Essay: Het bange handelen van Frankrijk

De wet, de hoofddoek en de angst

In De Groene van 8 maart 2003 schreef Margreet Fogteloo het essay ‹De schaamte ontsluierd: Weg met de lappen die vrouwen degraderen›. Sindsdien heeft de Franse regering de daad bij het woord gevoegd. Mathematicus Alain Badiou, van huis uit radicaal links, analyseert op drieste wijze dit bange handelen van Frankrijk.

  1. Op een dag argumenteerde een stel beminnelijke republikeinen dat er maar eens een wet moest komen om het dragen van hoofddoeken over meisjeshaar te verbieden. Eerst op school en dan op andere plaatsen, indien mogelijk overal. Wat zeg ik, een wet? Een Wet! De president van de Republiek was een politicus met een beperkte geest die niet tot zinken kon worden gebracht. Op totalitaire wijze verkozen door 82 procent van de kiezers, onder wie alle socialisten, een groep waaruit ook veel van die republikeinse dames en heren in kwestie werden geronseld, betuigde hij zijn volledige instemming: een wet, jawel, een Wet tegen een stuk of duizend meisjes die hun haar onder zo’n hoofddoek verborgen houden. Zijn ze misschien kaal, hebben zij schurft? Moslimmeisjes dan nog wel! Zo sloeg Frankrijk iedereen weer eens met stomheid: na de capitulatie van Sedan, na Pétain, na de Algerijnse oorlog, na de schurkenstreken van Mitterrand en na de misdadige wetten tegen arbeiders zonder papieren. Een farce na zoveel tragedies.

  2. Frankrijk vond eindelijk een probleem op maat: de doek om het hoofd van een paar meisjes. De decadentie van ons land werd een halt toegeroepen, zeg dat wel. De moslim invasie, een oude diagnose van Le Pen die tegenwoordig wordt bevestigd door onvervalste intellectuelen, heeft een gesprekspartner gevonden. De Slag van Poitiers was maar klein bier en Karel Martel speelde alleen maar een bijrolletje. De Slag van de Hoofddoek zal worden gewonnen door Chirac, de socialisten, de feministen en de islamofobe intellectuelen van de Verlichting. Van Poitiers naar de hoofddoek is een logische stap, een hele stap vooruit.

  3. Een kwestie van zulk formaat heeft wel een nieuw soort argumenten nodig. Bijvoorbeeld: de hoofddoek moet weg omdat hij het symbool is van de macht van de man (vader, grote broer) over vrouwen en meisjes. Allen die hem per se willen blijven dragen, moeten worden uitgesloten. De meisjes of vrouwen worden tenslotte onderdrukt. Dus moeten we ze straffen. Een beetje alsof je zou zeggen: «Deze vrouw is verkracht, sluit haar op!» De hoofddoek is blijkbaar zo belangrijk dat hij een logica met nieuwe axioma’s verdient.

  4. Nee nee: ze willen die verdomde hoofddoek zélf in alle vrijheid dragen, die stoute meiden. Dus moeten we ze straffen. Wacht eens even: hij is níet het symbool van de onderdrukking door de man? Vader en grote broer zitten er voor niks tussen? Waarom moet de hoofddoek dan verboden worden? Omdat hij ostentatief religieus is. Die meiden lopen met hun geloof te koop. In de hoek, vooruit!

  5. Ligt het aan vader en grote broer, dan moet de hoofddoek op feministische wijze worden afgerukt. Ligt het aan het geloof van het meisje zelf, dan maar in naam van de deconfessionalisering. De goede hoofddoek, hij bestaat niet. Blootshoofds, overal! Dat iedereen dan maar «en cheveux» de deur uit stapt, zoals men vroeger zei (ook onder niet-moslims).

  6. Let wel: vader en grote broer van het meisje zijn niet zo maar trawanten met hetzelfde bloed in hun aderen. Het wordt vaak geïnsinueerd en soms ook openlijk verkondigd: vader is een stompzinnige arbeider «uit een boerengat», vastgeketend aan de lopende band bij Renault. Een archaïsch personage. Maar wel dom. Grote broer dealt shit. Een modern personage. Maar wel verdorven. Ongure voorstad. Gevaarlijke klassen.

