1996: Van lelieblank naar kakelbont - De Schilderswijk

De wijk die er gekleurd op staat

De Haagse Schilderswijk veranderde begin jaren negentig definitief van een witte arbeiderswijk in een gekleurde wijk met honderd nationaliteiten en duizend problemen.

Medium schilderwijk

Gezang, gitaargetokkel en tamboerijngeklingel waaien je tegemoet, de dienst is net begonnen. Het zaaltje is afgeladen vol. Kinderen zitten vooraan op de grond. Op stoelen op de eerste rij meisjes van een jaar of zestien, het lange haar naar voren hangend over hun schouders. Er zijn bejaarden, zwervers en illegalen. Het thema is deze zondag: ‘Waar je mee omgaat, word je mee besmet’. 1 Korintiërs 14 uit de bijbel wordt geciteerd, dat wordt vertaald naar het dagelijks leven in de maatschappij, te beginnen in de Schilderswijk.

‘Wat zien jullie?’ vraagt de voorganger, een vrouw met blonde krullen en een gitaar aan een band om haar nek. Ze toont een plaatje aan de kinderen. Een meisje met een hoog stemmetje zegt dat het schaapje alleen is en zomaar door een auto overreden kan worden. ‘Ja’, zegt de voorgangster, ‘dat is niet goed, het schaapje hoort bij een herder.’ Er worden liederen gezongen. Jezus is de goede herder, Jezus is overal, breng mij naar de veilige stal.

Dan vertrekken de kinderen voor de zondagsschool. Dominee Peter Strating neemt de dienst voor de volwassenen over. Hij vertelt hoe de Schilderswijk nu op tv is en beschrijft een scène over een jongetje dat stout is geweest en alleen buiten staat te mokken. ‘Maar hoe kijk je naar hem, als een probleemkind of als iemand die liefde nodig heeft? Kijk eens met andere ogen, zoals Jezus zich liet raken door de mensen in nood, en niet zoals Farizeeërs die hen afkeurden omdat zij niet van hen waren. Kijk eens anders naar de schoffies in de Schilderswijk, zie niet alleen de buitenkant, maar laat de ander binnen komen en je erdoor raken. Er zijn zo velen stuk gelopen op deze probleemwijk met probleemjongeren. De oogst van Jezus wordt vertaald via het jongerenwerk in de wijk.’ Bij het gebed zijn alle ruggen diep gebogen. Na afloop is er koffie met koek.

In 2002 richtte Peter Strating de Havenkerk op. De gedachte is dat waar mensen God ontmoeten zij veranderd worden. En als God mensen verandert, verandert ook de omgeving. Peter komt uit Kampen. Maar hij mag zich langzamerhand een Schilderswijker noemen. Hij kwam hier in de jaren tachtig met een diploma hbo-v op zak, ging werken als verpleger en theologie studeren. Boven café Henkie, op de hoek Hoefkade-Poeldijksestraat, woonde hij op kamers. Ze vonden hem maar een rare snuiter, een student tussen de Haagse arbeiders. Maar hij was sociaal bewogen, begon vanuit zijn ervaring met christelijk jeugdwerk een hulpproject voor de vrouwen achter de ramen. Als kerk moet je aanwezig zijn in de maatschappij, vond hij.

Hij maakte vreselijke toestanden mee, piepjonge meisjes woonden soms zonder daglicht in hun peeskamer. De misstanden werden gedoogd. De prostituees uit Afrika en Zuid-Amerika waren vaak diepreligieus en vonden het fijn om met Peter te bidden. Toen de gemeente eind jaren negentig de wet ging handhaven, bleven er alleen nog maar Oost-Europese vrouwen over. Deze vrouwen uit de ex-communistische landen waren niet religieus, voor Peter was er geen rol meer weggelegd en hij begon vanuit zijn hulpstichting, die de Haven heette, een praatgroep voor wijkbewoners. Daar kwam de Havenkerk uit voort. Het gebouw, dat lijkt op een campingkantine, zit verscholen tussen een serie hofjes aan de straat Om en Bij, aan de westzijde van de Schilderswijk. Iedereen is er welkom, ongeacht de culturele of religieuze achtergrond. Er zijn tienerclubs, koffieochtenden en gezamenlijke maaltijden. Vooral autochtonen zoeken hier hun heil, moslims gaan naar de moskee.

