De wet van de communicerende vaten

Als er iets is dat het leven van schrijvers miserabel maakt, is het het succes van andere schrijvers. Ik weet niet of je het jaloezie moet noemen, er is een ander woord voor, ik kan er alleen niet op komen. Het is het besef dat het aantal schrijvers dat succesvol is niet anders dan beperkt kan zijn.
Niet iedereen kan met zijn kop op die abri, zoiets.
Oké, niet zo laf: naarmate de verschijning van mijn eigen boek dichterbij komt, lees ik met meer angst en beven de boekenbijlagen van de diverse kranten en bladen. Staan deze week de lichten allemaal op groen, dan kan het niet anders of volgende week zijn ze op rood gesprongen. Zo denk ik zelf ook altijd dat een positieve recensie voor de een, een negatieve voor de ander inhoudt. Omdat het gewoon niet altijd maar halleluja kan zijn.
Irrationeel?
Nou ja.
Echte logica valt er toch vaak niet te ontdekken, en met eerlijkheid heeft het ook allemaal niet zo veel te maken.
Ooit interviewde ik een psychiater die heel wat schrijvers op zijn sofa had gehad. Volgens hem ontstond veel schrijversleed bij de gratie van overspannen verwachtingen. Je hebt nergens recht op, zo luidde zijn boodschap.
Vorige week speelde ik voor getuige-deskundige in een gefingeerde rechtszaak jegens het Letterkundig Museum. Aard van de aanklacht: Patricia de Martelaere moest alsnog worden opgenomen in het pantheon der letteren. Complicerende factor: aanklager Elisabeth Leijnse en ik moesten het opnemen tegen de pleitbezorgers van Annie M.G. Schmidt. Het toehorende publiek mocht uiteindelijk beslissen wie van de twee schrijfsters in ere zou worden hersteld.
Appels en peren in de overtreffende trap. Waarom niet gewoon allebei?
Niet iedereen kan in het pantheon, zoiets.
Een schijnbaar gelopen race werd een wedstrijd op leven en dood. De voorgelezen fragmenten uit De Martelaere’s laatste roman, Het onverwachte antwoord, lieten niemand onberoerd, ik heb het met eigen ogen gezien. Rechter Philip Freriks vergat af te hameren. De stemmen moesten drie keer worden geteld, zo nipt was de nederlaag.
Maar een nederlaag bleef het. Terwijl Patricia de Martelaere, nu bijna twee jaar na haar dood, wel een duwtje richting canon had kunnen gebruiken. Gelukkig zat ook haar uitgever in het publiek en die beloofde zich te beijveren om haar werk opnieuw uit te geven.
Mensen (schrijvers) worden ziek, zei die psychiater, omdat ze denken dat er zoiets als rechtvaardigheid bestaat.
Het leven is niet eerlijk.
Ik riep het naar mijn kinderen als die zich ergens misdeeld over voelden, maar tegelijkertijd was ik ze door het verkeer heen aan het loodsen. De boodschap verwaaide zo gauw ik ’m uitschreeuwde.
De psychiater was overigens erg creatief in het aanhalen van voorbeelden van narigheid die iedereen nu eenmaal overkomt. Misdaad loont. Je krijgt een akelige ziekte. Je geliefde verlaat je. Je boek wordt slecht gerecenseerd.
Ik weet nog dat ik begrijpend knikte toen de psychiater tegenover me zat. En dat ik dacht aan mijn vroegere overbuurvrouw. Niet echt een geval van narigheid, maar wel iemand die altijd een beetje in me zit, op een fnuikende manier. Ik woonde destijds in een smalle donkere straat in Utrecht, die doorging voor een goeie straat in een aantrekkelijke buurt, met navenante woningprijzen. Ondertussen groeide er geen boom in de straat, zoals mijn oudste broer bij zijn eerste bezoek opmerkte. Vanuit de woonkamer was er het uitzicht op de deuren van een garage, met daarop een groot niet-parkeren-bord. Boven die garage woonde een stel met een hond. Een leuke, woeste hond, die driedagelijks werd uitgelaten door een leuke, woeste man. Zijn vrouw oogde bedeesd. Ze had blond steil haar, dat ze meestal opgestoken droeg. Toen ze zwanger was, had ze het opeens kort laten knippen, alleen was er nog een lange lok die steeds voor haar ogen viel. Ik zag haar bij de groenteboer op het pleintje, de zaak van de gebroeders Agterberg, die echt broers waren, Ries en Jan. Ze had best al een dikke buik, maar ik durfde er niks over te zeggen of te vragen. Een schuchtere groet over en weer, daar bleef het bij.
Ik wist dat ze Saskia heette, en bij de Viva werkte. Wat leuk, de Viva, dacht ik nog.
Toen de baby er was, viel er een geboortekaartje in de bus. Niet dat de naam van de moeder me toen iets zei. Noort heette ze. Saskia Noort.
Ik ken de schrijvers die beweren het ook te kunnen, die bestseller schrijven, volgens het boekje. Dat ze het alleen niet zouden willen. Kluun noch Koch doet mij iets. Maar met het succes van Saskia Noort voel ik me voorgoed verknoopt. Sindsdien is het altijd een beetje alsof zij aan het getto is ontkomen - glimmers in het decolleté, champagneglas in de hand - en ik nog steeds mijn aardappelen haal bij Ries en Jan Agterberg.