De werkelijkheid in

In mijn straat, pal aan de overkant, zijn twee meisjes bezig iets op te knappen en het is een caravan. Aan de meisjes te zien is dit een nog hipper ding op wielen dan een canta. Ik zie een van hen op de rug, ze zit op haar hurken, haar haren zijn in een knot opgebonden. Met een klein stuk papier is ze de onderkant van de caravan aan het schuren. Ik kan mijn ogen niet van haar afhouden, het is de concentratie waarmee ze bezig is aan een karwei dat ik niet kan overzien maar dat me hopeloos voorkomt.

Hopeloos en zoet.

Door mijn open raam kan ik het zachte geschuur horen, warm weer is de beste geleider voor weemoed. Wanneer heb ik voor het laatst iets geschuurd, ongeduldig, want ik wilde verven, bám, die kleur erop, kijken hoe mooi het werd, liefst hoogglans. Sowieso lijd ik aan de resultaatziekte, ik kan me niet heugen zómaar iets gedaan te hebben, zonder de snelste, de beste, de leukste te willen worden. Ik slaap of ik ren, daartussen gebeurt er niks.

In de krant staat een verhaal over een man die conciërge is op een Amsterdamse school, en eerder een leven leidde als boeddhistische monnik in een Frans klooster. Logischer lijkt me andersom, maar wie wil een logisch leven leiden?

Ik zie mijn gezicht weerspiegeld in mijn beeldscherm, ik hoor niets anders dan het schuren van buiten, de stemmen van de meisjes, ze wikken en ze wegen, ze weten waarmee ze bezig zijn, in gedachten zijn ze al elders, de caravan zoeft eigenstandig naar het onbekende. Het schijnt dat je in Nieuw-Zeeland altijd weer opnieuw kunt beginnen, niemand kijkt op van een bakker die kano’s gaat bouwen, een vroegere collega kwam met dit nieuws terug van een reis.

‘I know that writing is my vocation’, schrijft Natalia Ginzburg in The Little Virtues. Waarmee ze, vervolgt ze, niks wil zeggen over de kwaliteit van wat ze schrijft. Dit is simpelweg wat ze doet, waarbij ze zich op haar gemak voelt, al sinds haar tiende: schrijven.

Wie wil een logisch leven leiden?

Gemak is een krap bemeten cel, ook.

De raampjes van de nu nog vaalwitte caravan worden afgeplakt. Straks gaan ze ’m overspuiten, zoals je dat met een auto doet. Van de week werd ik ingehaald door een canta waarop bloemen waren geschilderd, uitbundig, roze.

Is ’t echt alweer vorige zomer dat ik dacht te moeten gaan tekenen? Ik kocht een schetsboek, niet te groot, niet te klein, het engste van alles was eigenlijk nog dat mijn omgeving het een goed idee leek te vinden. Ja, ga jij maar tekenen, dat werd tegen me gezegd. Alsof ik net zo goed een fototoestel had kunnen oppakken. Alsof het om een hobby ging.

Bijna iedereen kan het leren, schreef Siegfried Woldhek in de krant, in een cursus tekenen op vakantie. Hij tipte: zoek naar materiaal dat je ligt en geniet daarvan. Hij stelde een lijstje op voor beginners, met pastelkrijt, grafietstift, aquarelpenseel. Alleen de woorden al zetten de ramen open.

Ik loop naar boven, naar mijn werkkamer, ergens tussen de boeken en de papieren moet het liggen. Het cellofaan zit er nog omheen, de prijsjes zitten er nog op. Onder in het plastic tasje van de Franse kantoorboekhandel bevindt zich zelfs de gloednieuwe puntenslijper waarzonder ik dacht niet te hoeven beginnen. Geniet van je materiaal.

Mijn schetsboek heeft nog steeds hetzelfde perfecte formaat. De uitgescheurde lessen van Woldhek, in zeven achtereenvolgende weken, heb ik er opgevouwen in bewaard. ‘Durf te doen’ luidt de eerste les. ‘Losmaakoefening (vaak doen!): teken een portret van iemand of jezelf zonder op papier te kijken en zonder het potlood van papier te halen. VOEL de lijn: aai, steek, kerf, glijd – dit gaat niet om gelijkenis, maar om een lekkere lijn.’

De meisjes lachen daarbuiten, ik hoor een auto starten. Ik dacht dat tekenen iets zou oplossen. ‘Het is geweldig om nieuwe energie op te doen in de werkelijkheid’, schreef Vincent van Gogh. Maar die werkelijkheid wordt er niet kleiner op. Waar te beginnen? Met een caravan die om een hoek verdwijnt, ik die er achteraan ren.