De wetenschap der opsommingen

Over alles en nog wat gaan de ‘essays, stukken, dan wel expedities’ in het nieuwste boek van Nicolaas Matsier. Over de geschiedenis van de dood en het verdriet daarover. Over het Plan Zuid van Berlage en het Nieuwe Bouwen van de Amsterdamse school. Over de dingen van de schrijver zoals tentoongesteld tijdens een expositie in het Letterkundig Museum; de imposante studie van Sem Dresden over kampliteratuur; relikwieën van heiligen (van ‘divers gebeente van de onschuldige kinderen in Bethlehem’ tot de ‘voorhuid van het Kindeke Jezus’); het literaire werk van, onder anderen, Lidia Ginzburg, Charlotte Mutsaers, Mercè Rodoreda en Pessoa; de geschiedenis van de knoop en het knopendoosje van zijn moeder en het verlangen dat die knopen allemaal weer vast komen te zitten aan de jurken die hij heeft zien rondlopen; stillevens, Venetië en Het juiste woord, het curieuze ‘betekenissenwoordenboek’ dat pater L. Brouwers samenstelde.

Het is niet meer dan rechtvaardig om dit stukje te beginnen met een - allerminst volledige - opsomming, want Matsier ontpopt zich in zijn boek als een verklaard liefhebber daarvan. En hij mag dan wel constateren dat de ‘opsommingenkunde’ als wetenschap nog geheel in de kinderschoenen staat, hij weet niet alleen prachtige opsommingen door zijn stukken te strooien, hij zegt er ook behartenswaardige dingen over.
De opsomming, schrijft hij, is de plaats waar het verhaal wordt opgeschort. Het is het oord van de uitgebreidheid, waar plaats het overneemt van tijd. Het is het kleine en grote leven dat probeert te ontsnappen aan het grote plan van het boek en dat schreeuwt om een ordenende geest ('een Linnaeus of een Darwin’) die orde weet te scheppen in de veelheid. Je kunt zeggen dat in de essays van Matsier precies die spanning zit, de spanning tussen een 'Napoleontisch verlangen naar compleetheid’ en orde, en het oog voor de details en terzijdes die zich aan de orde onttrekken.
De titel van het boek, Een sluimerend systeem, is, zo blijkt uit het motto, ontleend aan Lichtenberg en duidt op het hoogst individuele slapende systeem dat in ieder mens schuil gaat en dat door het schrijven wakker wordt gekust. Het sluimerende systeem van Matsier komt hierop neer: nieuwsgierig beziet hij de dingen die min of meer toevallig op zijn weg komen totdat het gaat kriebelen en hij op zoek gaat naar de verborgen systematiek. Hoe vaak grijpt hij in zijn stukken niet naar woordenboek, naslagwerk of encyclopedie. Hoe vaak betreurt hij niet dat over een bepaald onderwerp nog niets is geschreven ('Een geschiedenis van de erker heb ik tot mijn spijt niet kunnen vinden’), of dat de literatuur erover bepaald lacunes bevat ('Ik zou graag een en ander gelezen hebben over de doodgewoonheid van de knoop’). Hoe vaak slaat hij niet aan het classificeren, want 'een mens houdt nu eenmaal van orde’.
Kort gezegd bestaat het sluimerend systeem van Matsier eruit dat hij sluimerende systemen probeert bloot te leggen. Hij doet dat door te kijken en te denken en hij doet dat allebei even scherp. Daarbij is hij een briljant stilist, bij wie de ernst altijd geestig en lichtvoetig is.