De werkelijkheid een mijnenveld

Van de twintig verhaaltjes waarmee Felicitas Hoppe (1960) twee jaar geleden debuteerde, heeft ‘Kappers in het gras’ de vreemdste titel, althans in het Nederlands. In het Duits heette het ‘Picknick van de kappers’. De kappers die zich elk jaar in mei met grote manden vol witte konijnen en eieren, wijn en gebak bij het meertje in het gras vlijen, hebben kale koppen en haarloze handen. Er is sprake van wij - jongens of meisjes, dat is niet duidelijk - die van hun grootmoeder niet met de vreemde gasten mogen meedoen. Toch gaan ze met de kappers mee, leren in de winter het vak, en ‘in mei marcheren we de stad binnen, met de rugzakken vol konijnen en kippen en alles wat we onderweg te pakken krijgen’.

Het is een verhaal van vier pagina’s. Ik zou er evenveel voor nodig hebben om het na te vertellen; het gaat om de zinnen. Een eerste zin lijkt de spelregels te bevatten. ‘De kop te zwaar, de handen te groot, de benen te kort, zei mijn vader, hij zette me in een kooi en wuifde me vriendelijk door de tralies toe, terwijl ik toekeek hoe hij aan de keukentafel luciferdoosjes in elkaar zette omdat hij een been te weinig had en zijn linkerarm naast zijn lijf als een dode tak in de wind heen en weer bengelde.’ Zo begint 'Kop en kraag’. Elk verhaal, zo lijkt het, is een schakel van een onzichtbare keten. De ketting komt hier zelfs letterlijk voor: 'Hier zien jullie mij, en daar mijn vader. Hij leidt me door de wereld aan de ketting van zijn eenbenige avonturen.’ Iets abstracts wordt letterlijk genomen, dat is een vast kenmerk. Het verband tussen de verhalen zit ’m misschien in terugkerende elementen: vaders en moeders die elkaar naar het leven staan, losse hoofden en verdwaalde ledematen, wezens die uit den vreemde komen en opschudding verwekken.
Zoals al uit de citaten blijkt, dienen details hier niet ter verklaring, eerder voegen ze aan het vreemde nog iets vreemds toe. In een hotel komen een kleine man en een nog kleinere vrouw binnen, ze doen iets waarop anderen reageren, buiten sneeuwt het, en zonder nadere toelichting blijkt in het begin van de slotalinea de toestand geheel veranderd: 'Toen begonnen de kleine man en de nog kleinere vrouw te zingen, we lagen voor Madagaskar en hadden de pest aan boord…’ Evengoed had er iets anders kunnen staan.
Als dit fantastische verhalen zijn, dan toch van een speciaal soort. Het gaat niet om een totaal andere wereld met andere regels, ook niet om een breuk in het gewone leven waardoor iemand ontdekt dat die in werkelijkheid heel gevaarlijk of chaotisch is; in beide gevallen bestaat het ongewone bij de gratie van de gewone realiteit. Bij Hoppe staat er niets vast, hoe herkenbaar de ingrediënten ook zijn. In deze verhalen is de werkelijkheid één mijnenveld en is het bekende in elke zin explosie. Vreemd genoeg geeft dat juist de verhalen iets vrijblijvends, het kan altijd nog gekker. Op de korte afstand is dat kolderiek, geestig en ook wel beeldend, maar de ene situatie maakt de andere ongedaan. Titels en afzonderlijke zinnen lijken een houvast te bieden, maar op den duur heb je alleen handvatten te pakken.