegen de pers ('You won’t have Nixon to kick around anymore’), zijn 'I am not a crook’-speech, zijn dronken verzoek aan Kissinger om naast hem te knielen en te bidden in de bange Watergate-dagen, enzovoort. Maar Stone laat de tragische spanning die hij op een schaaltje krijgt aangereikt, wegsijpelen in een wirwar van dichtbevolkte scenes en verbreken door een nerveus heen-en-weergespring in de tijd.
Die flashback-structuur heeft Stone gekopieerd van Citizen Kane, Orson Welles’ meesterwerk waarnaar Nixon herhaaldelijk stilistisch verwijst. Maar in Citizen Kane is die structuur doeltreffend omdat hij het contrast tussen de jonge en de oude Kane in de verf zet en dus duidelijk maakt hoe het succes van de held in feite zijn nederlaag werd. De Nixon in Nixon verandert echter niet. Anthony Hopkins zet een typetje neer dat klinkt als Nixon en beweegt als Nixon, maar dat tussen 1958 en 1973 nauwelijks verandert. Daardoor werkt de flashback- structuur alleen maar verwarrend. En in de (zwart-wit)scenes over Nixons jeugd wordt het op geen enkel moment geloofwaardig gemaakt dat dit jongetje en Hopkins’ Nixon dezelfde persoon zijn.
Het belang van die jeugdscenes blijkt duidelijker uit interviews die Stone over de film gaf dan uit de film zelf. Volgens Stone werd Nixon gekweld door survivor’s guilt omdat de dood van zijn beide broers het voor zijn vader mogelijk maakte om Richards universiteitsstudies te betalen. Stone speculeert dat Nixon dat schuldgevoel overplantte op John en Bobby Kennedy, de broers wier dood de weg vrijmaakte voor zijn politieke comeback. Vandaar dat Nixon in de film zegt dat zijn carriere gebouwd werd op vier lijken.
Waarom zou Nixon zich zo verantwoordelijk voelen voor de dood van de gebroeders Kennedy? Dat is Nixons rosebud, zegt Stone in een verwijzing naar het grote geheim van Citizen Kane. In Stones theorie was Nixon als vice-president betrokken bij de organisatie van een CIA-operatie om met hulp van de maffia Fidel Castro te vermoorden. Maar op een niet nader verklaarde manier liep de hele zaak uit de hand, met als resultaat dat niet Castro maar John Kennedy werd vermoord. Wat de dood van Bobby Kennedy betreft, suggereert de film dat FBI-baas Hoover (wiens homoseksualiteit door Stone zwaar wordt aangezet) de aanslag op diens leven organiseerde om Nixons verkiezingszege in 1968 te garanderen. Nixons indirecte betrokkenheid bij de dood van Bobby Kennedy verklaart volgens Stone ook waarom hij Watergate tegen elke prijs in de doofpot wilde houden: een van de Watergate-arrestanten was Howard Hunt, een ex-CIA-man die betrokken was bij de operatie tegen Castro en op de hoogte zou zijn geweest van Nixons rol. Nixon wilde dus vooral beletten dat Hunt uit de school zou klappen.
Met dezelfde hypothese legt Stone de beroemde achteneenhalve minuut durende stilte op Nixons Watergate-bandjes uit. Volgens het Witte Huis had een bediende 'per ongeluk’ een stuk band gewist, maar in de film is het Nixon zelf die een brok conversatie over de CIA-maffia-Castro-Kennedyzaak uitwist.
EENS TE MEER valt Stone dus terug op een samenzweringstheorie, ook al staat ze haaks op die in zijn vorige film (JFK), waarin niet Nixon maar president Johnson betrokken was bij het komplot van de CIA, de maffia, het Pentagon enzovoort dat tot Kennedy’s dood leidde. Zoals in JFK voelt Stone zich geenszins gehinderd door het ontbreken van bewijzen voor zijn theorie. De CIA ondernam inderdaad pogingen om Castro uit de weg te ruimen, maar het plan om daartoe beroep te doen op de maffia werd pas beraamd in september 1960, toen Nixon al zijn tijd en energie nodig had voor de eindspurt in de race naar het Witte Huis. Het idee dat de CIA-actie tegen Castro zich uiteindelijk tegen Kennedy keerde, heeft als enige basis een passage uit een boek van Nixons rechterhand Haldeman waarin deze het vermoeden uit dat Nixon geobsedeerd was door een CIA-actie die Kennedy’s dood veroorzaakte. Maar volgens Haldeman was die passage een hersenspinsel van zijn ghostwriter Di Mona. (Het boek verscheen terwijl Haldeman in de gevangenis zat voor zijn rol in Watergate.)