AAN TAFEL ZITTEN Tiny en Marjan. Om hen heen drentelen mensen in en uit. Even later komt Hetty binnen. Ze kneedt haar stijve, verkleumde vingers. Uit een plastic tas van C haalt ze haar nieuwste aankoop om aan haar vriendinnen te showen. Er wordt goedkeurend gemompeld. Alle drie zijn keurig gekapt en gekleed en flink op leeftijd. Maar ze zijn hier zo vaak mogelijk. Voor hen is dit buurthuis en kerk tegelijk. Het geeft hun het warme nestgevoel terug van De Mussen, het oudste buurthuis van Nederland, opgericht door meester De Bruin in 1926. Marjan en Tiny en ook hun kinderen kwamen hier hun hele jeugd over de vloer. En wat betreft het geloof: de Havenkerk vervangt de katholieke kerk waar ze vroeger heen gingen, maar waar ze niet veel meer mee op hebben. Ze voelen zich hier vrijer. Tiny haakte definitief af toen het massale kindermisbruik naar buiten kwam. ‘Dat gore gedoe met die kinderen, ik werd daar misselijk van.’ Ze bezocht als kind de nonnenschool, ‘maar daar zaten lieverds’. Marjan zegt dat ze wel eens verhalen hoorde over een neefje in een blindeninstituut; hij huilde zoveel, haar tante zei altijd: het lijkt wel of ze aan hem zitten. Peter zit ook aan tafel. Hij luistert begripvol naar hun verhalen over vroeger en hoe de wijk is veranderd en waarom ze zich er vervreemd voelen.

Als er een beter huis vrij kwam, ging dat als een lopend vuurtje door de buurt

Marjan is geboren op de Hooftskade en woonde tot haar twintigste thuis. In 1950 ging ze trouwen en kreeg ze een mooi huisje van de gemeente. Haar man had een bloemenstalletje. Ze kreeg twee kinderen, die allebei in de wijk zijn gebleven. De hechte familieband heeft te maken met haar bloed: haar familie komt van ‘de wagen’, het woonwagenkamp op de Lozerlaan. Die mensen willen dicht bij elkaar blijven en dat zit er dus bij haar diep in. De kampers moesten in de oorlog ‘wonen’, enkele kilometers verderop in huizen van steen. Haar oma kwam in het hofje, dat was het beginpunt van de familie in de Schilderswijk. Marjan zorgde 38 jaar voor oma. En ze had altijd veel kinderen uit de buurt over de vloer.

Haar oudste vriendin Tiny werd geboren in de buurt van de Hoefkade. Ze trouwde met Rinus en verhuisde naar Bezuidenhout. Overdag vluchtte ze naar haar moeder, zo saai vond ze het in haar nieuwe buurt… dus ze verhuisde weer terug. Ze kan toch al niet ver weg, ook niet met vakantie. Na een paar dagen wil ze altijd weer naar huis. Tiny is samen met haar zus de enige van de familie die nog in de wijk woont, haar kinderen willen hier niet meer wonen. Haar familie heeft altijd hard gewerkt. Oma was stoelenmatter en maakte zijden bloemen. Tiny nam altijd kinderen uit het kindertehuis een weekendje mee naar huis om even bij te komen.

Hetty heeft een iets andere geschiedenis. Zij vluchtte veertig jaar geleden vanuit Helmond ‘wegens omstandigheden’ naar Den Haag. Met haar kinderen onder de arm stapte ze bij de burgemeester binnen. De locoburgemeester hielp haar aan een huisje. Ze hertrouwde en had een fijne baan bij de Norfolkline die dagelijks tussen Scheveningen en Engeland voer. En in het Leyenburg Ziekenhuis, waar ze het eten klaar zette voor de heren doktoren. Haar kinderen wonen hier al lang niet meer. De een is schatrijk geworden door een uitvinding van een speciale kruiwagen die over de hele wereld is geëxporteerd. De ander is naar Deurne gegaan en heeft een piercingshop die tot 2017 is volgeboekt.