  7. Het moslimgeloof heeft een ernstige tekortkoming, meer dan andere religies: het is in ons land het geloof van de armen.

  8. Stel je voor, de rector van een middelbare school gevolgd door een legertje inspecteurs met meetlinten, scharen en wetboeken: om aan de poort te controleren of hoofd doeken, keppels en andere hoofddeksels niet te «ostentatief» zijn. Een hoofddoek als een postzegel zo groot, hoog op een haarknot? Een keppel met de diameter van een stuk van twee euro? Hoogst verdacht. Het minuscule is misschien wel het vertoon van het allergrootste. Maar wat zie ik? Aha! Een hoge hoed! He laas, toen Mallarmé werd gevraagd naar zijn opinie over hoge hoeden zei hij al: «Wie zo’n ding opzet krijgt ’m er nooit meer af. De wereld kan vergaan, de hoed die blijft.» Uiterlijk vertoon der eeuwigheid.

  9. De «laïcité» (scheiding tussen kerk en staat). Een roestvrij beginsel! Een middelbare school van veertig jaar geleden: verbod op gemengde klassen, meisjes mochten geen broek aan, catechismus, aalmoezeniers. Op hun plechtige communie dragen stoere binken een witte armband en schattige meisjes een tulen sluier. Een echte sluier, geen hoofddoek. En ik moet die hoofddoek misdadig vinden? Het teken van een verschil, een beweging, een verwikkeling in het tijdsverloop? Moeten we de jongedames die heden en verleden op aangename wijze vermengen nu uitsluiten? Vooruit, laat de walsmolen van het kapitalisme maar draaien. Ongeacht het grensverkeer, het berouw en de komst van werkers uit verre landen.

  10. Is het echte, massale geloof dat tegenwoordig wordt beleden overigens niet het geloof in de commercie? Daarbij vergeleken vormen de meest overtuigde moslims maar een ascetische minderheid. De ostentatieve tekens van de mens onterende godsdienst staan te lezen op broeken, sportschoenen en T-shirts: Nike, Chevignon, Lacoste. Wat is kleingeestiger: naar school gaan als de trouwe volgelinge van een God of als de sandwichvrouw van een international? We weten wat ons te doen staat om in de roos te schieten en de dingen groot te zien: een wet tegen de merken. Aan het werk, Chirac! Trekken we onversaagd ten strijde tegen de ostentatieve tekens van het kapitaal.

  11. Iets is mij toch nog niet helemaal duidelijk. De republikeinse, feministische logica die weet wát er van het lichaam precies getoond en verhuld moet worden, op andere plaatsen en in andere tijden, wat is dat eigenlijk? Bij mijn weten is het vandaag de dag nog steeds niet goed mogelijk om tepels, schaamhaar en penissen te tonen, en niet alleen binnen de schoolmuren. Moet ik kwaad zijn omdat die lichaamsdelen «aan het oog worden onttrokken»? Moet ik echtgenoten, minnaars en grote broers verdacht maken? Bij ons op het platteland droegen weduwen niet zo lang geleden zwarte mantels, kousen en sjaals, zoals dat vandaag nog gebeurt op Sicilië en elders. Je hoeft als vrouw niet noodzakelijk de weduwe van een moslimfundamentalist te zijn.

  12. Ik verbaas mij erover dat een paar meisjes met hoofddoek het mikpunt worden van de woede van zoveel feministische dames, die zelfs zo ver gaan dat ze de arme president Chirac met zijn sovjetscore van 82 procent smeken om op te treden in naam der Wet, en dat terwijl het vrouwenlichaam overal wordt geprostitueerd, terwijl de meest vernederende porno overal te koop wordt aangeboden en in meisjesbladen pagina’s worden volgeschreven met allerlei raadgevingen over de seksuele blootstelling van het lichaam.

  13. Eén verklaring: een meisje moet tonen wat ze in huis heeft. Ze moet haar koopwaar tentoonspreiden. Ze moet aangeven dat het verkeer van vrouwen voortaan gehoorzaamt aan het algemeen gangbare model en niet langer aan de beperkte ruilhandel. Weg met de vaders en de grote broers met baar den! Leve de planetaire handel! Hét model is het topmodel.

