De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Schrijver Edoardo Albinati

De wijk geeft en de wijk neemt

De grote waaromvraag is de reden voor het enorme boek van de Italiaanse schrijver Edoardo Albinati. Hij zat op school met ‘het monster van de Circeo’, seriemoordenaar Angelo Izzo. In De katholieke school probeert Albinati een antwoord te vinden dat er waarschijnlijk niet is.

De Italiaanse wijksage begint zachtjesaan een genre te worden. Hoe gedetailleerder en langer, hoe liever. De wijksage is gebaseerd op het darwinistische principe dat de wijk waarin je geboren wordt en opgroeit alles in je verdere leven bepaalt en verklaart. De wijk geeft en de wijk neemt. De schrijvende ‘ik’ die zich probeert los te vechten van de wijk, wordt er op een bepaald moment van zijn of haar leven weer in teruggezogen. Ze gaan er weer wonen, tegen beter weten in, meegetrokken door het eb van het verleden. De strijd om een ander leven op te bouwen, de ontworsteling aan de tentakels van de achtergrond – het is allemaal vergeefs geweest. De wijk heeft gewonnen, want de wijk wint altijd.

Natuurlijk heb je verschillende manieren om de strijd tussen de wijk en het ik te verslaan. In Elena Ferrante’s De geniale vriendin is de sociale woningbouwwijk achter het station van Napels een veelkoppig monster dat onophoudelijk vlammentongen spuugt naar de twee vriendinnetjes, maar zij zijn samen sterker. Meppende semi-analfabete ouders, armoede, achterstand, agressieve en jaloerse jongetjes die proberen ze eronder te krijgen als oefening voor de toekomstige man-vrouwverhoudingen, het sterkt de twee intelligente meisjes alleen maar. De enige wapens die ze hebben zijn elkaar en de lagere school, waarop ze allebei uitblinken. De weg is voorwaarts, de blik gericht op de horizon. Maar niet voor lang. Voor Lila, de ware geniale van de twee, valt de guillotine van de wijk al heel vroeg.

Zij mag niet doorleren van haar gewelddadige vader, een alcoholistische schoenlapper. Lila wordt veroordeeld tot slechts vijf jaar lagere school en dat bepaalt haar uiteindelijk tragische lot, de doem van de wijk, waaraan ze nooit kan ontsnappen. Het vriendinnetje Elena, de schrijvende ‘ik’, lukt dat wel. Zij kan zich na haar studie in Pisa, haar voortvarende schrijverscarrière, haar huwelijk in de hogere intellectuele kringen, een terugkeer naar de wijk permitteren, al doet ze het uit pure noodzaak vanwege een plotselinge zware financiële en sociale terugval. Ze moet terug naar af, maar ze heeft al genoeg culturele weerstand opgebouwd om niet meer te worden teruggezogen in de oude, fatale mechanismen uit haar jeugd. Ze verslaat het veelkoppige monster van de wijk door erover te schrijven, in boeken, in kranten, in belangrijke opiniebladen. Het wordt haar sterke punt, het wordt zelfs cool dat ze als moderne feministische schrijfster in een Napolitaanse achterstandswijk met Camorra-trekjes woont. Men komt haar expres daar fotograferen voor interviews. Elena heeft zich opgewerkt tot een stem in de grote wereld, tot een andere klasse, en daarom krijgt de wijk geen vat meer op haar. De levensgevaarlijke regels van de buurt zijn niet meer van toepassing op haar leven, ook al woont ze er weer. Dat is haar ware triomf en haar ware ontsnapping.

