Wat mensen van oorlog vinden doet er niet toe. Oorlogen waren er al voordat de mens op aarde verscheen. ‘De volgende grote oorlog zal pas komen wanneer iedereen die zich de vorige herinnert dood is.’ De moraal is een menselijke uitvinding, systematisch door de geschiedenis, menselijk of niet, ondermijnd. Het voorbijkomen van legers of het voorbij waaien van zand in een woestijn…, de natuur staat er niet zozeer neutraal maar veel meer onverschillig tegenover: ‘We denken dat we slachtoffers zijn van deze tijd. De levensweg is in feite nergens vastgelegd. Hoe zou dat ook kunnen? Wij zijn onze eigen dagreis. En daarom zijn we ook de tijd. We zijn hetzelfde. Vergankelijk. Ondoorgrondelijk. Meedogenloos.’

Wat ik hierboven schets is de literaire wereld van Cormac McCarthy. Het eerste citaat komt uit het pas verschenen Stella Maris, het tweede uit het slot van The Crossing (1994). Of het nu die roman betreft, zijn beroemde Border Trilogy-romans – alternatieve ‘westerns’ gedomineerd door redeloos en grof geweld – of de meesterlijke stadsroman Suttree (1979), in elk boek dolen loners rond. Suttree speelt zich af aan de zelfkant in Knoxville, Tennessee. Suttree is een visser, de helft van een tweeling en een vader die zijn eigen zoon gaat begraven. Omringd weet hij zich door stads- en rioolratten, of beter gezegd: paria’s, gokkers, hoeren, zuiplappen, moordenaars en ander tuig dat zich het best thuis voelt op de dumpplaatsen van de beschaving. En die beschaving wordt in de wereld van McCarthy beschimpt en beschaamd.

Suttree is het McCarthy-prototype: een eenzame overlever die zich opgejaagd voelt en zich systematisch terugtrekt uit de bewoonde wereld.

Na het post-apocalyptische The Road (2006) kwam er jarenlang geen nieuwe roman van McCarthy (1933) uit. Wel schreef hij een paar scenario’s. Dit najaar zijn er dan ineens twéé romans tegelijk. De in oktober verschenen De passagier kreeg direct een zeer kritisch onthaal, hoewel sommige besprekers, die ongetwijfeld zeer hoge verwachtingen koesterden, geen finaal oordeel wensten uit te spreken omdat ze deel twee, Stella Maris, nog niet kenden. Met terugwerkende kracht zou die roman zijn voorganger wel eens een heel andere betekenis kunnen geven. En ja, niet alleen de cursieve delen in De passagier, die de hallucinaties van de geniaal gekke Alicia Western (what’s in her name?) weergeven, krijgen in Stella Maris een uitgebreide ‘toelichting’ in de vorm van zeven min of meer therapeutische gesprekken die de twintigjarige Alicia vanaf eind oktober 1972 met dr. Cohen voert.

Het is dan de derde keer dat ze in ‘gekkenhuis’ Stella Maris in Wisconsin zit. Haar diagnose: schizofrenie. Of dat zo is? Ze heeft zich vrijwillig laten opnemen en had bij haar aankomst geen bagage bij zich, wel een plastic zakje met vierhonderd honderddollarbiljetten. Haar zeven jaar oudere broer Bobby, met wie ze een innige band had die naar incest neigde, ligt nog altijd in coma in Italië omdat hij daar tijdens een Formule 2-race verongelukte. Alicia denkt dat hij erin zal blijven en op sterven na dood is. De anorectische, joodse Alicia heeft al jarenlang een doodswens. In Stella Maris slikt ze geen medicijnen. Dat ze daadwerkelijk, na de zeven gesprekken met Cohen, uit haar leven zal stappen, weet de lezer van De passagier al op de allereerste pagina van die roman. Na het lezen van beide boeken sluit die openingsbladzijde van De passagier opeens aan bij het slot van Stella Maris. Alles is gezegd: het woord is aan de daad. De door het leven, de dood en de wiskunde opgejaagde Alicia wordt in De passagier meteen gevonden door een jager, die haar in bevroren toestand hangend aantreft ‘met haar hoofd omlaag en haar handen iets naar buiten gedraaid, als bij bepaalde christelijke standbeelden wier houding verzoekt om besef van hun achtergrond. Besef van het fundament van de wereld, dat zich uit in de droefenis van haar schepsels.’

