De wet van de halve waarheid

Hans Schoots, Gevaarlijk leven: Een biografie van Joris Ivens. Uitgeverij Jan Mets, 559 blz., f69,50
OP 4 JUNI 1989 drukten op het Plein van de Hemelse Vrede de Chinese autoriteiten met veel geweld het massale studentenprotest de kop in. Het beeld van die ene student die een colonne tanks tegenhield, maakte in de hele wereld diepe indruk. De negentigjarige Joris Ivens zat voor de tv huilend te kijken naar de manier waarop het regime waarvoor hij zoveel propaganda had gemaakt, de kritiek in bloed smoorde.

In de voorgaande decennia had hij behoord tot de harde kern van les petitionnaires, de Parijse intellectuelen en kunstenaars die altijd klaar stonden om hun naam te zetten onder een vlammend manifest tegen de een of andere ‘kapitalistische’ of 'imperialistische’ schanddaad. Nu ondertekende Ivens een petitie gericht tegen de gerontocratie in Peking. Ook luisterde hij een demonstratie van Chinese studenten in Parijs op met zijn aanwezigheid.
Deze laatste politieke daad - Ivens stierf op 28 juni 1989 - had een zeer symbolische betekenis. Meer dan zestig jaar was hij een propagandist geweest van het communisme. Terwijl de Stalin-terreur in de jaren dertig, de Tsjechoslowaakse coup in 1948, Hongarije 1956 en het neerslaan van de Praagse Lente voor velen van zijn generatie aanleiding was geweest om hun groeiende twijfel om te zetten in een definitieve breuk met het communisme, was Ivens altijd zuiver in de leer gebleken. Na Chroesjtsjovs halfbakken destalinisatie in de Sovjetunie had Ivens nieuwe perspectieven ontdekt in China, Vietnam en Latijns Amerika. Vooral de rigoureuze aanpak van Mao Zedong had hem geinspireerd tot cinematografische lofzangen. Nu bleek ook dit een doodlopende weg. En dat terwijl Ivens juist de laatste jaren van zijn leven was overladen met eerbewijzen van mensen en instanties die zijn politieke opvattingen altijd hadden afgewezen.
DE BLOEMEN OP Ivens’ graf waren nog niet zo lang verwelkt toen in november van dat jaar de Berlijnse Muur viel, een soort officiele faillietverklaring van het internationale communisme. Evenals in mei 1945, toen massa’s Nederlanders toetraden tot het verzet, bleken nu velen 'altijd al’ overtuigde tegenstanders van de verslagen ideologie te zijn geweest. Er werd vol overtuiging gespuugd op het graf van het communisme - en op dat van Ivens. De liberale staatsman en denker Bolkestein stelde ex-communisten en ex-nazi’s op een lijn. Ook de roem van Ivens bladderde snel af. Maar in de jaren zeventig was Ivens’ epos Hoe Yukong de bergen verzette door rechts en links even enthousiast ontvangen. Zijn films werden nergens zo enthousiast besproken als in De Telegraaf. En Bolkestein maakte deel uit van het kabinet dat in 1985 een knieval maakte voor de bejaarde stalinist. In haar Klein Chinees woordenboek (1975) had Renate Rubinstein reeds geconstateerd dat rechts het 'stijlloos’ vond als je kritiek had op communistische regimes: 'Het verstoort de sfeer en het heeft geen enkele zin. Nederlands belangen zijn gediend bij een goede relatie met China en een gunstige reportage.’ Het Jezus-citaat dat Costa Gravas uitsprak bij Ivens’ begrafenis - 'Wie zonder zonde is werpe de eerste steen’ - mag misschien bedoeld zijn om eigen politieke fouten te bagatelliseren, de apologeten van het zogenaamde 'gelijk van rechts’ zouden het zich ook moeten aantrekken.
Hoe was het in godsnaam mogelijk dat zoveel mensen die zich lieten voorstaan op hun 'democratische’ overtuiging, zich zo positief uitlieten over een propagandist van de meest totalitaire ideologie? Hoe konden zovelen - en dan laat ik geschoolde leugenaars als de DDR-minister, die Ivens ooit een 'Wahrheitsfanatiker’ noemde, buiten beschouwing - zich vergissen in deze man?
Uit de voorbeeldige biografie die Hans Schoots van Ivens schreef, wordt duidelijk dat hierbij onder meer het zogenaamde Marcus Bakker-effect meespeelde. Wie zich verdiepte in handel en wandel van de populaire fractievoorzitter van de voormalige CPN, wist dat Bakker niet deugde. Maar de man was gevat, had flair en charme, was een bekwaam parlementarier en kon humoristisch uit de hoek komen. Dus dachten veel mensen dat het met zijn politieke denkbeelden ook wel mee zou vallen. Joris Ivens was een zeer charmante man, vrouwen vielen bij bosjes voor hem, hij was bovendien een begaafd cineast, zodat velen zich niet konden voorstellen dat die man uit overtuiging abjecte regimes diende. Stalinisten, dat waren immers nare, zure mannen, altijd in de weer met snauwerige resoluties of duistere conspiraties, maar toch geen flamboyante levenskunstenaars als Ivens.
