De werker en het zondagskind

H.L. WESSELING
ZOON EN VADER – VADER EN ZOON
Bert Bakker, 304 blz., € 19,95

Wie ooit net als schrijver dezes in slaap is gesukkeld boven Familiearchief, het boek dat de bekende historicus E.H. Kossmann in 1999 publiceerde over de geschiedenis van zijn familie, zal wellicht geneigd zijn het nieuwste boek van zijn Leidse collega Wesseling te laten liggen. In Zoon en vader – vader en zoon combineert Wesseling immers zijn memoires met een biografie van zijn vader, de katholieke journalist, zakenman en politicus C.D. Wesseling. Herinneringen van hoogleraren die geen oorlogen of revoluties meemaken zijn vaak onbedaarlijk saai, en een totaal vergeten publicist uit de jaren 1900-1940 spreekt evenmin tot de verbeelding. En toch heeft de niet-lezer in dit geval ongelijk.
Om te beginnen is het verhaal over de vader zeker interessant te noemen. Carolus Dominicus Wesseling (1875-1947) was de zoon van een katholieke schilder en glaszetter en ging naar de ‘kweekschool’. Op 28-jarige leeftijd richtte hij het blad De Katholieke Onderwijzer op. Ook was hij een van de oprichters van de propagandavereniging De Katholieke Garde.
Wesseling senior schreef graag en gemakkelijk en verruilde het onderwijs al spoedig voor een bestaan als journalist. Vanaf 1905 was hij bijna twintig jaar lang parlementair verslaggever van het katholieke dagblad De Tijd, en van 1914 tot aan de oorlog schreef hij ook voor het levensbeschouwelijk ‘neutrale’ weekblad De Haagsche Post een parlementaire rubriek. Daarnaast leverde hij bijdragen aan vele katholieke bladen, schreef hij tal van brochures en was hij ook op zakelijk terrein actief.
Zijn grootste ambitie betrof evenwel de politiek, maar verder dan een lidmaatschap van de Haagse gemeenteraad en de Provinciale Staten van Zuid-Holland zou hij niet komen. In de tijd van het districtenstel (dus vóór 1917) dolf hij als kandidaat voor de Tweede Kamer tweemaal het onderspit. Dat hij daarna door de katholieke partij niet op de kieslijst werd gezet, had alles te maken met zijn eigengereide karakter, zijn niet erg voorbeeldige levenswandel en zijn afwijkende standpunten.
Als woordvoerder van de katholieke onderwijzers was hij al herhaaldelijk in aanvaring gekomen met het roomse establishment, en qua politieke en sociale denkbeelden voelde hij zich eigenlijk het best thuis bij de sociaal-democratie. Omdat het katholieke geloof voor hem te belangrijk was, en toetreding tot de SDAP onvermijdelijk excommunicatie betekende, zou hij deze stap nooit zetten.
Nadat zijn eerste huwelijk was geëindigd in een ‘scheiding van tafel en bed’ was het duidelijk dat Wesseling binnen de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP) nooit meer carrière zou maken. Eind jaren twintig sloot hij zich aan bij de Rooms-Katholieke Volkspartij, een van de acht splinterpartijtjes van katholieke dissidenten. Nadat deze in 1933 met een van de andere partijtjes was gefuseerd tot de Katholiek Democratische Partij (KDP) zou Wesseling een vooraanstaande rol spelen in die nieuwe partij. Als hoofdredacteur van het partijorgaan keerde hij zich fel tegen het opkomende fascisme en nationaal-socialisme en tegen katholieke dictators als de Oostenrijker Dolfuss en de Spanjaard Franco. Hij steunde de sociaal-economische politiek van de SDAP en als pacifist werkte hij nauw samen met de vrijzinnig-democratische politicus Van Embden en de jonge dominee Buskes. In 1939 viel echter het doek voor de KDP, die zich weer aansloot bij de RKSP. Tijdens de oorlog hield Wesseling het hoofd boven water als bezoldigd medewerker van een vereniging van huiseigenaren, waarbij hij in de samenwerking met de Duitse bezetter verder ging dan men op grond van zijn voorheen zo felle antifascisme had mogen verwachten. Dit had tot gevolg dat hij na de oorlog helemaal berooid was en na een langdurig ziekbed arm en verbitterd stierf.
Zijn uit het tweede huwelijk geboren zoon Henk was toen tien jaar. Deze heeft weinig herinneringen aan zijn oude vader, die aanvankelijk heel druk en daarna vooral ziek was. De historicus Wesseling maakt echter een allesbehalve getraumatiseerde of verbitterde indruk. Hij lijkt trouwens in alle opzichten het tegenbeeld van zijn vader. Waar deze een ambitieuze, keiharde werker was, met een even onverzettelijk als ongemakkelijk karakter, is Wesseling junior een zondagskind, wie alles komt aanwaaien, die het leven vrij licht en zorgeloos lijkt op te vatten en zich nooit verbitterd toont. Zo schrijft hij opvallend mild over zijn vroegere vriend Boudewijn Büch, die hem in de jaren zeventig vrij schaamteloos heeft uitgevreten, en etaleert hij een weldadige zelfspot wanneer een recensent een artikel van hem karakteriseert als ‘a philosophical masterpiece’: ‘Het zijn woorden die ik af en toe met een zeker genoegen zachtjes uitspreek: “a philosophical masterpiece”! Waar haal ik het vandaan?’
Ongetwijfeld hebben we hier te maken met een forse dosis zelfstilering, maar Wesseling doet dit met een onthechtheid en een ironie waartoe zijn vader zeker niet in staat zou zijn geweest. Bovendien wordt duidelijk dat hij wel degelijk keihard gewerkt heeft. Als historicus was hij productiever dan veel van zijn collegae, als bestuurder gaf hij leiding aan een belangrijk academisch instituut, de Maatschappij voor Letterkunde en het NIAS, en daarnaast was hij jarenlang columnist. Ook in dit boek schrijft hij echter weer zo glashelder en aanstekelijk dat sommigen hem voor oppervlakkig zullen verslijten. Maar ach, dat soort mensen is toch niet te redden.