Alle bewoners zijn hun hele leven veel verkast. Dat had te maken met de kwaliteit van de huizen, veel daarvan stammen uit het begin van de twintigste eeuw toen de wijk hard groeide door de industriële revolutie. Als er een beter huis vrij kwam, ging dat als een lopend vuurtje door de buurt. De huur was begin jaren zestig 4,89 gulden per week. Het was de tijd dat de migratie opkwam. Eerst de Italianen, Spanjaarden en Portugezen, ‘heel knappe kereltjes’, daar hadden ze geen last van. En die gingen weer naar huis. Met de gastarbeiders uit Turkije en Marokko hadden ze aanvankelijk medelijden. Ze vonden het stumperds. De gemeente dwong hen om die mannen als gast aan tafel te nemen. Denk maar niet dat hun mannen dat een goed idee vonden. En de politici zouden het zelf nooit doen. Ze zijn er nog boos over.

Het gesprek gaat onvermijdelijk richting ‘de buitenlanders’. Het is hun door de politiek opgedrongen en die lui hebben er geen idee van wat dat allemaal dagelijks voor hen betekent. De dames vullen elkaar aan, praten door elkaar heen en zeggen steeds: ‘Laat haar nou even uitpraten.’

De geur van vreemde kruiden. De hindoestanen die altijd dagen feest vieren, en als zij dan zeiden: ‘De kinderen slapen al’, dan ging het lawaai gewoon door. Datzelfde geldt voor de ramadan, na zonsondergang gaat iedereen tot diep in de nacht eten en joelt een heel regiment kinderen tot laat op straat. ‘En dan moeten wij zwarte piet inleveren. Dat is ónze cultuur. Laat toch iedereen zijn eigen dingetje houden. Dat gezeur over zwarte piet leidt af van de echte problemen. Die Quincy heeft veel verdriet veroorzaakt. Kinderen op hun zieltjes trappen, het is echt vreselijk.’

‘En dan moeten wij zwarte piet inleveren. Dat is ónze cultuur. Laat toch iedereen zijn eigen dingetje houden’

Op de markt staan nu alleen maar buitenlanders, zij hangen de gevels vol met jurken. Ze gooien vuilnis gewoon op straat. En zij houden de winkels na sluitingstijd open. ‘Maar als wij onze winkeltjes openhielden, dan stond een agent om vijf over zes klaar met een bekeuring.’

Tiny gaat altijd naar de Albert Heijn en de Hema in het centrum om haar boodschapjes te doen. Ze wappert met haar hand: ‘Dáár kom ik niet meer. De Hoefkade is een zooitje. Alles is daar in beslag genomen, ik voel me een vreemde. Mijn kinderen vinden het niet fijn hier als ze op visite komen. Maar ik zit hier goed, ik heb hier mijn boeltje.’

Ze zijn van hun generatie de laatsten der Mohikanen. Bijna iedereen is vertrokken toen de grote stadsvernieuwing begon, in 1973. Het zou ruim dertig jaar duren, met als hoogtepunt eind jaren tachtig. In die lange periode werd de hele wijk omgeploegd. Rijen aftandse portiekwoningen en uitgewoonde hofjes zonder douche, vies en muf, gingen tegen de vlakte. De bewoners kregen straat voor straat andere woningen in andere wijken, met het idee dat ze daarna zouden terugkeren naar gloednieuwe huizen in hun vroegere straten. Maar ze gingen niet terug. De woningen waren te duur, of als ze goedkoop waren, raakten de straten verkleurd. Want de Turkse en Marokkaanse gastarbeiders bleken niet terug te keren naar hun land van herkomst.

Rond 1990 zette de kentering in; autochtonen trokken massaal naar de Vinex-wijken van Zoetermeer en Wateringen, of naar omringende Haagse buurten als Escamp. Degenen die wel bleven, waren white trash. Of mensen die hun wijk niet konden missen, zoals Hetty, Tiny en Marjan. ‘De meeste bekenden zijn na de stadsvernieuwing verhuisd, of dood’, zegt Marjan. ‘Er liggen er meer op het kerkhof dan dat ik bekenden op straat tegenkom.’ Was in 1995 twintig procent autochtoon, nu is het minder dan acht procent. Er zijn nu honderd nationaliteiten. De Schilderswijk is een van de armste en meest dichtbevolkte wijken van Nederland met nauwelijks groen. Onder de ruim 33.000 bewoners is de werkloosheid hoog – onder de jeugd zelfs zestig procent – en veel mensen zijn afhankelijk van een uitkering. Ruim veertig procent leeft op de armoedegrens. Vroeger stemde men hier blind op de pvda, nu stemmen de bewoners ook op twee moslimpartijen en de pvv.

