Charles Murray, Het menselijk genie

De westerse cultuur

De westerse waarden moeten worden verdedigd, we moeten onze «leidcultuur» definiëren en opleggen, en de Verlichting is onze maatstaf. Grote woorden, die snel worden uitgesproken om de verwarring te bezweren. Maar waar hebben we het over? Van deze acht boeken over de geschiedenis van de westerse cultuur kan een mens veel leren, maar een formule leveren ze niet op.

Charles Murray

Het menselijk genie: Streven naar het ultieme in kunst en wetenschap door de eeuwen heen

Spectrum/Standaard, 755 blz., € 49,50

Disraeli wist het al: «Je hebt leugens, smerige leugens, en statistieken.» In de laatste categorie van leugenachtigheden vormen de tabellen en diagrammen van Charles Murray «a class of their own». Murray was de coauteur van de omstreden bestseller The Bell Curve, waarin onder meer «wetenschappelijk» werd aangetoond dat zwarten dommer zijn dan blanken. In dit nieuwste boek haalt deze medewerker van het conservatieve American Enterprise Institute echt alles uit de pseudo-wetenschappelijke trukendoos om te bewijzen dat de westerse samenleving verreweg superieur is aan welke andere samenleving dan ook. Op zich is dit een volkomen legitieme overtuiging, maar zijn redeneringen en ingenieuze constructies om dit kwantitatief te bewijzen doen nogal potsierlijk aan. Op het gebied van de natuurwetenschap is het aantonen van vooruitgang niet zo moeilijk en kan men ook voor de 21ste eeuw vrij optimistisch zijn, al kan men zich wel zorgen maken over de gevolgen van die wetenschappelijke vindingen. Waar het de vooruitgang in de kunst betreft moet Murray zich werkelijk in de meest merkwaardige bochten wringen. De hedendaagse Hollywood-films, popmuziek en bestsellers mogen dan wellicht net niet op het niveau staan van de artistieke productie uit de Renais sance of uit de Barok, ze zijn volgens hem in ieder geval veel vitaler en aantrekkelijker – en vooral commerciëler! – dan wat er aan «serieuze» kunst wordt gefabriceerd. Wie weet komt het allemaal goed als de Bush-dynastie maar lang genoeg de scepter over de wereld blijft zwaaien.

A.V.N. van Woerden

Vrouwelijk en mannelijk bij Erasmus: Een onderzoek inzake genus

Erasmus Publishing, 163 blz., € 27,50

Bij de verkiezing van «de grootste Nederlander aller tijden» behaalde Erasmus een beschamende vijfde plaats en in het boek van Murray komt hij zelfs helemaal niet voor. Terwijl hij wellicht toch een van de gaafste exponenten van de westerse beschaving is, met zijn gevoel voor nuances en relativering, zijn wetenschappelijke acribie én ironische benadering van pretentieuze flauwekul, zijn besef dat geloof en rede elkaar niet per definitie in de weg zitten, zijn verdraagzaamheid en zijn overtuiging dat opvoeding en studie ertoe dienen om het beste uit mensen te halen.

Maar het aardigste aan Erasmus is misschien wel dat hij met al zijn gaven ook heel menselijk en dus feilbaar was. Er zijn veel pogingen gedaan hem af te schilderen als een karakterloze opportunist, terwijl hij dikwijls ook ten tonele wordt gevoerd als een genie dat op een bepaald terrein baanbrekend was. Zo is hij vaak geprezen als een groot voorvechter van gelijke rechten voor vrouwen, terwijl er ook radicale feministen zijn geweest die de staf over hem braken. In dit fraaie, originele proefschrift, waarop hij op 77-jarige leeftijd promoveerde, laat Van Woerden zien dat beide visies verdampen zodra ze worden geconfronteerd met zorgvuldige bestudering van Erasmus’ geschriften. Dat zijn pleidooi om vrouwen te laten lezen grote gevolgen heeft ge had, wil nog niet zeggen dat hij die ge volgen voorzien, laat staan gewenst heeft. Tegelijkertijd is het on zinnig hem te verwijten dat zijn op vattingen over vrouwen niet spoorden met die van Anja Meulenbelt.

Eveneens onlangs verschenen: De correspondentie van Desiderius Erasmus, deel 2 (Donker, € 39,50).

Diarmaid MacCulloch

Reformation: Europe’s House Divided 1490-1700

Penguin, 832 blz., £ 9.99

Een van de verwijten die Erasmus vaak zijn gemaakt, is dat hij door zijn humanisme wel heeft bijgedragen aan het ontstaan van de Reformatie, maar dat hij toen het erop aankwam de kant van de gevestigde kerk koos en zich tegen Luther keerde. Hoewel opportunisme hem niet vreemd was, stuitte vooral Luthers dogmatische wijze van theologiseren en geloof in de volstrekte verdoemdheid van de mens hem tegen de borst. Met Luther viel niet te praten, was geen compromis mogelijk, en zijn fundamentalistische benadering van de bijbel zou telkens weer opnieuw verdeeldheid zaaien.