  14. Het leek een onvervreemdbaar recht van de vrouw dat zij zich alleen maar uitkleedt voor de man of vrouw die zij daarvoor zelf heeft gekozen. Dat dachten we toch te hebben begrepen. Niets is minder waar. Permanente ontbloting is imperatief. Wie verborgen houdt wat hij op de markt brengt, is geen eerlijke koopman.

  15. We moeten het volgende poneren, een curieuze stelling eigenlijk: de Wet op de hoofddoek is een zuiver kapitalistische wet. Zij beveelt dat de vrouwelijkheid wordt tentoongesteld. Anders gezegd, dat het goederenverkeer van het vrouwelijke lichaam verplicht is. Op dat gebied wordt geen marge toegelaten — ook niet wanneer het gaat om pubermeisjes, de gevoelige plaat van het hele subjectieve universum.

  16. Je hoort zowat overal zeggen dat «de sluier» het ontoelaatbare symbool van de controle op de vrouwelijke seksuali teit is. Misschien denkt u wel dat de vrouwelijke seksualiteit in onze eigen hedendaagse samenleving niet zo gecontroleerd wordt? Om dat naïeve denkbeeld zou Foucault goed gelachen hebben. Nooit eerder werd de vrouwelijke seksualiteit met zoveel zorg, zoveel wijze raad omgeven. Nooit eerder werd zo gehamerd op het onderscheid tussen het goede en slechte gebruik ervan. Het genot is een sinistere plicht geworden. De universele blootstelling van de verondersteld prikkelende delen is een nog heiliger plicht dan Kants morele imperatief.

Overigens, Lacan heeft jaren geleden al gewezen op de overeenkomsten tussen het ordewoord «Vrouwen, geniet!» van onze kranten en de imperatief «Niet genieten!» van onze overgrootmoeders. De commerciële controle is veel constanter, zekerder en massaler dan de patriarchale controle ooit is geweest. Het veralgemeende prostitutieverkeer is sneller en betrouwbaarder dan de moeizame opsluiting van het meisje in het ouderlijk huis, een hachelijke onderneming die al eeuwen voor lachsucces heeft gezorgd, van de Griekse komedies tot die van Molière.

  1. De moeder en de hoer. In sommige landen maakt men reactionaire wetten vóór de moeder en tegen de hoer, in andere landen progressieve wetten vóór de hoer en tegen de moeder. Wat we moeten verwerpen is precies het feit dat er een keuze wordt gemaakt.

  2. Wat niet betekent dat er moet worden gedacht in termen van «noch… noch…», want dat houdt op neutraal terrein toch alleen maar in stand wat het denkt te contesteren. «Moeder noch hoer», dat is nogal droevig. Net zoals de uitspraak «hoerig noch onderworpen» overigens absurd is: is een «hoer» over het algemeen misschien niet geweldig onderworpen? Vroeger zei men nog «la putain respectueuse» (de titel van een toneelstuk van Sartre — vert.). Vrouwen die publiekelijk worden onderworpen, zeg maar. En wat de onderworpen vrouwen betreft, misschien zijn die wel gewoon privé-hoeren.

  3. We komen er nog maar eens op terug: vandaag is de vijand van het denken niet het geloof maar de eigendom en de handel in voorwerpen en zieltjes. We zouden beter zeggen dat we nu pas echt in nood zitten om een (politiek) geloof. Het «toenemende fundamentalisme» is de spiegel waarin de weldoorvoede westerling vol afgrijzen de gevolgen van de verwoesting van de gewetens waar hij de leiding over heeft in ogenschouw neemt. Vooral dan het failliet van het politieke denken, dat hij overal tracht te organiseren onder het mom van een onbeduidende democratie of met behulp van een leger humanitaire paracommando’s. In dergelijke omstandigheden is de laïcité, die zogenaamd in dienst staat van de kennis, niet méér dan een schoolreglement in het teken van eerlijke concurrentie, dressuur in «westerse» normen en vijandigheid jegens elke overtuiging. Het is de school van de coole consument, de softe commercie, de vrije eigenaar en de ongeïnteresseerde kiezer.

  4. We krijgen maar geen genoeg van het rare feminisme, dat ooit vertrok vanuit de eis dat de vrouw vrij moest zijn en vandaag staande houdt dat die «vrijheid» zo verplicht is dat sommige meisjes (en niet één jongen!) moeten worden uitgesloten alleen om de kleren die ze aanhebben.