In 1996 betuigde de toenmalige pvda-wethouder Adri Duivesteijn, zelf geboren in de Schilderswijk en aanjager van de stadsvernieuwing, spijt over het resultaat. De bedoeling was om allure te krijgen in de wijk, maar hij zag met schrik dat door de nieuwbouw heel veel kapot was gemaakt. De stadsvernieuwing had te lang geduurd en pakte destructief uit. Door leegstand werden sociale verbanden afgebroken, het trok daklozen, krakers en drugsverslaafden. Al vanaf 2000 zijn enkele delen van de stadsvernieuwingsprojecten gesloopt. De overheid investeerde vanaf 1990 vanuit het grotestedenbeleid vele tonnen in de renovatie van het verpauperde woningbestand. Als Vogelaarwijk kreeg deze buurt opnieuw een forse financiële overheidsinjectie.

De ergernis van de dames betreft dan ook de overheid. Toen de gezinshereniging op gang kwam, mochten die gezinnen voor hun nieuwe huizen gewoon spullen kiezen van de gemeente. Dat ging knagen. Er werd die mensen niet geleerd hoe je hier moet leven. Vrouwen zaten op de stoeprand de kinderen te verschonen. Op het gazon gingen ze schapenwol uitleggen en op het balkon hoorde je het gemekker als de schapen werden geslacht. Ze hadden gewoon strenger aangepakt moeten worden. De overheid had totaal niet door wat er gebeurde, en dat is nog steeds zo. Ze staan met hun armen over elkaar toe te kijken bij de radicalisering. Alle voorbeelden komen op hetzelfde neer: zij voelen zich onrechtvaardig behandeld door de politiek, waarmee ze ‘natuurlijk de pvda’ bedoelen. ‘Het erge is dat wij vroeger van hún waren, maar nu zijn wij zogenaamd bange burgers die buitenlanders haten.’ Over Wilders doen ze niet mistig. Hij heeft gelijk. Zij mochten geen buitenlander meer zeggen, eerst werd het medelander, toen allochtoon, en toen gingen zíj opeens autochtoon heten. Maar zij zijn Nederlanders. En zij kennen maar twee soorten mensen: mannen en vrouwen en mensen die wel of niet meedoen.

‘Het erge is dat wij vroeger van de PvdA waren, maar nu zijn wij zogenaamd bange burgers die buitenlanders haten’

Aan tafel zit al een tijdje een stille Turkse vrouw. Ze kwam achttien jaar geleden naar Nederland via een zus om hier geopereerd te worden aan de gevolgen van een open rug. Een mooie vrouw, zonder hoofddoek. Ze zegt: ‘Het gaat wel over mij, hè.’

‘Welnee’, roepen Tiny, Hetty en Marjan in koor, ‘jij hoort er helemaal bij.’ Ze hebben persoonlijk niks tegen buitenlanders, althans degenen die ze kennen. ‘Mijn Marokkaanse buurvrouw is heel lief, als er een razzia zou komen, spring ik ervoor.’ ‘Mijn hulp is een Surinamer, zo zwart als een kachel, het is een topvent.’ Van de ouderen hebben ze totaal geen last, het zijn de jongeren die de prijs betalen en dat afreageren op de Nederlanders.

Dan komen ze te praten over het verleden. Ze waren vroeger arm, maar wel nette arbeiders. Ze hebben altijd hard gewerkt en hun kinderen goed opgevoed. En er werd veel geruild om elkaar te helpen. De fiets stond nooit op slot, nu wordt zelfs je scootmobiel gestolen. Vroeger stond de voordeur gewoon open en hing als ze weg waren een touwtje uit de brievenbus, nu doen ze zelfs de achterdeur op slot. Vroeger was het ook knokken, maar met de vuist, nu hebben ze vuurwapens en messen. Wij waren één met elkaar. Wij kenden elkaar allemaal.

Als je het hebt over groepsverbanden, dan moet je bij De Mussen wezen, en bij Bertus, zeggen ze opeens. De hele Schilderswijk kwam daar. Voor de zomervakantie was er het Mussennest in Otterlo. Oprichter meester De Bruin kocht daar een landje met een boerderijtje en dat hebben ze met zijn allen ingericht.