Bij Edoardo Albinati (62) lijkt dat niet gelukt. In een gigantische pil omschrijft hij de klem van zíjn wijk, een heel andere dan het Napolitaanse achenebbisj buurtje langs het spoor. De katholieke school heet het boek, maar het had ook Quartiere Trieste kunnen heten, want de wijk Trieste is de ware hoofdrolspeler. Een chique wijk in Rome voor de hogere middenklasse, zijdelings van de Via Nomentana, een lommerrijk paradijsje in het groen, villa’s met ommuurde tuinen, brede lanen met statige pijnbomen waaraan riante jaren-dertigappartementengebouwen met belangrijke entrees, glanzend gepoetste travertijntreden en een portier.

Wonen in het quartiere Trieste is en was in Rome een statement over je positie op de sociale ladder. Geld is wel belangrijk – anders kun je er niet wonen – maar meer dan dat tellen de symbolen, de inrichting van de huizen, de nanny’s, de Filipijnse huishoudsters, de Bengaalse portiers, de Engelse rashond, de kinderen gekleed als Engelse kostschoolsoldaatjes, wollen spencertjes ook als het buiten 35 graden is. Het verleden wordt geïmiteerd alsof het nog 1930 is, de kinderen gaan naar peperdure privéscholen, waar het in de buurt van wemelt. Vaak gebracht en gehaald door de chauffeur van papà, die een hoge positie bij de bank heeft, of op het ministerie, of ergens anders achter de mysterieuze schermen van de Italiaanse macht. Stil geld, door Albinati als volgt omschreven: ‘In de Italiaanse maatschappij heeft de rijke vaak de neiging zich te camoufleren en zal het dan ook eerder de neprijke of de half rijke zijn die pronkt met zijn splinternieuwe Audi. De echte rijkdom weerkaatst zijn beeld op bedrieglijke wijze, veinzend, misleidend, de aandacht afleidend, schermen en spiegels ophoudend.’

In deze buurt groeide Edoardo Albinati dus op en bezocht er de katholieke privéschool waar de titel naar verwijst. De school ligt eigenlijk net op het randje van het paradijs aan de brede Via Nomentana met zijn vierbaans autoverkeer en… exact tegenover de Villa Mirafiori waar ik vijf jaar van mijn leven heb doorgebracht, omdat ik er studeerde. Ongelooflijk. Die bunker daar aan de overkant van de Nomentanaweg, een onaantrekkelijk jaren-vijftigconglomeraat van baksteen met aluminium raamsponningen, aan het oog onttrokken door hoge muren en grote ijzeren schuifpoorten, dat is de katholieke school van Albinati. Het Istituto San Leone Magno.

Ik had me nooit afgevraagd wat dat voor een gebouw was aan de overkant. Niemand van de gelukkigen die aan de Villa Mirafiori mochten studeren trouwens. De Mirafiori was gered van verval, sloop en bouwspeculatie doordat de universiteit van Rome hem in de jaren tachtig had geannexeerd als dependance voor de uitpuilende faculteit Lettere e Filosofia. Wij flaneerden met onze leren tassen onder de arm door ons ommuurde park met exotische planten en palmen, dat eind 1800 was aangelegd door de gravin van Mirafiori, de tweede vrouw van koning Victor Emanuel II. En wij zaten in de voormalig adellijke ruimtes, nu opgedeeld in klaslokaaltjes met hier en daar nog de plafondschilderingen, wegdromend op het vogelgetsjilp dat door de metershoge, openstaande ramen kwam. Het complex aan de overkant detoneerde en je liep er zo snel mogelijk langs op weg naar college, als je tijd had haalde je snel even een cappuccino bij die ook al lelijke bar op de hoek ernaast.

Bar Rocci. Zo heette die lelijke bar.

