Het Transnational Institute: tussen mantelpak en bivakmuts

De wereldrevolutie à la Gretta

Al dertig jaar ijvert het in Amsterdam gevestigde Transnational Institute (TNI) voor een andere, meer rechtvaardige wereldorde. In de jaren zeventig trad Gretta Duisenberg hier toe tot de «radical chic» van het activisme. Tegenwoordig is het TNI het epicentrum van academisch verzet tegen de neoliberale globalistische wereldorde.

Direct tegenover het Vincent van Gogh Museum in Amsterdam, in een statig herenhuis aan de Paulus Potterstraat, bevindt zich het hoofdkwartier van het Transnational Institute (TNI). Een stadsnomade heeft zich genesteld in zijn provisorische slaapkamer in het trapportaal bij de ingang van het pand, waar behalve het TNI ook de Filippijnse vakbondsorganisatie CFMW en het Burma Centrum Nederland gevestigd zijn. Binnen, achter een vervlogen dagen oproepend gordijn van Indiase kralen, bevindt zich executive manager van het instituut Annelies Borsboom, gekleed in elegant mantelpak. Borsboom kan bogen op ervaring zowel als activiste (onder meer bij de antikernenergiebeweging van eind jaren zeventig rond Kalkar en Dodewaard) als in het zakenleven. Voordat ze bij het TNI kwam, was ze werkzaam bij een grote bank. Drie jaar geleden was ze een van de aangewezen personen om het eerbiedwaardige doch lichtelijk ingeslapen TNI de Nieuwe Tijd in te trekken. Dat lukte haar met verve. Het Transnational Institute is anno 2003 invloedrijker dan ooit tevoren. Voor het eerst geniet het instituut een forse subsidie van het Rijk (een half miljoen euro), wat als een indicatie mag worden gezien van het belang dat het instituut in de ogen van Den Haag inmiddels heeft.

Met een staf van veertien wetenschappelijk onderzoekers en een direct daaraan gekoppelde denktank van 25 zogeheten fellows — vooruitstrevende intellectuelen die verspreid over de hele wereld operatief zijn, onder wie klinkende namen als Susan George en Saul Landau — geldt het TNI als een internationaal erkende dialoogpartner op uiteenlopende beleidsgebieden als vrede en veiligheid, globalisme, migratievraagstukken, duurzame energiebronnen, innovatieve drugspolitiek, landbouwhervorming, ontwikkelingsvraagstukken en herstructurering van de wereldeconomie. Het instituut beschikt over een groot netwerk, met directe toegang tot internationale (Verenigde Naties, Europese Commissie) én nationale overheden op het hoogste politieke en ambtelijke niveau. De computers van het TNI herbergen een groot reservoir aan contacten bij verzetslegers en boerenorganisaties in de Tweede en Derde Wereld, universiteiten, kerken, pressiegroepen en dergelijke. Het is het resultaat van drie decennia «academisch activisme» ten bate van de komst van «een andere wereld».

Chef communicatie van het TNI, de Portoricaanse politicoloog Antonio Carmona Baez, is net teruggekeerd van het World Social Forum in Porto Alegre in Brazilië. Hij is nog steeds onder de indruk van de redevoering die president Luiz «Lula» da Silva daar hield voor honderdduizend mensen. Lula omschreef de Porto Alegre-conferentie als «de meest significante actie van de hedendaagse mensheid». Carmona Baez: «Dat was ook zo. Nog nooit hebben zoveel mensen uit zoveel landen zo uitputtend ideeën uitgewisseld over de verandering van de huidige wereldorde. Het Britse blad Red Pepper, heel belangrijk in de antiglobalismediscussie, omschreef de conferentie als ‹the closest thing to a people’s United Nations›, en daar leek het inderdaad nog het meest op.» TNI-fellow Susan George hield in het amfitheater van de stad voor tienduizenden mensen een speech over de behoefte aan een echte «nieuwe politiek», los van de wetten van het flitskapitaal, de Nieuwe Wereldorde van Bush I en de war on terrorism van Bush II.