Ze gingen er ieder jaar op de fiets heen. Buiten stond een koeientrog waar kranen aan gezet waren om de handen te wassen en de tanden te poetsen. Ze sliepen op strozakken die ze eerst joelend en niezend zelf ging vullen. Later kwamen er tentenkampen, de jongens en de meisjes apart, en voor gezinnen. Wat hebben ze daar genoten, ze kregen er allemaal verkering. De meesten zijn met elkaar getrouwd. ‘De Mussen, het zit in je botten.’

Toen De Bruin met pensioen ging, volgde zijn dochter Annie hem op, een fantastisch mens. Daarna kwam ‘een andere meneer’, die geen familie was. En ja, het ging mis. Hij kocht biljarttafels. De natuurvijver, waar op warme dagen werd gezwommen, moest opeens een buitenbad worden. Er kwamen dure babykamers. Hij heeft al het geld opgemaakt, terwijl hij nog zo werd gewaarschuwd door de oud-Mussers. Er kwamen vechtpartijtjes, hij had geen gezag over de mensen. Hij had het hoog in de bol, hij snapte het niet. Otterlo was afgelopen. Hij moest het terrein verhuren aan groepen. Ze mogen in Otterlo nu niet eens meer over hun eigen landje lopen. Ze voelen zich daar net zo verdreven als op de Hoefkade.

Het waren vroeger ook harde tijden: alcoholisme, armoede, huiselijk geweld, er woonden veel criminele families

Peter vertelt, als de dames er niet zijn, dat ze het verleden romantiseren. Het waren ook harde tijden: alcoholisme, armoede, huiselijk geweld, er woonden veel criminele families. Maar het was wél allemaal binnen de eigen wereld, ze kwamen de wijk niet uit, ze zaten veilig in een soort bubbel. Aan die grote familie waren ze trouw. Nu komt de criminaliteit van anderen die ze niet kennen, dat is bedreigend voor ze. En er zijn binnen de kerk ook weleens ruzies. Ze komen dan een tijdje niet, of praten weken niet tegen elkaar. De tijd moet het slijten, zo lossen ze het op.

Medium schilderswijk2

Op zaterdag is de Schilderswijk de spreekwoordelijk veelkleurige volkswijk. Op de Haagse Markt zie je de tientallen nationaliteiten waar iedereen het altijd over heeft. Oost-Europese mannen met bleke gezichten en blonde haren in werkkleding vol verfspatten. Opgetutte vrouwen in roze legging en op Uggs ratelen in een taal die klinkt als Russisch. Turkse en Marokkaanse echtparen, een groepje jongens in hoogwaterbroeken met witte djellaba’s erover en ongekapte baarden. Surinaamse en Antilliaanse vrouwen met de tassen uitpuilend van groente. De Hollandse vis wordt door twee Marokkaanse twintigers net zo hard roepend aan de man gebracht als Haagse koopmannen dat doen. Op het kruispunt ontstaat een verkeeropstopping als er een lange stoet passeert met toeterende auto’s. Om de eerste auto zitten grote tulen strikken, het jonge bruidspaar lacht. In de volgauto’s zitten mannen in donkere pakken, het haar glimmend van het vet, en vrouwen in felgekleurde lange jurken en met feestelijke hoofddoeken om.

De Hoefkade begint om de hoek. Een kaarsrechte straat met strakke gevels van grijze, donkerrode en zwarte baksteen. Aan de balkons hangen schotels en wasgoed. In kapsalon Al Hoceima Mekki scheert de kapper met de tondeuse het haar van een man hoog op. In bruidswinkel Dalie Alarou hangen sprookjesjurken. Safar Reizen biedt vluchten naar Marokko. Supermarkt Tanger heeft verse producten. In El Risalah staan rijen met maxi-jurken, maxi-winterjassen en een kast vol korans, kinderboeken, kookboeken, bundels authentieke smeekbeden, koolpotloden, parfumflessen met musk. Op de etalageruit van slijterij Misri staan drie grote sterren. De eigenaar met strak getrimd ringbaardje verklaart afgemeten dat moslims dat tijdens de ramadan hebben gedaan. Hij heeft nu camerabewaking achter de toonbank. Voor zijn deur parkeert een vrouw in een zwarte niqaab een auto van autorijschool La Femme in.