In een eerdere versie van het Nixon- script kreeg deze samenzweringstheorie meer gewicht. Maar ex-CIA-baas Helms, die volgens Stones eerste script een centrale figuur was in het komplot, dreigde met een rechtszaak. Het gevolg was dat alle scenes met Helms (gespeeld door Sam Waterston) uit de film werden geschrapt en dat de hele samenzweringstheorie minder prominent werd gemaakt. Maar zo verloor de film ook samenhang en originaliteit.
Wat overblijft zijn vooral cliches: Nixon- cliches, Shakespeare-cliches, Stone-cliches en zelfs griezelfilmcliches. Het is nacht, het stortregent en dondert als het Witte Huis voor het eerst in beeld komt; in het onheilspellende licht van bliksemschichten lijkt het wel Dracula’s kasteel. Binnen zit Nixon in het halfduister bij een knetterend vuur, een wilde blik in de ogen. Deze en andere scenes zien er onwerkelijk uit.
In een memorabele scene brengt Nixon een middernachtelijk bezoek aan het Lincoln-monument terwijl anti-oorlogsbetogers zich verzamelen in Washington. Deze bizarre episode heeft werkelijk plaatsgevonden en de dialoog tussen Nixon en de demonstranten is voor een deel gebaseerd op Nixons eigen verslag. Maar dan voegt Stone er zijn eigen dialoog aan toe. Meisje: 'U wilt geen oorlog. Wij willen geen oorlog. De Vietnamezen willen geen oorlog. Waarom gaat de oorlog dan voort?’ Nixon aarzelt, weet niet wat te zeggen. Meisje: 'U kunt de oorlog niet stopzetten, nietwaar? Zelfs al zou u dat willen. Want het gaat niet over u. Het is het systeem. Het systeem laat u de oorlog niet stopzetten.’ Nixon: 'Nee, nee, ik ben niet machteloos. Want… want ik begrijp het systeem. Ik denk dat ik er controle over heb. Misschien niet helemaal, maar het voldoende temmen om iets goed te doen.’ Meisje: 'Het lijkt alsof je over een wild beest praat…’ Nixon: 'Misschien doe ik dat ook.’ Nixon (terwijl hij wordt weggeleid, tegen Haldeman): 'Zij begrijpt het, Bob. Een negentienjarig meisje. Zij begrijpt iets wat ik pas na 25 jaar in de politiek begrijp. De CIA, de maffia, de smeerlappen van Wall Street…’
In deze hoogst ongeloofwaardige dialoog legt Stone zijn eigen standpunten in Nixons mond. In interviews vergelijkt hij Nixon met zijn eigen vader (aan wie de film is opgedragen) en met zichzelf en heel zijn 'rebelse’ generatie. Zoals hij zich na een jarenlange breuk met zijn strenge vader verzoende, zo schenkt hij ook, uit naam van zijn generatie, absolutie aan deze verfoeide president die uiteindelijk ook maar een slachtoffer was van 'het systeem’. Vandaar dat hij zijn film 'genezend’ en 'verzoenend’ noemt.
Stones visie op 'het systeem’ is verraderlijk simpel. In zijn ogen zijn Wall Street, de CIA en de maffia vreemde machten die komplotteren en politici als Nixon manipuleren. Dat ze die komplotten nodig hebben om hun zin te krijgen is troostend, want het impliceert dat de rest van de maatschappij geen deel is van 'het systeem’. Zo wordt de boosdoener identificeerbaar en bruikbaar voor Hollywood.
In werkelijkheid is de tegenstelling die Stone creeert tussen Nixon en 'het systeem’ pure fictie. Nixon dankte zijn succes als politicus juist in grote mate aan zijn talent om de consensus binnen 'het systeem’ aan te voelen en te articuleren. Volgens Stone was het Nixons verdienste dat hij de Amerikaanse interventie in Vietnam uiteindelijk kon beeindigen, ondanks het verzet van 'het systeem’. Maar in feite keerde het systeem zich zelf tegen de oorlog, niet alleen omdat die de inflatie deed oplaaien en het land nodeloos verscheurde, maar ook omdat hij een normalisering van de betrekkingen met China - economisch en geostrategisch veel belangrijker dan Vietnam - blokkeerde.