Het zijn inderdaad revolutionaire tijden, beaamt Carmona Baez: «Het begon bij de grote massademonstraties tegen de neoliberale globalisering in Seattle en Genua, en gaat via Porto Alegre door naar de grote anti-oorlogsbetogingen die 15 februari in bijna alle wereldsteden zullen plaatsvinden, in wat zonder twijfel de grootste massabetoging van alle tijden zal opleveren.»

De fixatie van het TNI betreft echter niet het entameren van protest. Het instituut doet liever aan beleidsbeïnvloeding, wat in de regel juist een low profile behoeft. Zo vonden in december 2002 nog besprekingen plaats tussen het TNI en ambtenaren van het Nederlandse ministerie van Financiën, waarbij het TNI wees op de schadelijke implicaties van het General Agreement on Trade in Services (GATS) van de Wereldhandelsorganisatie. Dat verdrag, gericht op de verdere liberalisering van de dienstensector, behelst volgens het TNI een gevaarlijke bedreiging van sectoren als zorg en gezondheid, voor de rijke én de arme landen. Antonio Carmona Baez: «Het zijn risico’s waarover in Nederland op politiek-bestuurlijk niveau nog nooit goed bleek te zijn nagedacht. Het ministerie was echter niet echt bij machte om deze materie te overzien, zodat we nu al onze energie zullen moeten besteden aan de Europese Commissie en het Europarlement.»

Een goed voorbeeld van een TNI-interventie is het werk van staflid Martin Jelsma in Latijns-Amerika. Jelsma, coördinator van het project Drugs & Democracy, dat een alternatief moet bieden voor de war on drugs, schoof in 2000 samen met enkele medewerkers aan bij de onderhandelingen tussen de Colombiaanse regering en de neomarxistische guerrillastrijders van de Farc, met als doel op te komen voor de positie van de verdrukte cocaboeren en met voorstellen om via een ander drugsbeleid het conflict te doen de-escaleren. Zo probeerde het TNI de Colombiaanse autoriteiten ervan te overtuigen dat het — in opdracht van de Verenigde Staten — met landbouwgif besproeien van de cocavelden en de naburige waterbronnen uiterst schadelijk is. Het doel van alle inspanningen is te komen tot een soort van regulering van de drugsproductie, aldus Jelsma, zonder dat dit direct tot legalisering zou moeten leiden. Martin Jelsma: «De cocaproductie kent in Zuid-Amerika een lange traditie onder de boeren. Niet zozeer voor de productie van cocaïne, maar van cocablaadjes, die voor veel producten kunnen worden gebruikt. De enige legale buitenlandse uitvoer die men voor het product heeft — dan heb ik het over cocablaadjes — zijn de partijen die zijn bestemd voor Coca-Cola. Voor dat doel mag er een beperkt aantal cocaplanten worden geteeld. Als TNI pleiten we voor een decriminalisering van de kleine teelt, teneinde de plaatselijke boeren een bestaansminimum te garanderen. Die cocaboeren zitten nu hopeloos in de verdrukking tussen de repressieve drugsbestrijding van de overheid, de paramilitairen van Colombia, die vaak zijn voortgekomen uit de oude cocaïnekartels, en de troepen van de Farc, die de guerrilla betaalt met de verkoop van cocapasta.»