En halverwege, op de hoek met de Rijswijksestraat, ligt buurthuis De Mussen. Het gebouw dateert van na de brand van het oude gebouw in de jaren zeventig. Het utilitaire interieur heeft recent een renovatie ondergaan. De ruimtes werden van glas voorzien, de jaren-zeventigkleuren – blauw en geel – zijn vervangen door oranje, roze en paars. Banken met kussens en lampen met arabesken geven een Arabische sfeer. De oude woonkamer van de Haagse bewoners is nu ‘een eigentijds en bruisend centrum’ onder leiding van een team van 23 professionals waarvan een derde allochtoon is. Op drieduizend vierkante meter zijn veel ruimtes en zalen voor allerlei activiteiten. Er is een voorschool voor peuters, een speel-o-theek, een kleuterclub, een kinderclub, kleuterdans, huiswerkbegeleiding, sport voor kinderen met overgewicht, streetdance, schilderen, tekenen, een zangkoor, rappen, schaken, een meidenclub, een soos voor jongeren, een kookworkshop, cinema, computerles. In een prachtige gymzaal en een fitnessruimte wordt seksegescheiden gesport. In de meidenhuiskamer is een zithoek. Op tafeltjes staan Arabische theeglaasjes met een zilverkleurige theepot, in de ‘tuthoek’ liggen borstels en make-up. De ramen naar de gang kunnen met luxaflex afgeschermd worden zodat niemand het kan zien als de meisjes hun hoofddoek afdoen. Alles wordt gefinancierd met gemeentesubsidie en met geld van particulieren en fondsen.

Schaarse middelen zijn het knelpunt, zegt directeur Nicoline Grötzebauch. Er zijn in deze wijk twaalfduizend jongeren en negen jongerenwerkers. De Mussen heeft er twee. Alles is wegbezuinigd, ze doen alles krap en met veel vrijwilligers. Ook geloven ze in de methodiek om vrouwen in de wijk ‘in hun kracht’ te zetten, zoals de Schilderswijkmoeders doen die zijn opgeleid om contact te maken met geïsoleerde vrouwen. Ook mensen van de Rotary geven vrijwillig les. ‘Als je hoort hoe het hier vroeger was, dan gaan we lachen. Betaalde krachten waren een week bezig met het ophangen van de kerstversiering. Nu is het constant pezen.’ De hoogtijdagen van het buurtwerk waren de jaren tachtig; in de jaren negentig is het financieel gezien bergafwaarts gegaan, het was allemaal te soft. De recente renovatie is nog betaald met Vogelaar-geld.

De kinderen komen de wijk niet uit en als ze autochtone Nederlanders zien, zijn dat de juffen

Nicoline zit samen met Mieke Kuiper, coördinator jeugdwerk, in het kantoor. Nicoline werkte hiervoor bij Vluchtelingenwerk Zuid-Holland, en daarvoor deed ze buurtwerk voor migrantenvrouwen in de Amsterdamse Baarsjes. Mieke is van een andere generatie en met een andere achtergrond. Na haar studie communicatiewetenschap deed ze een jaar vrijwilligerswerk in de New Yorkse Bronx. Ze kwam hier door een advertentie waar vijfhonderd brieven op kwamen. ‘Er worden steeds meer mensen aangenomen met een academische achtergrond’, zegt Nicoline. Ze werken met vier programmalijnen. Voor allochtone meisjes tussen elf en zestien jaar gebruiken ze de methodiek ‘Superwoman’, waarin verschillende thema’s aan de orde komen. Het gaat niet alleen over lastige dingen thuis, maar ook over identiteitsontwikkeling en weerbaarder worden.

In een lokaal wordt computerles gegeven aan oudere vrouwen in lange jurken en met hoofddoeken. Op de gang is een vitrinekast vol bekers, door de jaren heen gewonnen bij allerlei sportevenementen. De jongens zijn bijvoorbeeld driemaal landskampioen straatvoetbal geweest. De meisjes ook, vorig jaar, die mochten naar Aruba voor het wereldkampioenschap, maar ze zijn niet gegaan. ‘Dat ga ik de ouders niet eens vragen’, aldus de sportkracht.

dat de witte arbeiderswijk veranderde in een gekleurde arbeiderswijk is dagelijks te merken. Als op De Mussen blanke kinderen komen, is dat nieuws. De kinderen daar hebben geen idee hoe Nederland is, ze komen de wijk niet uit en als ze autochtone Nederlanders zien, zijn dat de juffen.