HEEFT STONE IN Nixon de geschiedenis vervalst? Natuurlijk. Hij geeft zelf toe dat zijn film veel speculatie bevat. Elke geschiedschrijving is volgens hem subjectief; de objectieve waarheid bestaat niet. Maar met zo'n argument kun je natuurlijk alles goedpraten. Stone nam in een interview met Newsweek (terecht) de film All the President’s Men op de korrel omdat die de rol van de Washington Post-journalisten Woodward en Bernstein schromelijk overdreef. Maar op kritiek op zijn eigen film antwoordt hij met: 'Dit is slechts een van de vele mogelijke interpretaties van Nixon… het is een “Nixon”, niet de “Nixon”.’ Is dat niet wat al te gemakkelijk?
Nixon krijgt echter niet zoveel tegenwind omdat Stone de geschiedenis vervalst, maar omdat hij dat doet op een andere manier dan de media en de politici die zich bij Nixons overlijden in 1994 uit de naad werkten om Vietnam en Watergate met de mantel der liefde te bedekken en Nixon tot geniale staatsman uit te roepen. Bob Woodward schrijft in de Washington Post: 'Ongeveer de helft van de film is gebaseerd op de feiten, terwijl de andere helft varieert van gegronde speculatie tot op-het-randje- van-laster.’
In vergelijking met de andere historische drama’s die Hollywood heeft geproduceerd, is dat niet slecht. Volgens Past Imperfect, een onlangs door de Society of American Historians uitgegeven boek dat Hollywoods geschiedschrijving onder de loep neemt, is het waarheidsgehalte van vrijwel elke historische film, van Spartacus via het Vietnam-epos The Green Berets tot Stones eigen JFK, veel lager dan vijftig procent. De conservatieve critici en politici die nu schuimbekken over Nixon zouden de hand in eigen boezem moeten steken. Zoals Hendrick Hertzberg schrijft in The New Yorker: 'Zeg wat je wilt over Oliver Stone, maar hij is een beter historicus dan Newt Gingrich.’ Hij illustreert dat met fragmenten uit een recente speech van de Republikeinse leider (zelf vroeger geschiedenisdocent), zoals dit: 'Sedert Lyndon Johnson “the Great Society” (een pakket van anti-armoedewetten - tr) creeerde, hadden we een dertigjarig experiment in het vernietigen van Amerika. Gedurende dertig jaar hebben we gevangenen bevrijd, drugdealers getolereerd, geweld aanvaard, brutaliteit gedoogd, allemaal in de naam van een sociale bewogenheid die altijd een excuus klaar had.’
Stone vult de feiten aan met zijn fantasie, maar wat Gingrich doet is erger: hij gomt de feiten weg. Zoals het feit dat gedurende twintig van die dertig jaar een Republikein president was, of dat het aantal gevangenen in die periode toenam in plaats van daalde en dat de straffen niet lichter werden maar zwaarder. Dergelijke feiten passen niet in Gingrich’ theorie (die gekker is dan alles wat Stone ooit bedacht), volgens welke Amerika’s crisis en het groeiende geweld produkten zijn van de sociale wetgeving. Het geeft je heimwee naar Nixon, wiens sociaal beleid progressiever was dan dat van Clinton, om van Gingrich nog te zwijgen.
In Stones Nixon is overigens niets aanwijsbaar onjuist, zelfs niet de wildste speculaties. En dat is Nixons eigen fout. Om zijn reputatie te herstellen, nam hij juridische stappen om de documenten van zijn presidentschap verborgen te houden. Van de 44 miljoen pagina’s en 4000 uren audiobanden die van Nixons verblijf in het Witte Huis overblijven, zijn slechts vijf miljoen pagina’s en 63 uren audioband publiek gemaakt. 'De rest’, schrijft Jack Hitt in Harper’s, 'zit gevangen in een web van overlappende gerechtszaken die samen Nixons laatste en meest blijvende werk vormen.’ Wat staat erin dat we niet mogen weten? We kunnen er enkel naar raden. En dat is wat Oliver Stone heeft gedaan.