Martin Jelsma ziet de war on drugs als een van de meest belemmerende factoren in de democratisering van Zuid-Amerika, en niet alleen daar: «De war on drugs leidt tot het aanblijven van de oude militaire structuren. Om die impasse te doorbreken, is eigenlijk op alle niveaus verandering nodig. Nu dreigt de strijd tegen drugs in Colombia de contouren te krijgen van een grote oorlog.» Ook Nederland is, door zijn luchtmachtbases op Curaçao en Aruba beschikbaar te stellen aan de Amerikanen, direct bij die oorlog betrokken, zo merkt Jels ma op. Vandaar dat het TNI binnenkort zal proberen de Tweede Kamer te overtuigen van de noodzaak het zogeheten «Plan Colombia» aan een zeer kritische evaluatie te onderwerpen. Jelsma: «Europa is tot nu toe schromelijk tekort geschoten als het gaat om het bieden van tegenwicht aan de war on drugs. Het gemak waarmee het paarse kabinet mensen die werden verdacht van handel in XTC uitleverde aan Amerika en de huidige onzinnig harde aanpak van de bolletjesslikkers tonen aan dat Nederland de belangrijke voortrekkersrol van voorheen aan het verliezen is.»

Sinds de geruchtmakende interventie van bankiersvrouw Gretta Duisenberg in het joods-Palestijnse conflict in Israël zijn de ogen van de pers weer volop gericht op het TNI. Het was immers, zo wisten onder andere De Telegraaf, de Volkskrant en het Reformatorisch Dagblad de afgelopen maanden te melden, in de vertrekken van het TNI dat Gretta Bedier de Prairie-Nieuwenhuizen, zoals ze toentertijd nog heette, diep in de jaren zeventig toetrad tot de gelederen van de «radical chic» (Tom Wolfe), om zich niet alleen met de Palestijnse zaak te solidariseren, maar met de revolutie van alle geknechte volkeren op de gehele planeet.

De Telegraaf ziet in het TNI nog altijd «een schimmig circuit van linkse actievoerders», terwijl het Reformatorisch Dagblad in de editie van 11 november 2002 spreekt van «een schimmige denktank achter een fatsoenlijke façade». Het huisorgaan van de christelijke splinter heeft duidelijk niets op met «de activisten in mantelpak» en vertelt met stelligheid dat het TNI in de jaren zeventig «een uitvalsbasis was voor agenten van Moskou en Havana». Instemmend citeert de krant EO-journalist Emerson Vermaat, die in zijn boek De informatievervuilers uit 1987 stelt dat het TNI «een zekere rol in het Sovjet-Russische propagandawezen» zou hebben gespeeld, onder meer door zich in 1977 te ontfermen over Philip Agee, de legendarische spijtoptant van de CIA, die in zijn boek Inside the Company: CIA Diary (1975) tal van bedrijfsgeheimen van het dirty tricks department in Langley, Virginia onthulde en zo uitgroeide tot Amerika’s staatsvijand nummer 1. Op de vlucht voor de wraakzucht van zijn ontstemde ex-broodheer vestigde Agee zich in Amsterdam, waar hij enkele maanden inwoonde bij het TNI en onder meer kennismaakte met Gretta Bedier de Prairie, die getuige was bij het huwelijk van de voormalige geheim agent, dat in 1978 te Amsterdam werd voltrokken.

De toestand rond Agee vormt slechts één van de vele roerige momenten uit de geschiedenis van het TNI. Het dieptepunt in het bestaan van het instituut is de moordaanslag met autobom op zijn tweede directeur, de Chileen Orlando Letelier, de gewezen rechterhand van de Chileense president Salvador Allende, die op 21 september 1976 in Washington de dood vond, samen met zijn medewerkster Ronni Moffit. De aanslag, waarover Saul Landau en John Dinges het boek Assassination on Embassy Row (1980) schreven, is nog steeds onderwerp van juridisch onderzoek in Chili en de VS. Dat het het werk was van de Chileense geheime dienst Dina, op verzoek van generaal Pinochet — al dan niet met Amerikaanse (gedoog)steun — staat vast, maar nog steeds maken de nabestaanden van Letelier en het TNI verbeten jacht op de individuele daders.