  5. Al het socio-culturele gedaas over «de gemeenschappen» en het al even metafysische als woedende gevecht tussen «Republiek» en «communautarisme» is gewoon je reinste onzin. Dat men de mensen toch laat leven zoals ze willen, waar ze willen, eten wat ze graag eten, tulbanden dragen, jurken, sluiers, minirokjes of strandsandalen; laat ze toch op tijd en stond knielen voor hun vermoeide goden of met elkaar poseren voor de camera, buigingen maken en pittoreske taaltjes brabbelen. Dat soort «verschillen» hebben niet de minste universele betekenis, ze zetten geen rem op het denken en ondersteunen het ook niet. Er is dus geen enkele reden om zulke verschillen te respecteren of door het slijk te halen. Dat de «Ander» — zoals de liefhebbers van een discrete theologie en van een draagbare moraal dat na Levinas zeggen — ánders leeft, dat kan het kleinste kind ook wel zien.

  6. Het feit dat menselijke dieren gaan samenwonen volgens de plaats waar ze vandaan komen, is een natuurlijk en onvermijdelijk gevolg van de vaak ellendige omstandigheden waarin ze hier arriveren. Alleen een neef of dorpsgenoot kan je opvangen in de woonblokken van Saint Ouen l’Aumône (in de banlieue van Parijs — vert.), of je dat nu wilt of niet. Je moet wel erg bekrompen zijn om het een Chinees kwalijk te nemen dat hij gaat wonen waar al Chinezen zijn.

  7. Het enige probleem met die «culturele verschillen» en «gemeenschappen» is zeker niet hun sociale bestaan, de omstandigheden waarin ze wonen en werken, in gezinsverband of op school. Het probleem is vooral dat alle namen voor die verschillen en gemeenschappen niets te betekenen hebben op plaatsen waar waarheid op het spel staat: in kunst, wetenschap, liefde en vooral in politiek. Het is de normaalste zaak ter wereld dat mijn leven als menselijk dier aaneenhangt van de bijzonderheden. Dat de categorieën van die bijzonderheid aanspraak maken op universaliteit, dat ze zich op die manier au serieux nemen als Subject, dát is wat regelmatig tot catastrofes leidt. Het komt er nu op aan die predikaten af te zonderen. Ik kan wiskunde studeren in een gele rijbroek en ik kan met een rasta-kapsel actief zijn voor een politiek die afstand neemt van de electorale «democratie». Dat betekent nog niet dat mijn theorema geel (of on-geel) zal zijn, noch dat het ordewoord dat ons verenigt vlechtjes draagt (laat staan dat vlechtjes uit den boze zouden zijn).

  8. Dat de scholen blijkbaar «ernstig worden bedreigd» door een zo onbeduidende bijzonderheid als de hoofddoek van een paar meisjes doet ons vermoeden dat er op school nooit sprake is van waarheid. Alleen van opinies, laaghartige, conservatieve opinies. Horen wij onze politici en intellectuelen niet zeggen dat scholen in de eerste plaats dienen om «burgers op te leiden»? Wat een droevig programma. Tegenwoordig is de «burger» een kleine, verbitterde genotzoeker die zich vastklampt aan een politiek systeem waarin alles wat een beetje op waarheid lijkt niet ontvankelijk wordt verklaard.

  9. Misschien is men in hoge kringen én aan de basis wel bevreesd dat een groot aantal ijverige en ernstig kijkende meisjes van Algerijnse, Marokkaanse en Tunesische origine zich met hun strakke dotjes ontpoppen tot de geduchte beste leerlingen van de klas? Samen met een paar Chinezen die evenzeer vastzitten aan hun familiekring? Vandaag de dag heb je heel wat zelfopoffering nodig. Het zou best eens kunnen dat de Wet van sovjetpresident Chirac zal leiden tot de opzichtige uitsluiting van een aantal primussen.