Vooral sinds 9/11 is alles merkbaar veranderd. Een medewerkster die hier al jaren werkt, is van kledingstijl veranderd. Eerst liep ze nog in een minirok. Ze was zich gaan verdiepen in het geloof. Ze hebben er een diepe discussie over gehad, want ze werkt met de peuters.

‘Ik wil geen Marokkaans buurthuis zijn, we zijn er voor iedereen, we hebben een neutrale grondslag’, zegt Nicoline. Ze snapt het ergens wel, deze jongeren hebben weinig perspectief, vinden moeilijk een baan en worden buitengesloten. Dan kan een extreme religie kader en zingeving bieden. Ze ziet een parallel met de kraakbeweging waar ze zelf uit komt. ‘Alles was zwart-wit, we hadden ons morele gelijk, het doel heiligde de middelen, ook geweld zoals door de Duitse raf.’

Het is heel moeilijk om uit dit zwarte getto te komen. De sociale controle is groot, de meiden mochten bijvoorbeeld niet mee naar het kamp in Twente. Een medewerkster is toen huis aan huis de ouders afgegaan en zo liep het opeens de goede kant op.

De IS-vlaggen waren er natuurlijk wel degelijk. Maar een groot deel kwam niet van hier

Het Mussennest wordt nu gebruikt door scholen, maar ze willen een beetje terug naar vroeger, toen stedelijke bleekneusjes uit arme gezinnen daar op vakantie gingen. Het oude nest wordt opgeknapt.

Tot slot, zeggen ze, gaat het ook over beeldvorming, mensen van buitenaf durven de wijk niet in. Laatst is er een bezoek van de WeightWatchers afgezegd om die reden. Sinds de wijk slecht in het nieuws is geweest, staat de Schilderswijk er landelijk ‘gekleurd’ op.

Op de bovenste verdieping van het theater De Vaillaint aan de Hobbemastraat zit een vestiging van Citymondial, een informatie- en vvv-platform voor een aantal Haagse wijken waaronder de Schilderswijk. Het bureau is in 2009 in het leven geroepen als schakel tussen de bewoners en de gemeente. De wijkkrant werd vernieuwd, ze maken de website en de digitale muurkrant. Citymondial communiceert alleen in het Nederlands. Als er iets aan de hand is, gaan ze met een omgebouwde Volkswagenbus met een beamer op een plein staan om mensen te informeren.

In het kantoortje werkt Thijs Moesker, medewerker communicatie, samen met Mammar El Jabli aan een betere beeldvorming van de Schilderswijk. Want betere pr kan dit ‘dorp’ wel gebruiken. Staat de Schilderswijk altijd al bekend als een probleem, de laatste jaren wordt het in één adem genoemd met radicalisme: een shariadriehoek waar IS-strijders geronseld worden, vrouwen op straat op hun kleding worden gecorrigeerd door mannen met baarden, en achter de deuren van moskeeën haatpreken tegen het Westen worden gehouden en islamitische huwelijken worden voltrokken. Thijs zegt dat de media met de wijk aan de haal zijn gegaan. Het beeld dat wordt neergezet, is niet conform de waarheid

Zij proberen de wijk in een positief daglicht te stellen. Het jaarlijks integratiediner is daar een voorbeeld van. In allerlei instellingen, zoals De Mussen, wordt gezamenlijk gegeten terwijl politici en BN’ers aanschuiven. En ze zetten in op toeristen. Die kunnen bijvoorbeeld een ‘ooievaart’ doen: een rondvaart over de kanalen en rivieren door de stad. Of een ‘dagje kleurrijk Den Haag’, ‘een ontdekkingsreis’ met een gids langs bijzondere punten in de Schilderswijk, zoals een hammam, moskee Al Aksa en de Haagse Markt. De beruchte As-Soennah-moskee staat niet op het programma.