Wat de andere, dieperliggende oorzaken waren van het feit dat Europa in derdaad verscheurd raakte, en hoe die broederstrijd met zwaard en pen werd gevoerd, beschrijft MacCulloch op weergaloze wijze in dit weidse panorama. Het boek is veel breder van opzet dan de meeste andere geschiedenissen van de Reformatie, en besteedt niet alleen aandacht aan de winnaars maar ook aan de verliezers en de talloze sekten die overal in Europa de kop opstaken.

Michiel Wielema

The March of the Libertines: Spinozists and the Dutch Reformed Church (1660-1750)

Verloren, 221 blz., € 22,-

Nadat de «ketters» hadden gebroken met de katholieke kerk, en in de Nederlanden het calvinisme had gezegevierd, wilde dat niet zeggen dat de religieuze rust was weergekeerd. Ook het calvi nisme werd geconfronteerd met tal van ketterijen. Hoewel de steile calvinisten in 1619 het pleit wonnen, en de lidmaten onderwierpen aan een strenge geloofsdiscipline, bleven binnen de Gere formeerde Kerk allerlei «libertijnen» het recht opeisen met alternatieve bijbel interpretaties te komen. Theologen als Jacobus Verschoor, Frederik van Leenhof, Willem Deurhoff en Pontiaan van Hattem werden beïnvloed door de filosofie van René Descartes en vooral door de vernietigende bijbelkritiek van Spinoza.

Op grond van de studie van het Hebreeuws en Grieks bekritiseerden zij niet alleen de Statenvertaling, ook hadden zij fundamentele bezwaren tegen de zogenaamde «Formulieren van Enigheid», waarvan de Heidelbergse Catechismus de bekendste is. Deze teksten dienden vooral om alle plooien en kreuken, alle dubbelzinnigheden, contra dicties en multi-interpretabele passages uit de bijbel te strijken, en het geloof te presenteren als een reeks hapklare brokken en onwankelbare dogma’s. Vanzelfsprekend werden de libertijnen door de kerkelijke autoriteiten fel bestreden. Hun denkbeelden speelden echter een belangrijke rol in de vroege Verlichting in Nederland.

Philipp Blom

Encyclopédie: The Triumph of Reason in an Unreasonable Age

Fourth Estate, 372 blz., £ 20.00

Doordat de leenhoffisten, deurhoffisten en hattemisten opereerden binnen de grenzen van het protestantisme, en geloof en rede met elkaar trachtten te verzoenen, zijn ze in de vergetelheid geraakt. Daarna brak immers een tijdperk aan waarin het hoogaltaar van de rede werd opgetrokken en geloof werd gezien als iets onredelijks, iets achterlijks. Waarom zou de mens zich immers nog langer onderwerpen aan een door hemzelf bedachte fictie?

Hoewel lang niet alle Verlichters geloof en rede op deze wijze van elkaar wensten te scheiden, is dit nog altijd het triomfalistische beeld dat veel mensen van de Verlichting hebben en waarmee we in het huidige publieke «debat» worden doodgegooid.

Uit de ondertitel blijkt dat dit boek van Philipp Blom in deze traditie past. Het is een vlot leesbaar verhaal over de immense «intellectuele onderneming» die de publicatie van de 27-delige Encyclopédie van Diderot en D’Alembert zonder meer was. Maar tegelijkertijd is het niet meer dan het voor de zoveelste maal herkauwen van het standaard verhaal over de Verlichting, zij het dat Voltaire hier wordt afgedaan als een tweederangs figuur, en gaat het volledig voorbij aan het onderzoek dat de laatste decennia naar dat uiterst gecompliceerde en ambivalente begrip is verricht. Voor wie wat meer wil weten over het Franse intellectuele klimaat in de tweede helft van de achttiende eeuw is dit een aardige inleiding, maar wie een beeld wil krijgen van de Verlichting als brede culturele beweging zal een ander boek moeten aanschaffen.

Getrude Himmelfarb

The Roads to Modernity: The British, French and American Enlightenments

Knopf, 284 blz., $ 25.00

Het aardige van dit elegante boekje van Himmelfarb is dat het in kort bestek laat zien dat de Verlichting niet identiek was aan de intellectuele ontwikkelingen in Frankrijk. Wanneer huidige Verlichtingsadepten moeten aangeven wat nu precies de waarden zijn die zij onderschrijven, noemen ze meestal allereerst de rede, gevolgd door zaken als mensenrechten, vrijheid, gelijkheid, tolerantie, wetenschap en vooruitgang. Opvallend afwezig in deze trits is het begrip «deugd». Kenmerkend voor juist de Britse Verlichting, die van grote invloed was op het intellectuele ontwaken van Amerika, was dat de deugd vooropstond. Niet alleen de individuele deugdzaamheid, maar ook maatschappelijke deugden als mededogen, weldadigheid en betrokkenheid. De rede werd niet ontkend, maar was slechts een middel, geen doel op zich.