Het TNI werd geboren als Europees filiaal van het Institute for Policy Studies (IPS) in Washington, een progressieve denktank die in 1961 werd opgericht door twee jonge Amerikaanse intellectuelen, Richard Barnet en Marcus Raskin, die teleurgesteld waren geraakt in de houding van president Kennedy ten aanzien van Cuba en de burgerrechtenkwesties. Barnet en Raskin kregen bij de oprichting van hun instituut financiële steun van de linkse multimiljonair Samuel Rubin. Rubin werd in 1901 geboren als straatarme jood in tsaristisch Rusland, vergaarde na zijn emigratie naar de VS een kapitaal met zijn parfumimperium Faberge, dat hij in 1963 verkocht om in New York de Samuel Rubin Foundation op te richten, bedoeld als strijdmiddel tegen wat hij omschreef als «de immoraliteit van de ongelijkheid tussen rijk en arm».

Het was dezelfde Rubin die in 1973 de Pakistaanse balling Eqbal Ahmed naar Amsterdam stuurde om daar met zijn financiële steun het Transnational Institute op te richten. Eqbal Ahmed was bij zijn aankomst op Schiphol in de herfst van 1973 al een man met een reputatie, die met name steunde op een kort daarvoor in Amerika gevoerd proces waarbij hij terecht had gestaan als de vermeende architect van een plan om Henry Kissinger, minister van Buitenlandse Zaken onder president Nixon, te ontvoeren. De Pakistaanse politicoloog werd uiteindelijk vrijgesproken. Het publiciteitsgevoelige showproces maakte Ahmed tot een internationale beroemdheid, zodat hij bij aankomst in Amsterdam dan ook met het nodige wantrouwen werd ontvangen door de douaneautoriteiten.

Ahmed en Rubin zagen Amsterdam als de meest ideale vestigingsplek van hun Trans national Institute. Nederland had zich onder het kabinet-Den Uyl een grote steunpilaar betoond voor de bevrijdingsbewegingen in Zuid-Amerika, Azië en Afrika, waarvoor het instituut een ontmoetingsplek zou moeten worden. Het TNI kreeg bij de start adhesiebetuigingen van onder anderen Jean-Paul Sartre, Noam Chomsky en de Palestijn Edward Said, en groeide onder leiding van de welbespraakte erudiet Eqbal Ahmed snel uit tot een centrum voor «scholar-activists» uit de hele wereld.

Een van hen was politiek econoom Basker Vashee, Europees vertegenwoordiger van de Zapu, de marxistisch geïnspireerde bevrijdingsbeweging van Joshua Nkomo tegen het dictatoriale bewind van Ian Smith in wat toen nog Rhodesië heette. Vashee, geboren uit Indiase ouders die naar Zimbabwe waren geëmigreerd, was als jongeman gevangen gezet en vluchtte later als politiek activist naar Londen, waar hij studeerde aan de London School of Economics. Na zich korte tijd vanuit Zambia bezig te hebben gehouden met de gewapende strijd tegen het regime van Ian Smith kwam hij bij het Institute of Policy Studies in Washington en later het TNI terecht. Vashee was erbij toen Letelier in 1976 werd vermoord. «Letelier was met zijn auto onderweg naar mij bij het IPS toen de bom ontplofte», vertelt Vashee nu, in zijn werkkamer aan de Paulus Potterstraat. «Ik heb de knal kunnen horen. De bom was onder de chauffeursstoel geplaatst. Letelier had geen schijn van kans. Hij werd door de klap doormidden gescheurd.»

Orlando Letelier was onder het presidentschap van Salvador Allende ambassadeur in de VS en minister van achtereenvolgens Buitenlandse Zaken en Defensie. Na de staatsgreep van Pinochet in september 1973 werd hij gevangengezet in een speciaal kamp in Tierra de la Fuego (Vuurland) in Zuid-Chili, dicht bij de Zuidpool, waar hij langdurig werd gemarteld. Na een jaar kwam hij onder zware diplomatieke druk vrij, om uiteindelijk bij het TNI in Amsterdam in dienst te komen. Basker Vashee: «Letelier stond hoog op de dodenlijst van de Chileense geheime dienst, maar niemand had verwacht dat hij in de straten van Washington zou worden opgeblazen.» Vlak voor zijn dood had Letelier via zijn goede contacten met de PvdA kunnen voorkomen dat een reeds geplande investeringshulp van zestig miljoen dollar van Nederland ten bate van de ontwikkeling van de Chileense industrie werd ingetrokken.