Het was de bar waar Angelo Izzo, ‘het monster van de Circeo’, in de nacht van 30 september 1975 heen was gelopen. Hij was ook een leerling van de katholieke school van Albinati en zal de bar dus goed hebben gekend. Ze hadden de twee meisjes in cellofaan gerold en in de kofferbak van de Fiat 127 gestopt, en die geparkeerd in de Viale Pola, een lommerrijk zijstraatje van de Via Nomentana. Het was een slopend etmaal geweest voor de drie ragazzi di buona famiglia (jongens van gegoede familie). Eerst de meisjes lokken met een afspraakje bij de bioscoop, dan met onzinverhalen hen meenemen naar het afgelegen strandhuis van een van de gegoede families aan de Circeo, de golf van Circe. Dan de ontzettende martelscène die 24 uur duurt en waarbij de twee meisjes naakt worden opgesloten in de badkamer van het strandhuis, beurtelings verkracht, gemarteld, getrapt, tot moes geslagen en uiteindelijk wordt eentje verdronken in de badkuip omdat ze zo irritant blijft gillen. De ander leeft nog omdat ze zich voor dood weet te houden, maar dat weten de jongens niet als ze de Fiat 127 van de vader van het strandhuis onbekommerd parkeren voor de huisingang aan de Viale Pola 5 met de twee meisjes in de kofferbak.

De jongens hebben honger, maar zijn nog wel zo bij de pinken om te bedenken dat ze zich even beter niet met z’n drieën kunnen vertonen. Dus ieder gaat zijns weegs en Angelo Izzo loopt naar de lelijke bar aan de Nomentana. Hij is gefrustreerd, omdat de verkrachting hem niet is gelukt. Hij kreeg hem niet stijf ondanks woest gewrijf tegen het naakte meisje en heeft de ontmaagding van de zeventienjarige Donatella moeten overlaten aan de twee anderen. Maar des te meer heeft hij zich uitgeleefd in het trappen, meppen, schreeuwen en bedreigen met een pistool. Daar was hij wel heel goed in. De twee in cellofaan gerolde lijken zullen ze straks wel ergens gaan dumpen vanwege al dat vieze bloed, maar nu eerst even wat eten, want een hónger! Bij Bar Rocci komt Angelo Izzo een vriend tegen met wie hij nog een paar uurtjes op de boemel gaat door Rome. Even naar de ‘fascistenbar’ op het Piazza Euclide, het hart van de zo mogelijk nog chiquere wijk Parioli. Daar verorbert hij talloze tramezzino’s, de Italiaanse sandwich. En dan nog even stapvoets door de Via Veneto rijden, om te kijken naar de hoeren op de stoep. De gore sletten. Als hij uiteindelijk weer wordt afgezet in de buurt van de Viale Pola om eindelijk die kutwijven te gaan dumpen is het diep in de nacht. Hij loopt zo in de armen van de carabinieri, maar hij ziet ze niet eens. Hij heeft ‘knallende koppijn’ en is op zoek naar een fonteintje. Wat doen al die carabinieri hier?

De doem wordt nog steeds door de hele wijk gevoeld. Men is ervan weggedraaid

Een buurman van het appartementencomplex aan de Viale Pola 5 hing rond middernacht nog even over zijn balkon om een luchtje te scheppen voor hij ging slapen. Hij hoorde vreemde geluiden beneden zich. Toen hij beter keek, zag hij dat ze uit de Fiat 127 van de buren kwamen. Een soort gebonk. Hij belde eerst de carabinieri en ging toen naar beneden. Hij tikte op de kofferbak. Een meisjesstem zei: ‘Ik ben gewond en naast me ligt een dode. Doe open, ik kan niet meer.’ En ze had zelfs nog de tegenwoordigheid van geest om te zeggen: ‘Niet weggaan, ze zijn nog steeds in de buurt.’ Als de carabinieri de kofferbak openbreken komt het hoofd van Donatella achter het in een plaid gewikkelde lijk van haar vriendin tevoorschijn. Ze is naakt, zit onder het bloed en ze glimlacht. Het is een zwart-witfoto waar geen woorden voor zijn.