ALS ZOVEEL intellectuelen of kunstenaars die met het communisme sympathiseerden, kwam ook Ivens uit een welgesteld, burgerlijk milieu. Zijn vader had een aantal bloeiende fotozaken en Joris was voorbestemd hem op te volgen als directeur. Erg lang heeft Ivens het in het door vader gespreide bedje niet uitgehouden. Vader Ivens, een gewaardeerd ingezetene van Nijmegen, was een typische katholieke pater familias, autoritair en geschraagd door onwankelbare zekerheden. Als technicus en ondernemer bezat Ivens senior bovendien een zeer sterk vooruitgangsgeloof.
De verhouding van Joris Ivens met zijn vader is min of meer klassiek te noemen: aan de ene kant zette hij zich sterk af tegen het optreden en de denkbeelden van zijn vader, aan de andere leek hij sterk op hem. Volgens Schoots was Ivens’ keuze voor de film een manier om zich aan de invloed van zijn vader te onttrekken, terwijl de communistische partij hem later geborgenheid en een duidelijke koers bood, daarmee de rol van vader Ivens overnemend. Evenals zijn vader geloofde Ivens heel sterk in de vooruitgang, zag hij steeds weer nieuwe perspectieven, en had hij een enorme behoefte aan zekerheden. 'Ik ben niet iemand die dol is op twijfelen’, bekende hij ooit.
Conflicten ging hij zo veel mogelijk uit de weg, wat eigenlijk merkwaardig is voor iemand die zijn leven lang alle revoluties naliep. Als de spanningen opliepen, trok Ivens zich terug. Dat gold voor zijn vele verhoudingen met vrouwen, maar ook voor zijn politieke opvattingen. Een echte verantwoording heeft hij, ondanks twee autobiografieen, niet afgelegd. Schoots beschrijft hoe Ivens steeds zijn koffers pakte als de politieke of emotionele grond te heet werd onder zijn voeten.
EEN ANDERE MANIER om netelige situaties uit de weg te gaan was natuurlijk liegen, iets waarin Ivens zeer bedreven was. Niet alleen speldde hij zijn echtgenotes en maitresses voortdurend dingen op de mouw, ook in politiek opzicht gehoorzaamde hij aan wat hij zelf noemde 'de wet van de halve waarheden’. Als de waarheid bedreigend was voor het doel dat je nastreefde, moest je de waarheid verzwijgen. En een leugentje om je imago op te poetsen was ook nooit te versmaden. Schoots noemt legio 'mythen’ die Ivens rond zichzelf heeft gecreeerd: dat zijn werk in Nederland altijd zeer negatief werd ontvangen; dat hij min of meer gedwongen werd tot ballingschap; dat zijn vader zeer afstandelijk was; en dat de Nederlandse regering hem lange tijd een paspoort weigerde. Op den duur ging Ivens er zelf in geloven.
Heel erg is dit natuurlijk niet, maar het werpt wel een vreemd licht op een man die bekend staat als een van de belangrijkste documentaire cineasten. Nu kan ter bescherming van Ivens worden opgemerkt dat in zijn tijd, met minder technische mogelijkheden en andere beroepsopvattingen, documentaires veelal een ander karakter hadden dan tegenwoordig. Het in scene zetten of naspelen van bepaalde gebeurtenissen kwam vaker voor. Maar Ivens maakte het wel erg bont, en uit Schoots’ beschrijving van de talrijke 'documentaires’ moet men concluderen dat Ivens’ films die naam vrijwel nooit verdienden, maar gerekend dienen te worden tot de propaganda. Zijn film Zuiderzee bijvoorbeeld. Omdat hij wilde aantonen dat de inpoldering van de IJsselmeerpolders onzin was - er was immers voldoende voedsel en de Nederlandse regering liet graan in zee storten - kocht Ivens drie zakken meel en donderde dat al filmend in de Seine. Eind jaren zeventig verklaarde de beroemde documentarist in een interview: 'Je kunt zeggen dat ik de realiteit wil ontmoeten. Maar ik heb angst voor de realiteit, je moet haar onder controle brengen.’
In de jaren zeventig was Hans Schoots maoist en groot Ivens-bewonderaar. Een hagiografie is dit boek allerminst, maar het is ook geen rancuneuze afrekening van iemand die eventuele eigen beoordelingsfouten wil afschuiven op een voormalig idool. Schoots was duidelijk gefascineerd door het even langdurige als intense leven van Ivens, een gedreven cineast die in zijn beginjaren baanbrekende films maakte en later verdwaalde in een 'artistiek moeras’. Gevaarlijk leven geeft een onthutsend beeld van een pure individualist die het collectivisme predikte, een egoist die het altruisme beleed, een bohemien die verlangde naar geborgenheid, een anarchist op zoek naar orde.