  10. «Ongeremd genieten» is een stommiteit van ’68 die de motor van de kennis nooit op volle toeren heeft doen draaien. Een zekere dosis vrijwillige ascese is, zo weten we sinds Freud, niet vreemd aan de omgeving van het onderwijs en aan het verwerven van ten minste een paar flarden effectieve waarheid. Een hoofddoek kan dus al met al geen kwaad. Nu het patriottisme, ooit dé sterke drank van de scholing, overal heeft afgedaan, is elke vorm van idealisme meer dan welkom, ook al is het prut. Als we er maar vanuit gaan dat een school iets anders is dan de «opleiding» van de burger-consument.

  11. In feite schuilt achter de Wet op de hoofddoek maar één ding: angst. De westerlingen in het algemeen en de Fransen in het bijzonder zijn een bibberend hoopje angsthazen. Waar zijn ze bang voor? Voor de barbaren, zoals altijd. Voor die van binnenin, de «jongeren uit de voorsteden», en voor die van buitenaf, de «islamistische terroristen». Waarom zijn ze bang? Omdat ze schuldig zijn maar onschuldig pleiten. Schuldig omdat ze sinds de jaren tachtig iedere vorm van emancipatorische politiek, iedere revolutionaire zaak en elke waarachtige affirmatie van iets anders dan het bestaande hebben verloochend en probeerden te vernietigen. Schuldig omdat ze zich aan hun miserabele privileges hebben vastgeklampt. Schuldig omdat ze niet méér zijn dan oude kinderen die spelen met wat ze gekocht hebben. Tja, «ze kregen rimpels door een te langdurige kindertijd». Dus zijn ze bang voor allen die iets minder oud zijn dan zijzelf. Voor een eigenwijze jongedame, bijvoorbeeld.

  12. Bovenal echter zijn de westerlingen in het algemeen en de Fransen in het bijzonder bang voor de dood. Ze kunnen zich zelfs niet meer voorstellen dat een Idee zoveel waard kan zijn dat iemand er een paar risico’s voor wil nemen. «Geen dood», dat is hun voornaamste verlangen. Terwijl ze overal ter wereld miljoenen mensen zien die zelf niet de minste reden hebben om de dood te vrezen. Bijna dagelijks sterven heel wat mensen in naam van een Idee. Dat is nu voor de «geciviliseerde» een grote bron van intieme terreur.

  13. Ik weet wel dat de Ideeën waarvoor men vandaag bereid is te sterven in het algemeen niet veel waard zijn. Ik ben ervan overtuigd dat alle goden het al jaren hebben opgegeven en vind het droevig dat jonge mannen en vrouwen hun lichamen laten uiteenrijten in afschuwelijke bloedbaden onder de lugubere bescherming van iets wat al lang niet meer bestaat. Ik weet ook dat die gevreesde «martelaars» gemanipuleerd zijn door samenzweerders die nauwelijks te onderscheiden zijn van hen die ze beweren te bevechten. We kunnen maar niet genoeg herhalen dat Bin Laden een product is van de Amerikaanse veiligheidsdienst. Ik ben niet zo naïef dat ik geloof in de zuiverheid, de grootheid of zelfs de efficiëntie van zelfmoordaanslagen.

  14. Wel zeg ik dat we die verschrikkelijke prijs in eerste instantie betalen voor de zorgvuldige vernietiging van elke vorm van politieke rationaliteit door de heersers van het Westen, een onderneming die alleen mogelijk was dankzij de grootschalige medeplichtigheid, vooral in Frankrijk, van het intellectuele en het populaire discours. U wilde koste wat het kost zelfs de herinnering aan het Idee van de revolutie liquideren? U wilde graag elk (zelfs allegorisch) gebruik van het woord «arbeider» met wortel en al uitrukken? Dan moet u niet komen klagen over het resultaat.

  15. We hebben de oorlogen die we verdienen. In onze van angst doordrongen wereld gooien grote bandieten zonder pardon bommen op bloedeloze landen. Middelgrote bandieten voeren gerichte moordaanslagen uit op wie hun in de weg staat. Kleine bandietjes maken wetten tegen hoofddoeken.

  16. Men kan zeggen dat dat niet zo erg is. Inderdaad. Het is minder erg. Voor wijlen de Rechtbank der Geschiedenis krijgen we vast verzachtende omstandigheden: «Hij was een expert in haarkapsels en speelde maar een kleine rol.»

Vertaling Piet Joostens