In Stella Maris beseft dr. Cohen dat hij te maken heeft met een extreem intelligente jonge vrouw die op haar zestiende als wiskundige afstudeerde aan de Universiteit van Chicago maar niet promoveerde, haar proefschrift in de steek liet en de wiskunde eraan gaf. Hij probeert van haar te leren en af te zien van de bekende therapeutische foefjes en trucjes, die zij al ver van tevoren ziet aankomen (Alicia spéélt met de typische therapeutische gesprekstrucjes). Zij, verliefd, is in 1971 naar Frankrijk haar broer achterna gereisd en keerde terug naar Amerika nadat ze geen gehoor had gegeven aan het ziekenhuisverzoek om haar broer Bobby te verlossen uit zijn coma.

In plaats daarvan maakte ze in de winter van 1972 een einde aan het leven, niet wetend dat haar broer uit zijn coma zou ontwaken, met een metalen plaat in zijn hoofd en een mank been, waarna hij een solitair bestaan als bergingsduiker met dieptevrees zou leiden in New Orleans (zie: De passagier).

De zeven gesprekken die Alicia met Cohen voert, en niet andersom, zijn fascinerend in meerdere opzichten omdat ‘gek’ en ‘geniaal’ door elkaar gaan lopen. Alicia is immers verstandig genoeg om te beseffen dat ze mentale afwijkingen heeft, dat wil zeggen dat ze al vanaf haar twaalfde visuele hallucinaties heeft: ze krijgt regelmatig onaangekondigd bezoek van creaturen die niet bestaan maar die zij wel ziet. Die ‘circusclub’ wordt aangevoerd door Het Kind, alias Het Softenonkind, een kleine en kale kletsmajoor zonder handen maar met wapperende vlerken. Te pas en vooral te onpas kraamt hij zotte en botte zinnen uit.

Het is prettig dat McCarthy/Cohen zich niet verliest in allerlei projecties, jungiaanse of freudiaanse ‘verklaringen’ voor Alicia’s stoornis

Is Alicia echt schizofreen, psychotisch, afwijkend sociopathisch, een extreme einzelgänger die geen behoefte heeft aan menselijk contact (want ze heeft immers haar broer, die bijna even wiskundig begaafd blijkt als zij)? Het is prettig dat McCarthy/Cohen zich niet verliest in allerlei projecties, jungiaanse of freudiaanse ‘verklaringen’ voor Alicia’s stoornis. Haar bezoekers zijn kompanen die de wereld in twijfel willen trekken, ze vormen een compagnie van naderend onheil. En die dreiging en doem hangen boven elke zin en blijven bodemloos: ze zal sterven voor een ander, haar broer… Psychologische testjes heeft ze door, medicijnen slikt ze niet meer. In plaats van simpele diagnoses laat therapeut Cohen – die af en toe persoonlijk wordt op haar aandringen maar ook suïcidebewaking instelt – Alicia steeds opener en vol taalhumor praten over wat haar in haar bestaan heeft bewogen en wat haar fascinatie was: wis- en natuurkunde.

En het is meteen die bèta-verhaaldraad die het moeilijkst te volgen is – niet omdat McCarthy onduidelijk zou formuleren, maar omdat wiskunde op het niveau van Alicia te hoog gegrepen is voor… bijna iedereen. Want welke alfa kan de relativiteitstheorie of de snaartheorie echt doorgronden? Wat te denken van Eulers ‘herformulering van de algebraïsche geometrie’? Als Alicia zegt dat de wiskunde van vóór het universum is, wat bedoelt ze dan? Wat is een gluon? Wat zijn quarks? En welke inzichten over de wereld hebben wiskundigen als Gödel en Grothendieck gebracht?