Maar die woorden, die probeert Edoardo Albinati nu juist wel te vinden, en dat hij er de ruimte voor neemt, dat moet kunnen. Het is wel heel erg veel ruimte. De typisch Italiaanse syntaxis van Albinati, oneindige zinnen en bijzinnen, wordt in het Nederlands nog meer als je ze heel letterlijk vertaalt. De vierdelige cyclus van De geniale vriendin is ruim zeventienhonderd pagina’s, maar dat zijn vier delen met een grote vaart erin. De katholieke school is één boek van meer dan dertienhonderd pagina’s, een oneindig boek, niet alleen vanwege de lengte, maar vooral vanwege de stijl.

Welke stijl eigenlijk? Het is soms een sociologisch traktaat, dan weer een stukje roman, dan weer een persoonlijke psychotherapie met behoorlijk diepgaande confessies. Iemand in Italië schreef over dit boek: ‘Het is eigenlijk een oecumenisch boek, de stijl is die van een preek.’ Die definitie past waarschijnlijk beter dan het uitgekauwde ‘stream of conciousness’, waar De katholieke school ook wel wat van heeft. Het is inderdaad meer een preek en dat is ook precies waar Albinati zelf bang voor is: ‘Aan die twaalf jaar op de school van de paters en dat constante gepreek heb ik overgehouden dat ik onwillekeurig de neiging heb om de toon en het ritme van de preek aan te nemen. (…) Bij sociale gelegenheden bijvoorbeeld ben ik vaak zo lang mogelijk stil, maar als ik per ongeluk begin te praten, glijd ik binnen de kortste keren in de houding van een preker, drammerig en obsessief, waardoor mijn gesprekspartners overweldigd worden of verveeld raken, en daarom houd ik liever mijn mond.’

Flauw om de inkopper ‘behalve nu dan’ te maken. Het is een boek waar Albinati negen jaar aan heeft gewerkt en hij won er in 2016 de Premio Strega mee, de hoogste literaire onderscheiding van Italië. Hij voelde zich geroepen tot deze poging om te verklaren wat onverklaarbaar is. ‘Toen Angelo Izzo in 2005, zodra hij na dertig jaar levenslang in halve vrijheid was gesteld, onmiddellijk wéér twee vrouwen vermoordde, voelde ik dat ik dit moest schrijven. Het was mijn beurt.’ Die twee vrouwen waren de echtgenote en de dochter van een kompaan uit de gevangenis, een spijtoptant van de Sacra Corona Unita, zoals de kleinere maffiatak van Apulië heet. Waarom Izzo ze moest hebben is niet duidelijk, zoals niets duidelijk is van wat Izzo heeft gedaan. En toch is er iets, een zinnetje dat de praatzieke psychopaat Izzo uitkraamt tijdens een van zijn talloze processen, waardoor Albinati wordt getriggerd omdat hij denkt dat het hem aangaat.

Hij legt het uit in een cursief in het boek: ‘Het moment dat de gijzeling echt op gang komt beschrijft Angelo alsof er onbeheersbare krachten in hem aan het werk waren: “Ik had er niet bij stilgestaan dat onze vriendschap over zou zijn doordat we de meisjes in de badkamer hadden opgesloten en dat er ineens geen dialoog meer mogelijk zou zijn.” Dialoog? Dialoog!? (Ach, dat woord dat zo hoog in het vaandel stond bij de paters en op de patersschool waar hij en ik tot het jaar ervoor nog hadden gezeten…) De dialoog was onverhoopt verbroken, en dat vond Izzo jammer.’

Dat ene woordje, ‘dialoog’, triggert iets in Albinati. Angelo Izzo gaat hem aan, al had hij geen enkel contact met hem op de katholieke school. Een jaar hoger zitten is op een bepaalde leeftijd een muur waar niet overheen kan worden geklommen. Wel is er een voorval, een klasgenoot van Albinati, die op het betonnen schoolplein tijdens de pauze te grazen wordt genomen door drie, vier jongens uit een hogere klas. Ze drijven hem in een hoek, delen tikken uit, eerst voor de grap, dan echt hard, trekken zijn bril van zijn neus, breken hem doormidden en duwen hem weer terug op zijn neus. Gewoon voor de leuk. Of misschien omdat de klasgenoot in kwestie een intelligente, duidelijk linkse, bescheiden jongen was die niet op zoek was naar fysieke krachtmetingen. Dat provoceert bepaalde types die dat wel zijn.