Door deze benadering kan Himmelfarb, die getrouwd is met de bekende neoconservatief Irving Kristol, ook Edmund Burke behandelen als Verlichtingsdenker. Dat de Fransen zo veel tamtam van de rede maakten, kwam volgens haar doordat de Reformatie in Frankrijk was mislukt, en de Verlichting daar gewoon een verlate aanval op de hegemonie van de katholieke kerk was.

Om de verschillen tussen de Ver lichting in de drie landen te karakteriseren, betitelt Himmelfarb de Franse Verlichting als «de ideologie van de rede», de Britse als «de sociologie van de deugd» en de Amerikaanse als «de politiek van de vrijheid». Het zal niet ver bazen dat zij de laatste variant van de Verlichting superieur acht aan de andere, helemaal nu het Amerikaanse conservatisme de enigszins verwaarloosde erfenis van het Britse deugdzaamheidsdenken in ere heeft hersteld en het politieke conservatisme weer compassionate is geworden.

Sankar Muthu

Enlightenment against Empire

Princeton University Press, 347 blz.,

£ 38.50

Het manco aan de boeken van Himmelfarb en vooral Blom is dat het primair interpretaties zijn van het bekende verhaal, voor het overgrote deel gebaseerd op secundaire literatuur. De gemiddelde lezer steekt er zeker wat van op, maar aan de kennis van de Verlichting voegen ze eigenlijk niets toe. Evenals het boek van Wielema doet deze studie van Muthu dat wel.

Critici van de Verlichting wijzen steevast op haar universalistische pretenties. Omdat de rede nu eenmaal overal hetzelfde werkt, zou de beschaving zich overal in de zelfde richting ontwikkelen. Dit zou weer een legitimatie hebben gevormd voor het imperialisme.

Nu stonden in de negentiende eeuw nagenoeg alle politieke en sociale filosofen onverschillig of positief tegenover het imperialisme, maar Muthu toont aan dat dit in de tweede helft van de achttiende eeuw niet zo was. Met name in het denken van Diderot, Kant en Herder is veel meer ruimte voor culturele diversiteit en vindt men tal van argumenten tegen het imperialisme. Bij hen betekent het geloof in universele morele principes niet dat er slechts één manier van leven is. Deze originele studie laat opnieuw zien dat de Verlichting een zo complex en gecompliceerd fenomeen is dat de term bijna onbruikbaar wordt.

Ian Buruma en Avishai Margalit

Occidentalisme: Het Westen in de ogen van zijn vijanden

Atlas, 160 blz., € 17,50

Wat de westerse cultuur is en wat er waardevol aan is, wordt vermoedelijk nergens duidelijker dan in geschriften van haar tegenstanders. De poging van Murray om de voortreffelijkheid ervan te bewijzen komt nogal ridicuul over, zodat je geneigd bent die hele westerse superioriteit met een flinke schep zout te nemen. Lezing van dit prachtige boekje van Ian Buruma en Avishai Margalit doet je echter beseffen hoe uniek en kwetsbaar onze samenleving is en waarom sommigen er zo vijandig tegenover staan.

De extatische verheerlijking van de zuivere agrarische samenleving tegen over de verdorven en zedeloze stad, het heldendom tegenover het calculeren van de handelaar, de reine geest tegen over het smoezelige materialisme, de organische gemeenschap tegenover het zielloze individualisme – dit alles is niet het monopolie van rabiate islamisten, maar wordt ook gedeeld door Japanse intellectuelen die terugverlangen naar de gouden jaren vóór Hiroshima en door tal van anderen in niet-westerse landen.

Hierbij putten ze overigens rijkelijk uit de cultuurkritiek die in het Westen zelf is geformuleerd, waardoor auteurs als Nietzsche, Heidegger en de gebroeders Jünger in deze kringen bijzonder populair zijn. Het gevaar schuilt hem vooral in de syntheses die antiwesterse intellectuelen trachten te construeren op basis van allerlei westerse denk beelden en hun eigen tradities. Zo combineerde Pol Pot het marxisme met het Khmer-nationalisme en laten allerlei radicale islamitische denkers zich inspireren door de Duitse Romantiek. Sinds 11 september 2001 weten we hoe explosief dergelijke cocktails kunnen zijn.