Vermoedens over Amerikaanse betrokkenheid bij de moord op Letelier zijn er altijd geweest. De bomaanslag bleek onderdeel van Operatie Condor, een samenwerkingsproject van diverse militaire regimes in Latijns-Amerika ter eliminatie van de linkse oppositie. Letelier zou het eerste slachtoffer zijn geweest in een projectmatige reeks van politieke moordaanslagen, gecoördineerd vanuit Chili, en gesteund door Argentinië, Bolivia, Paraguay, Uruguay en Brazilië, met goedkeuring en logistieke medewerking van de Amerikaanse geheime dienst. De CIA op haar beurt hield vol dat de moord op Letelier zou zijn gepleegd door linkse Chilenen, die zo de band tussen Washington en het Pinochet-regime onder druk hadden willen zetten. Dit hield juridisch echter geen stand. Uiteindelijk werden in Amerika twee Cubaanse ballingen veroordeeld voor de aanslag. Het hoofd van de Chileense geheime dienst Dina en twee officieren — onder wie kolonel Pedro Espinoza — werden eveneens aangeklaagd in Amerika, maar niet uitgeleverd door de Chileense autoriteiten. In 2000 meldde de FBI over bewijzen te beschikken die wezen op directe betrokkenheid van Pinochet bij de moord op Letelier. Clintons minister van Justitie Janet Reno onderzocht daarop de mogelijkheid om Pinochet, toentertijd in Londen gestrand, aan Amerika te laten uitleveren Sinds het aantreden van de regering-Bush geniet dit onderzoek echter geen prioriteit meer. Dina-officier Espinoza is inmiddels in Chili veroordeeld tot zes jaar gevangenis, zij het dat hij die doorbrengt in een luxe detentieoord met zwembad en tennisbaan.

In 1978 werd Basker Vashee directeur van het TNI. Al snel merkte hij hoe goed het instituut lag bij de hogere klassen in Nederland: «Het meest verbazingwekkend was wel de uitnodiging van prinses Irene om eens ten paleize langs te komen om van gedachten te wisselen. Ik ging er naartoe met Bob Borosage, de toenmalige directeur van het Institute for Policy Studies, die als een echte Amerikaan onmiddellijk handen begon te schudden met de lakei die opendeed, onder het uitroepen van een welgemeend: ‹Hey, how are you, man?› Zo’n schrikbarend gebrek aan etiquette bracht die arme man in grote verlegenheid. We gingen er eerlijk gezegd vanuit dat we door de prinses waren uitgenodigd om eens te praten over een of andere vorm van steun voor ons werk, maar dat bleek niet het geval. Integendeel, de prinses vroeg geld aan óns. Het was nog voor haar scheiding van de Spaanse prins Carlos de Bourbon, en ze vroeg of we wellicht een bijdrage overhadden voor de projecten van de Carlistische beweging in Spanje. Toen hebben Bob en ik elkaar wel even raar zitten aankijken: daar zaten we dan als twee radicale linkse intellectuelen met een bedelende prinses.»

Als TNI-directeur leerde Basker Vashee ook de latere mevrouw Duisenberg kennen. Ze werden vrienden en kregen een relatie, vertelt hij. In 1978 was Vashee samen met Gretta getuige bij het huwelijk van Philip Agee. Zij was toentertijd een regelmatig bezoekster van TNI-symposia over uiteenlopende thema’s. Sinds haar huwelijk met de bankier ziet Vashee zijn ex-geliefde niet zo vaak meer. Zoals iedereen volgt hij haar nu via de media. «Ik vind het over het algemeen zeer goed werk dat ze doet», zegt hij. «Alleen heeft ze in mijn ogen een kolossale blunder gemaakt door het Israëlische geweld tegen de Palestijnen erger te noemen dan de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Tweede Wereldoorlog is in al zijn verschrikkingen zo’n uniek moment in de geschiedenis, die moet je er niet bijslepen, daar sla je de discussie alleen maar mee dood. De toestand in Israël is op zichzelf al erg genoeg, daar heb je dit soort historische enormiteiten ook helemaal niet voor nodig.»

