Commissie gelijke behandeling

‘De wet is onze richtlijn’

Een islamitische docente hoeft volgens de Commissie Gelijke Behandeling geen handen te schudden. Gevolg: boze reacties en zelfs de roep om de commissie op te heffen. Terecht?

Het gebouw van de Commissie Gelijke Behandeling (cgb) in de Utrechtse wijk Witte Vrouwen oogt binnen als een modelwerkvloer. De ruimtes hebben glazen wanden en staan in open verbinding met elkaar. Achter bureaus zitten mannen en vrouwen met verschillende etnische achtergrond te werken. Uit een van de kamers stapt Inga Teekens van het Centrum Geweldloze Communicatie. Zij zal hier binnenkort een cursus ‘geweldloos communiceren’ geven. Trefwoord is ‘kanaliseren’: hoe kun je voorkomen dat tijdens een zitting emoties van onvrede tot een uitbarsting komen? Of hoe kun je een attitude ontwikkelen zonder iemand overhaast te veroordelen? Zelf het goede voorbeeld geven is belangrijk voor de vijftig medewerkers van de negenkoppige juridische commissie die beoordeelt of mensen op school, op het werk, in maatschappelijke organisaties of in de handel worden gediscrimineerd. Gevallen kunnen worden voorgedragen om te worden getoetst aan de Algemene Wet Gelijke Behandeling (1994). De gronden waarop geen onderscheid gemaakt mag worden zijn godsdienst en levensovertuiging, politieke voorkeur, ras, geslacht, nationaliteit, seksuele voorkeur en burgerlijke staat. Het hele scala is in de afgelopen twaalf jaar voorbijgekomen in de zittingszalen.

In de bedrijfskantine hapt commissielid Piet van Geel, in pak met stropdas, in een broodje. Hij zegt vol zelfspot: ‘Ik heb hiervoor acht jaar bij Vluchtelingenwerk gewerkt. Ik ben dus zo’n verdacht persoon.’ Hij refereert aan de kritiek op de cgb die twee weken geleden losbarstte. De commissie zou een links bolwerk zijn, een instituut dat politiek correct moraliseert en de samenleving op het hilarische af de multiculturele droom wil opleggen. Minister Verdonk van Vreemdelingenzaken & Integratie zei dat ‘het ernstig moet worden overwogen deze commissie maar helemaal af te schaffen’.

Aanleiding was dat de cgb de economiedocente Samira Dahri van een vmbo-school twee weken geleden gelijk gaf in haar besluit om uit islamitische overtuiging geen handen te schudden. De verbijsterde schooldirecteur Bart Engbers heeft laten weten dat hij deze uitspraak, die niet juridisch bindend is, niet zal respecteren. Van hem mag de geschorste docente niet terugkeren. Hij wijst op het verkeerde signaal dat deze docente afgeeft aan leerlingen die worden klaargestoomd voor de arbeidsmarkt.

Engbers wordt in zijn kritiek gesteund door onder anderen minister Van der Hoeven van Onderwijs (‘een onbegrijpelijke uitspraak’) en de pvda (‘leerlingen moeten leren handen te geven’). Er zijn ook tegengeluiden: waarom ieder incident opblazen? Dan maar geen hand, maar een buiging of een knikje.

Laten we eerlijk zijn: incidenten zijn wel degelijk normbepalend. De uitspraak honoreert de orthodoxe interpretatie van de islam, uitgedragen door iemand met een voorbeeldpositie op een school die er juist veel aan doet om etnische en religieuze polarisatie te voorkomen. Bovendien is de achtergrond van de weigering niet waardevrij. Handen schudden wordt beschouwd als een lustopwekkende handeling en de man dient nadien zijn handen te wassen voordat hij in gebed richting Mekka knielt. Het getuigt van een visie op de vrouw die niet strookt met het gelijkheidsprincipe naar sekse. Het is intrinsiek discriminerend. Waarom heeft de commissie dat niet laten meewegen?

Commissievoorzitter Alex Geert Castermans legt het uit. ‘Die achtergrond is belangrijk, maar in déze zaak stond de reden centraal waarom de school wil dat docenten handen geven. Die was gelegen in het belang van uniforme, eenduidige gedragsregels en het belang van de voorbereiding op de arbeidsmarkt. Woog dit op tegen het in de wet beschermde belang van de docente om met behoud van haar religieuze identiteit haar werk te doen? Nee, dat laatste woog zwaarder, ook omdat de docente duidelijk maakte mannen en vrouwen gelijk tegemoet te treden. Dat een uitspraak leidt tot weerstand, hoort bij ons werk. Daar moeten wij niet bij voorbaat rekening mee houden. Volgens de wetgever moet de wet juist weerstand bieden aan gevoeligheden en vooroordelen. Als een partij ontevreden blijft, is er de weg naar de rechter. Die kan vanuit een breder juridisch kader oordelen dan wij en andere belangen zwaarder laten wegen. Als de weigering om anderen de hand te schudden door bepaalde groepen wordt aangegrepen om de samenleving onder druk te zetten, is dat zeker gevaarlijk. Als iets politiek ter discussie wordt gesteld, moet dat gebeuren daar waar dat hoort. Wij bedrijven geen politiek; de wet is onze richtlijn.’

Castermans is een bedaarde man, maar hij wordt fel als hem wordt verweten dat hij een theoreticus is, een kamergeleerde die ver afstaat van de werkelijkheid. ‘Wij horen dat vaker. En dat is onterecht. Wij zijn een laagdrempelig onafhankelijk juridisch orgaan. De wet beschermt mensen tegen willekeurig onderscheid. In de troonrede van dit kabinet staat nadrukkelijk dat burgers mét behoud van identiteit moeten kunnen deelnemen aan onze maatschappij. Wat betekent het als werkgevers zeggen dat mensen zich moeten aanpassen aan dé Nederlandse moraal? Natuurlijk mogen zij kledingregels hanteren, maar als die botsen met de wet, mag je ze niet afdwingen op straffe van uitsluiting. Is dat begroeten nu zó essentieel? Als je een handdruk respectvol kunt compenseren, moet je daarop vertrouwen.’