De klasgenoot in kwestie was de later redelijk bekend geworden schrijver en journalist Marco Lodoli, een naam die Albinati graag en veel laat vallen. Alsof hij er de waarde van zijn boek mee verhoogt. Een van de jongens die zijn bril brak was Angelo Izzo, maar die naam, die noemt Albinati op dat moment in het begin van het boek juist weer niet; ‘hun namen, waarvan er twee relevant zullen worden vanaf de tweede helft van dit boek, noem ik voor nu nog even niet.’ Waarom wordt niet duidelijk.

Albinati’s poging tot duiding van het onduidbare zijn flarden, berichten uit een wereld die haast niemand meer kent. Zijn katholieke school was tot 1979 een exclusieve jongensschool. Met meisjes van vlees en bloed kwamen ze niet in aanraking, behalve met de zussen en de moeders thuis. ‘Jouw contact met het andere geslacht is ondertussen enkel een wanhopige parodie. (…) Het is alsof je Arabisch wilt leren met een cassettebandje. Het kan lukken, uiteraard, maar je moet er zo hard voor knokken dat het resultaat uiteindelijk alleen maar kan tegenvallen. Er bestaat een uiterste consequentie van die roofzuchtige houding ten opzichte van vrouwen – veroorzaakt doordat een man geen vertrouwdheid met hen heeft, en dat is verkrachting.’

Bij Albinati zelf heeft de van meisjes afgescheiden jeugd ook vreemde sporen nagelaten, biecht hij eerlijk op. Hij is dusdanig geobsedeerd door fysieke aanraking dat het naar een ziekte neigt. ‘Ik lijd onder elk moment dat ik niet word aangeraakt, dat ik niet kan vasthouden, strelen, dat ik niet kan penetreren (…) Mijn honger wordt nooit gestild.’ Ook fijn als je daar als vrouw mee moet dealen, iemand die de godganse dag aan je wil zitten, in je wil zitten. Desalniettemin heeft hij twee leuke, intellectuele, artistieke vrouwen aan zijn zijde weten te houden. Eerst de moeder van zijn vier kinderen, later, na de crisis, zijn huidige partner. Al deze zaken moet je via Google een beetje bijeen sprokkelen, want daarover gaat De katholieke school niet.

Jammer dat hij zijn terugkeer naar de wijk, naar de doem van Angelo Izzo, nauwelijks verklaart. De doem wordt nog steeds door het hele quartiere Trieste gevoeld, schrijft hij. Men is ervan weggedraaid, men noemde de drie jongens vol walging ‘die monsters’, maar er is nooit een groepstherapie geweest met de vraag: hoezo dat drie jongens uit onze wijk tot dit zijn gekomen?

Die groepstherapie voor het quartiere Trieste is eigenlijk dit boek, De katholieke school. Iemand moest het doen. En Albinati heeft zich tot het uiterste in dienst gesteld: ‘Gisteren, 17 januari 2007, heb ik wat huisraad, twee koffers en mijn pc verhuisd en sinds vannacht slaap ik in een appartement op de begane grond in de Via Tolmino, tegenover het huis waar een ex-leerling van het San Leone Magno vroeger woonde, Angelo, die drie dagen geleden opnieuw door de rechtbank is veroordeeld vanwege de moord op twee vrouwen, moeder en dochter. Ik zat in de klas bij zijn jongere broer, Salvatore. Op deze datum ben ik na meer dan twintig jaar weer in het quartiere Trieste komen wonen.’