Grothendieck trok zich later in zijn leven terug en was al snel tot het besef gekomen dat de moderne wiskunde haar moreel kompas was kwijtgeraakt door de uitvinding van de atoombom. En daarmee zijn we bij de verhaaldraad aangekomen, waarnaar de jeugdige wiskundige Alicia in haar gesprekken met Cohen verwijst: ‘Omdat ik wist wat mijn broer niet wist. Dat er onder de oppervlakte van de wereld een onbeheersbare gruwel schuilt en dat die er altijd is geweest.’

Wiskundig wonderkind Alicia sloeg op de nonnenschool klassen over, zwierf nachtenlang buiten rond, woonde op zolder bij haar grootmoeder in het landelijke Tennessee en las een paar boeken per dag en nacht. Ze leeft en denkt en voelt totaal geïsoleerd en heeft alleen een band met de oudere Bobby. Dankzij een grootvaderlijke erfenis kan Alicia een peperdure viool kopen, maar de muziek – onaantastbaar superieur naar zichzelf verwijzend – troost uiteindelijk ook niet. En Bobby gaat dood, denkt ze, en daarom loopt alles dood.

In het vijfde gesprek met Cohen blijkt ze toch in een dwangbuis te zijn gestopt en elektroshocks te hebben gekregen. Is het wonderkind een monster geworden?

Dat de vader van Alicia en Bobby in Los Alamos met de natuurkundige Oppenheimer heeft meegewerkt aan de ontwikkeling van de atoombom is in De passagier en Stella Maris niet alleen onderdeel van het overheersende doemdenken maar ook een stuwende narratieve kracht, verhaalenergie die de paranoia en de destructiedrift aanwakkert. In De passagier, dat zich zo’n tien jaar na Alicia’s zelfmoord afspeelt, voelt bergingsduiker Bobby zich achtervolgd door duistere lieden, ‘spionnen’ die zijn kamer binnendringen, hem klemzetten en opjagen als aangeschoten wild en hem zelfs in een positie brengen die te vergelijken is met die van Josef K in Kafka’s Het proces: ‘gearresteerd’ voor iets onduidelijks maar voorlopig nog niet in hechtenis genomen. Dankzij het geld dat zijn zus in Stella Maris heeft achtergelaten kan Bobby, geteisterd door een doodswens omdat zijn zus er niet meer is, zich uiteindelijk terugtrekken in een windmolen op een eiland in de Middellandse Zee: Formentera. Voorgoed verdwenen uit de Verenigde Staten en verlost van zijn belagers, maar nog niet echt weg.

Alicia citeert Montaigne, Schopenhauer en bisschop Berkeley (A New Theory of Vision), maar ook Finnegans Wake van Joyce: ‘we waren jung en vraten freut.’ Dat doet ze niet om haar belezenheid te etaleren maar om haar eigen positie in de wereld te duiden. Ze beseft dat het ‘ik’ een illusie is en dat ze nooit ontkomt aan haar geestelijke afwijking. Wat te doen met de wereld als haar ‘ik’ de eigen ellende niet eens aankan? ‘Je leven wordt als een hond op je afgelaten.’ Ze is een vrouw en weet van hekserij en hysterie… En verwezen heksen met een kromme neus niet naar de joden?

In een van de cursieve Alicia-fragmenten in De passagier kraamt Het Kind dat Alicia hallucineert aan het voeteneind van haar bed op grootmoeders zolder opeens geen onzin uit. Hij zegt dat het vooral om structuur gaat en dat ze niet moet denken dat hij en zijn kompanen maar wat aan improviseren. ‘Punt een is de verhaallijn zien te vinden. Het hoeft niet waterdicht te zijn. De afleveringen samenvlechten. De anekdotes. Daar kom je wel uit. Denk er alleen om dat er zonder verhaallijn niets afgebakend kan worden. Probeer je te concentreren.’

Het advies van die kale dwerg, die alleen dankzij Alicia’s synesthesie bestaat, is nuttig. De lezer van De passagier en Stella Maris kan met enige inspanning die verhaallijnen – ja, er zijn meerdere lijnen – ontdekken. En dan kan een oplettende lezer misschien antwoord geven op een vraag van Alicia, die de werkelijkheid beschouwt als een collectief vermoeden: ‘Ben ik altijd krankzinnig of alleen als mijn vriendjes er zijn?’