Aboriginals

Castermans constateert dat er sprake is van selectieve verontwaardiging. De cgb komt altijd in het nieuws als het om islamitische zaken gaat. ‘Als een reformatorische verpleegkundige weigert om bij een patiënt een injectie toe te dienen en ze daarin door de commissie wordt gesteund, hoor je daar niemand over. Na de uitspraak over de docente stond de telefoon binnen een kwartier roodgloeiend. Je moest eens weten hoe ons personeel wordt uitgescholden.’

Hij wijst op de cijfers. Van de circa 2500 gevallen in de afgelopen twaalf jaar zijn er vier geweest die betrekking hadden op handen schudden. Een van die gevallen betrof in 2002 een sollicitant die zijn afwijzing omdat hij weigerde vrouwen een hand te geven aanvocht. Hij kreeg geen gelijk. Van de 250 oordelen vorig jaar was er in 45 procent sprake van discriminatie. Daarvan waren negentien geloofszaken, waarvan elf uit islamitische overtuiging. In de meeste gevallen werden de betrokkenen in het ongelijk gesteld. Maar krijgt een moslim gelijk, dan knalt zo’n zaak eruit. Zoals die tegen de Rotterdamse sociale dienst. Een moslimman in traditionele kleding die er solliciteerde werd door de dienst afgewezen omdat hij aangaf dat hij zijn vrouwelijke cliënten geen hand zou geven. De gemeente besloot deze man niet aan te nemen. De zaak kwam ter zitting in Utrecht. Volgens Castermans schoot de argumentatie van de gemeente te kort. ‘Die zoomde in op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Maar de man stelde beide seksen wel op gelijke wijze te begroeten. Waarom voor de functie handenschudden een vereiste was en een alternatief niet kon volstaan had de gemeente onvoldoende onderzocht. Als ze beter hadden nagedacht, was het oordeel misschien anders uitgevallen.’

Castermans geeft toe dat in dit specifieke geval achteraf bij hem wel twijfels zijn gerezen. ‘Ik hoorde later die man op de tv spreken over autochtonen als aboriginals. Maar de makke van ons werk is dat we afhankelijk zijn van wat de partijen aanvoeren.’

Gelukkig, aldus Castermans, staan daar genoeg succesvolle zaken tegenover. Zoals die van een middelbare school in Zoetermeer. ‘De schoolleiding kwam naar ons toe om kledingvoorschriften voor te leggen. De uitkomst: bij lessen waar veiligheid een rol speelt – zoals bij gym, kookles en verzorging – geen hoofddoeken en andere bewegingsvrijheid beperkende kleding. Het hoeft dus niet op de spits gedreven te worden. Soms is onderscheid essentieel.’ De kritiek van Verdonk trekt Castermans zich niettemin aan. ‘Het is wel een minister die dat zegt. Maar ze doet net of we partijen in de handen van de rechter drijven. In 2005 zijn in maar elf gevallen partijen naar de rechter gestapt; slechts in drie van die elf gevallen leidde dat tot een andere uitkomst.’

Keurig en blank

Koestert de commissie niet erg linkse politieke correctheid? Bij de behandeling van de wet waren er stevige discussies tussen de christelijke en de niet-christelijke partijen. ‘Bij de oprichting moest, voor het evenwicht, de commissie bestaan uit leden van iedere politieke partij. Dat was geen doen. Uiteindelijk ebde dit idee wel weg’, aldus Castermans. ‘Wie de uitgangspunten van de wet ter discussie wil stellen, moet dat vooral bij de wetgever aankaarten. Het zal hem verrassen dat de vvd destijds de wet niet ver genoeg vond gaan.’

Dat de commissie nu ter discussie staat, ergert hem vanwege de gehanteerde argumenten, maar hij vindt het niet bedreigend. ‘We hebben vorig jaar ons werk geëvalueerd. De conclusie is dat we goed met de wet uit de voeten kunnen. Soms maakt het wettelijke kader het ons lastig, bijvoorbeeld als het gaat om verenigingen of het handelen van de overheid. Verder hebben we feitelijk geconstateerd dat de wet een positief effect heeft. Als ergens sprake is van discriminatie, dan blijkt bij de monitoring dat daar bijna altijd op de werkvloer goed aan wordt gewerkt.’

De negen leden van de huidige commissie en hun plaatsvervangers zijn juristen – vaak rechters of advocaten – uit verschillende hoeken van de samenleving en zijn niet partijpolitiek gekleurd. Castermans zelf werkte jarenlang als landsadvocaat, gespecialiseerd in arbeidsrecht, bij een groot Haags kantoor. Ruim tweeënhalf jaar geleden werd hij door de minister van Justitie gevraagd voor deze baan. Die strookte precies met zijn al langer sluimerende gevoel dat hij ‘als persoon te weinig een bijdrage leverde aan het tegengaan van het in de hoek zetten van bepaalde groepen in de samenleving’.

Voordien, in 2002, voerde hij als advocaat nog een zaak namens de rechtbank Zwolle die zich verzette tegen de eis van een islamitische griffier om met een hoofddoek in de rechtszaal haar werk te mogen doen. ‘De rechtbank moet onafhankelijkheid uitstralen. Maar ik denk wel eens als ik in de rechtszaal ben: zie ons zitten, zo’n keurig en blank college. Dat is toch niet waardevrij.’