Thijs en Mammar zeggen dat het niet eenvoudig is om een imago op te krikken. De IS-vlaggen waren er natuurlijk wel degelijk. Maar een groot deel kwam niet van hier, ze kozen bewust voor deze wijk vanwege het effect. Ondertussen zien ze burgemeester van Aartsen regelmatig komen, low profile en met veel aandacht voor de mensen. En ze ontvangen regelmatig buitenlandse delegaties die niet geloven dat dit een achterstandswijk is.

Daar zit Bertus de Wolff, in de grote zaal van De Mussen. Hij is met de tram naar zijn oude wijk gereisd. Op tafel ligt een enveloppe met daarin de stukken voor de vergadering van het bestuur waar hij nog altijd lid van is. Hij is de enige die alles per post ontvangt, aan internet doet hij niet. Slimme blauwe ogen, een stevig postuur, wat verraadt dat hij ooit sterk was. Hij heeft zijn hele leven fysieke arbeid verricht. Naast zijn werk als technisch opzichter van De Mussen, werkte hij dertig jaar in het slachthuis. Zijn eerste baan was bij Felix Kattenbrood waar hij de blikjes voor 7,50 per week vulde.

Eerst zet hij het op een potje mopperen over de pvda. Het woord participatiemaatschappij vindt hij een gruwel. ‘Maar die piassen in Den Haag verdienen zelf goed hoor’, zegt hij in onversneden Haags.

Als zesjarige kwam hij bij De Mussen. Hij komt uit een gezin van veertien, heeft twaalf broers en één zus. In de zomer ging hij vanzelfsprekend naar het Mussennest, waar hij zijn vrouw leerde kennen, ze trouwden in 1957. Uit die generatie ontstond hetzelfde jaar de groep jom, Jonggehuwde Oud-Mussers. Zij gingen wekelijks op vrijdagavond een kaartje leggen in ‘het clubhuis’, zoals zij het noemden. Het kostte niks, ze zaten lekker onder elkaar. ‘Onlangs hebben we de vereniging moeten afblazen’, zegt Bertus, die er vijftig jaar voorzitter van is geweest. Van de oorspronkelijk 59 waren er op het laatst nog maar negen actieve leden, de meesten slecht ter been. ‘Ja, het is voorbij, het was ons huis, voor de echte Schilderswijkers.’

Met groot ontzag praat hij over meester De Bruin. Een sociaal-democraat in hart en nieren. En een echte redenaar. Daar kreeg Bertus kippenvel van. Hij heeft een boekje meegenomen. Op het kaft staat: ‘Vijftig jaar Jonggehuwde Oud-mussen, een verhaal over hechte vriendschap van Mussen voor het leven.’ Verhalen met herinneringen, foto’s van mensen lachend aan de afwas, zingend in het veld. Voorin staat: ‘De asfaltjeugd, dat waren wij voor de mensen van buiten de wijk. Wij moesten van straat gehouden worden. Maar meester De Bruin gaf ons een plek in Clubhuis De Mussen. We liepen eerst overal rond, vandaar de naam: we waren net als mussen, die zitten ook overal.’

Hij loopt naar een standbeeld in de zaal. Een forse, mooie kop prijkt op een sokkel: ‘Meester De Bruin 1930-1967’. Hij heeft voor zijn sociale werk heel wat prijzen en linten gekregen. Ook Bertus heeft voor zijn inzet in de wijk een koninklijke onderscheiding gekregen. Hij hecht er niet zoveel waarde aan. Eerder is hij trots op zijn kleindochter, die onlangs meester in de rechten is geworden en zich specialiseert in arbeidsrecht. Een echt kleinkind van haar grootvader, lacht hij, politiek bewust. Ze kent de Schilderswijk uit de verhalen.


Bronnen: Bewoners, ondernemers en hulpverleners uit de Schilderswijk, cijfers van de gemeente Den Haag en het boek Samen voor ons eigen. De geschiedenis van een Nederlandse volksbuurt: De Haagse Schilderswijk 1920-1985 van Diederick Klein Kranenburg


Beeld: (1) 27 augustus 2000. Bezoekers van het Ha-Schi-Ba-festival in de Haagse Schilderswijk zetten hun beste beentje voor. Het evenment trekt 175.000 bezoekers (Arie Kievit/ ANP). (2) De Schilderswijk in 1999 (Catrien Arïens / HH).