Philip Agee runt tegenwoordig met succes een digitaal reisbureau in Cuba. De voormalige CIA’er werft via zijn site cubalinda.com Amerikaanse toeristen voor een bezoek aan het eiland, om de Amerikaanse economische boycot van het Caribische eiland te doorbreken. In 1978 was Agee het middelpunt van een politiek conflict in Nederland: nadat hij nog onder het kabinet-Den Uyl een (tijdelijke) verblijfsvergunning had gekregen, ging het kabinet-Van Agt/Wiegel over tot zijn uitzetting. Op instigatie van het TNI sprongen tal van PvdA’ers — onder wie Jan Pronk, Relus ter Breek en Harry van den Bergh, alsmede Vara-voorzitter ds. A. van den Heuvel — voor de CIA-spijtoptant in de bres, zodat zijn verblijf in Amsterdam kon worden gerekt tot hij door een huwelijk met een in Hamburg woonachtige Amerikaanse ballerina een verblijfstitel kon krijgen in West-Duitsland. Vashee: «De PvdA van toen was een heel andere PvdA dan nu. Zelfs Klaas de Vries was regelmatig bij het TNI te gast, en ook Eveline Herfkens. Hans van Mierlo kwam regelmatig bij ons over de vloer, ook toen hij in 1981 defensieminister werd.»

De jaren tachtig kenmerkten zich door een sterk verminderende aandacht van de politiek voor het werk van het TNI. Vanaf de opkomst van de antiglobaliseringsbeweging eind jaren negentig is het instituut echter weer helemaal terug van weggeweest. Basker Vashee is enkele jaren geleden bij het instituut teruggekeerd en werkt momenteel aan een kritische biografie van Robert Mugabe. Vashee: «We leven nu in een tijd dat al het verzet tegen de neoliberale orde bij elkaar komt, een historisch proces dat in mijn ogen belangrijker is dan de eerste grote verzetsgolf van de jaren zestig, die uiteindelijk veel meer gefragmenteerd was, sektarischer ook. Het TNI heeft tegenwoordig veel meer toegang tot de politiek dan vroeger. Er wordt nu weleens gekscherend gezegd dat Brazilië het eerste TNI-land is, in de zin dat bijna alle belangrijke adviseurs van president Lula bindingen met ons instituut hebben of hebben gehad. In elk geval is Brazilië inderdaad het land waar de hoop van de wereld op is gevestigd. Lula zal het de komende jaren niet makkelijk krijgen. De voorstanders van het neoliberale model zullen hem proberen te isoleren, zijn aanhang van hem te vervreemden. Binnen twee jaar kun je een crisis rond Lula verwachten. Maar ondertussen zal deze nieuwe sociale revolutie steeds verder gaan, van India tot de Filippijnen, van Argentinië tot Zuid-Afrika. In Addis Abeba in Ethiopië heeft de Algerijnse oud-president Ben Bella kort geleden geprobeerd om een Sociaal Forum à la Porto Alegre te organiseren. Daar kwamen maar tweehonderd mensen op af, maar het is een begin. Uiteindelijk zal de echte fundamentele verandering in Europa en Amerika tot stand moeten komen. Maar als U2-zanger Bono iemand als de gewezen minister van Financiën Paul O’neil met betrekking tot de schuldenlast van de Derde Wereld kon transformeren van een spijkerharde incassoambtenaar tot een man met meer humanitaire idee en, bewaar ik nog altijd enige hoop op een verandering van het neoliberale systeem van binnenuit. Het probleem is alleen dat er niet genoeg Bono’s zijn.»